Isaías 28

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Wee de hovaardige kroon der dronkenen van Efraim, welker heerlijk sieraad is een afvallende bloem, die daar is op het hoofd der zeer vette vallei, der geslagenen van den wijn.
1 Ai de Samaria, orgulho e coroa dos bêbados de Israel! Ai dessa bela cidade que fica acima de terras boas! Os seus moradores estão embriagados, e a beleza da cidade desaparece como uma flor que murcha.
2 Ziet, de Heere heeft een sterke en machtige, er is gelijk een hagelvloed, een poort des verderfs; gelijk een vloed der sterke wateren; die overvloeien, zal Hij ze ter aarde nederwerpen met de hand.
2 O Senhor vai enviar um homem forte e valente; ele virá como uma chuva de pedra, como uma tempestade destruidora, como violentas trombas-d'água. Ele arrasará tudo!
3 De hovaardige kronen der dronkenen van Efraim zullen met voeten vertreden worden.
3 Samaria, orgulho e coroa dos bêbados de Israel, será pisada.
4 En de afvallende bloem zijns heerlijken sieraads, die op het hoofd der zeer vette vallei is, zal zijn gelijk een vroegrijpe vrucht voor den zomer, welke, wanneer ze iemand ziet, terwijl zij nog in zijn hand is, slokt hij ze op.
4 A bela cidade que fica acima de terras boas, cuja beleza desaparece como uma flor que murcha, será como o primeiro figo maduro do verão: logo que amadurece, alguém o apanha e come.
5 Te dien dage zal de HEERE der heirscharen tot een heerlijke Kroon en tot een sierlijken Krans zijn den overgeblevenen Zijns volks.
5 Naquele dia, o Senhor Todo-Poderoso será como uma bela coroa de flores para a gente do seu povo que ficar com vida.
6 En tot een Geest des oordeels dien, die ten oordeel zit, en tot een sterkte dengenen, die den strijd afkeren tot de poort toe.
6 Aos juízes ele dará o desejo de fazer justiça; e aos que defendem a cidade contra o inimigo ele dará coragem.
7 En ook dwalen dezen van den wijn, en zij dolen van den sterken drank; de priester en de profeet dwalen van den sterken drank; zij zijn verslonden van den wijn, zij dolen van sterken drank; zij dwalen in het gezicht; zij waggelen in het gericht.
7 Mas há outros que também andam tontos por terem bebido muito vinho, que não podem ficar de pé por causa das bebidas: são os sacerdotes e os Os profetas, quando recebem visões de Deus, estão bêbados, e os sacerdotes também, quando julgam os casos no tribunal.
8 Want alle tafels zijn vol van uitspuwsel en van drek, zodat er geen plaats schoon is.
8 As suas mesas estão cobertas de vômito, não há um só lugar que esteja limpo.
9 Wien zou Hij dan de kennis leren, en wien zou Hij het gehoorde te verstaan geven? Den gespeenden van de melk, den afgetrokkenen van de borsten?
9 Eles falam mal de mim e perguntam: “A quem é que esse profeta está querendo ensinar? Será que ele pensa que vai explicar a mensagem para nós? Será que somos bebês desmamados há pouco tempo?
10 Want het is gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig.
10 Ele está pensando que nós somos crianças e quer nos ensinar o beabá.”
11 Daarom zal Hij door belachelijke lippen, en door een andere tong tot dit volk spreken;
11 Se vocês não quiserem ouvir o que eu digo, então o por meio de estrangeiros, que falam uma língua estranha.
12 Tot dewelken Hij gezegd heeft: Dit is de rust, geeft den moeden rust, en dit is de verkwikking; doch zij hebben niet willen horen.
12 Há tempo, eu disse a vocês: “Deus lhes dará descanso; ele lhes dará segurança. Aqui vocês estarão seguros.” Mas vocês não quiseram ouvir.
13 Zo zal hun het woord des HEEREN zijn; gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig; opdat zij heengaan, en achterwaarts vallen, en verbreken, en verstrikt en gevangen worden.
13 Por isso, o Senhor vai ensinar-lhes o beabá, como se vocês fossem crianças. Então vocês tentarão andar, mas cairão de costas; serão feridos, cairão em armadilhas e serão presos.
14 Daarom, hoort des HEEREN woord, gij bespotters, gij heersers over dit volk, dat te Jeruzalem is!
14 Autoridades de Jerusalém, homens orgulhosos que governam esse povo, escutem a mensagem de Deus, o
15 Omdat gijlieden zegt: Wij hebben een verbond met den dood gemaakt, en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen.
