Gênesis 35

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Daarna zeide God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-El, en woon aldaar; en maak daar een altaar dien God, Die u verscheen, toen gij vluchttet voor het aangezicht van uw broeder Ezau.
1 Deus disse a Jacó: — Levante-se, vá para Betel e habite ali. Faça ali um altar ao Deus que lhe apareceu quando você fugia do seu irmão Esaú.
2 Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw klederen;
2 Então Jacó disse à sua família e a todos os que estavam com ele: — Joguem fora os deuses estranhos que há no meio de vocês, purifiquem-se e troquem de roupa.
3 En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-El; en ik zal daar een altaar maken dien God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is op den weg, die ik gewandeld heb.
3 Vamos nos preparar e ir para Betel. Farei ali um altar ao Deus que me respondeu no dia da minha angústia e me acompanhou no caminho por onde andei.
4 Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder den eikeboom, die bij Sichem is.
4 Então deram a Jacó todos os deuses estranhos que tinham em mãos e as argolas que lhes pendiam das orelhas. E Jacó os escondeu debaixo do carvalho que está junto a Siquém.
5 En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.
5 Quando eles partiram, o terror de Deus invadiu as cidades vizinhas, e não perseguiram os filhos de Jacó.
6 Alzo kwam Jakob te Luz, hetwelk is in het land Kanaan (dat is Beth-El), hij en al het volk, dat bij hem was.
6 Assim, Jacó chegou a Luz, chamada Betel, que fica na terra de Canaã, ele e todo o povo que estava com ele.
7 En hij bouwde aldaar een altaar, en noemde die plaats El Beth-El; want God was hem aldaar geopenbaard geweest, als hij voor zijns broeders aangezicht vlood.
7 E edificou ali um altar. E àquele lugar deu o nome de El-Betel, porque ali Deus havia se revelado a ele quando estava fugindo do seu irmão.
8 En Debora, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-El; onder dien eik, welks naam hij noemde Allon-Bachuth.
8 Débora, a ama de Rebeca, morreu e foi sepultada ao pé de Betel, debaixo do carvalho que se chama Alom-Bacute.
9 En God verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-Aram gekomen was; en Hij zegende hem.
9 Depois que Jacó havia retornado de Padã-Arã, Deus lhe apareceu outra vez e o abençoou.
10 En God zeide tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israel zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israel.
10 Deus disse a ele: — Você se chama Jacó, mas o seu nome não será mais Jacó; o seu nome será Israel. E lhe deu o nome de Israel.
11 Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, een hoop der volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.
11 Disse-lhe mais: — Eu sou o Deus Todo-Poderoso; seja fecundo e multiplique-se; uma nação e multidão de nações sairão de você, e reis procederão de você.
12 En dit land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en aan uw zaad na u zal Ik dit land geven.
12 A terra que dei a Abraão e a Isaque darei também a você e, depois de você, à sua descendência.
13 Toen voer God van hem op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had.
13 E Deus se retirou dele, elevando-se do lugar onde lhe havia falado.
14 En Jakob stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop drankoffer, en goot olie daarover.
14 Então Jacó pôs uma coluna de pedra no lugar onde Deus havia falado com ele e derramou uma libação e azeite sobre ela.
15 En Jakob noemde den naam dier plaats, alwaar God met hem gesproken had, Beth-El.
15 Ao lugar onde Deus lhe havia falado, Jacó deu o nome de Betel.
16 En zij reisden van Beth-El; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren.
16 Partiram de Betel, e, havendo ainda pequena distância para chegar a Efrata, Raquel deu à luz um filho, num parto que foi muito difícil.
17 En het geschiedde, als zij het hard had in haar baren, zo zeide de vroedvrouw tot haar: Vrees niet; want deze zoon zult gij ook hebben!
17 Em meio às dores, a parteira disse a Raquel: — Não tenha medo, pois você ainda terá este filho.
18 En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.
18 Ao sair-lhe a alma (porque morreu), deu ao filho o nome de Benoni. Mas seu pai lhe chamou Benjamim.
19 Alzo stierf Rachel; en zij werd begraven aan den weg naar Efrath, hetwelk is Bethlehem.
19 Assim, Raquel morreu e foi sepultada no caminho de Efrata, que é Belém.
20 En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf, dit is het gedenkteken van Rachels graf tot op dezen dag.
20 Jacó levantou uma coluna sobre a sepultura de Raquel. Essa é a coluna da sepultura de Raquel até o dia de hoje.
21 Toen verreisde Israel, en hij spande zijn tent op gene zijde van Migdal-Eder.
21 Então Israel partiu e armou a sua tenda além da torre de Éder.
22 En het geschiedde, als Israel in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bij Bilha, zijns vaders bijwijf; en Israel hoorde het. En de zonen van Jakob waren twaalf.
22 E aconteceu que, habitando Israel naquela terra, Rúben foi e se deitou com Bila, concubina de seu pai. E Israel ficou sabendo disso. Eram doze os filhos de Israel.
23 De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon.
23 Rúben, o primogênito de Jacó, Simeão, Levi, Judá, Issacar e Zebulom, filhos de Lia;
24 De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.
24 José e Benjamim, filhos de Raquel;
25 En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali.
25 Dã e Naftali, filhos de Bila, serva de Raquel;
26 En de zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-Aram.
26 e Gade e Aser, filhos de Zilpa, serva de Lia. São estes os filhos de Jacó, que lhe nasceram em Padã-Arã.
27 En Jakob kwam tot Izak, zijn vader, in Mamre, te Kirjath-Arba, hetwelk is Hebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd, en Izak.
27 Jacó veio a Isaque, seu pai, a Manre, a Quiriate-Arba (que é Hebrom), onde peregrinaram Abraão e Isaque.
28 En de dagen van Izak waren honderd jaren, en tachtig jaren.
28 Os dias da vida de Isaque foram cento e oitenta anos.
29 En Izak gaf den geest en stierf, en werd verzameld tot zijn volken, oud en zat van dagen; en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem.
29 Após uma longa velhice, Isaque expirou e morreu, sendo reunido ao seu povo; e Esaú e Jacó, seus filhos, o sepultaram.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Gênesis 35, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.