15 Vocês dizem: “Fizemos um acordo com a morte, já combinamos tudo com o Portanto, quando vier a terrível desgraça, nós não sofreremos nada.” Mas vocês estão confiando em mentiras e pensam que a desonestidade os protegerá.
16 Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijken hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten.
16 Por isso, o Senhor Deus diz: “Estou colocando em uma pedra preciosa que eu escolhi, para ser a pedra principal do alicerce. Nela está escrito isto: ‘Quem tem fé não tem medo.’
17 En Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood; en de hagel zal de toevlucht der leugen wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats overlopen.
17 Como prumo, usarei a justiça, e a honestidade será a minha medida.” Os abrigos em que vocês confiam não são seguros; eles serão destruídos por chuvas de pedra, serão arrasados por trombas-d'água.
18 En ulieder verbond met den dood zal te niet worden, en uw voorzichtig verdrag met de hel zal niet bestaan; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, dan zult gijlieden van denzelven vertreden worden.
18 O acordo que vocês fizeram com a morte será anulado, o que vocês combinaram com o mundo dos mortos será desfeito. E, quando chegar a terrível desgraça, ela os arrastará como se fosse uma enchente.
19 Van den tijd af, als hij doortrekt, zal hij ulieden wegnemen, want allen morgen zal hij doortrekken, bij dag en bij nacht; en het zal geschieden, dat het gerucht te verstaan, enkel beroering wezen zal.
19 Todas as vezes que chegar, ela os arrastará; chegará todos os dias, de manhã e de noite. Cada mensagem de Deus trará um novo pavor.
20 Want het bed zal korter zijn, dan dat men zich daarop uitstrekken kunne; en het deksel zal te smal wezen, als men zich daaronder voegt.
20 Vocês serão como o homem de que fala aquele provérbio: “A cama é tão curta, que ele não pode se deitar, o cobertor é tão estreito, que não dá para ele se cobrir.”
21 Want de HEERE zal Zich opmaken, gelijk op den berg Perazim, Hij zal beroerd zijn, gelijk in het dal van Gibeon, om Zijn werk te doen, Zijn werk zal vreemd zijn; en om Zijn daad te doen, Zijn daad zal vreemd zijn!
21 Pois o Senhor vai se levantar, como se levantou no monte Perazim; ele vai ficar como ficou no vale de Gibeão. Ele vai realizar o seu plano misterioso; vai fazer o seu trabalho estranho.
22 Nu dan, drijft den spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden; want ik heb van den Heere HEERE der heirscharen gehoord een verdelging, ja, een, die vast besloten is over het ganse land.
22 Portanto, parem de zombar; se não, as correntes que os prendem serão apertadas ainda mais. Pois ouvi o ordenar a destruição do país inteiro.
23 Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
23 Escutem o que vou dizer! Deem atenção à minha mensagem!
24 Ploegt de ploeger den gehelen dag om te zaaien? Opent en egt hij zijn land den gehelen dag?
24 Um homem que está preparando o terreno para semear trigo não gasta todo o seu tempo arando a terra, cavando e remexendo nela.
25 Is het niet alzo? Wanneer hij het bovenste van hetzelve effen gemaakt heeft, dan strooit hij wikken, en spreidt komijn, of hij werpt er van de beste tarwe in, of uitgelezen gerst, of spelt, elk aan zijn plaats.
25 Depois de ter aplanado a terra, ele semeia o endro e o cominho e planta o trigo, a cevada e outros cereais nos lugares certos.
26 En zijn God onderricht hem van de wijze, Hij leert hem.
26 Ele faz tudo direito porque Deus o ensinou.
27 Want men dorst de wikken niet met den dorswagen, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan; maar de wikken slaat men uit met een staf, en het komijn met een stok;
27 E no tempo da colheita ele não usa um instrumento pesado para debulhar os grãos de endro e de cominho; pelo contrário, ele usa varas pequenas e leves.
28 Het brood koren moet verbrijzeld worden, maar hij dorst het niet geduriglijk dorsende; noch hij breekt het met het wiel zijn wagens, noch hij verbrijzelt het met zijn paarden.
28 Quando malha o trigo, ele não continua malhando até quebrar os grãos. Ele sabe passar a carreta por cima das espigas sem esmagar os grãos.
29 Zulks komt ook voort van den HEERE der heirscharen; Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad.
29 Esse conhecimento também vem do Senhor Todo-Poderoso. Os seus planos são maravilhosos, e ele é sábio em tudo o que faz.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Isaías 28, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.