Gênesis 19

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 En die twee engelen kwamen te Sodom in den avond; en Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde.
1 Estava anoitecendo quando os dois anjos chegaram a Sodoma. Ló estava sentado perto do portão de entrada da cidade. Quando viu os anjos, levantou-se e foi recebê-los. Ajoelhou-se, encostou o rosto no chão
2 En hij zeide: Ziet nu, mijne heren! keert toch in ten huize van uw knecht, en vernacht, en wast uw voeten; en gij zult vroeg opstaan, en gaan uws weegs. En zij zeiden: Neen, maar wij zullen op de straat vernachten.
2 e disse: — Senhores, estou aqui para servi-los; por favor, aceitem o meu convite e venham se hospedar na minha casa. Os senhores podem lavar os pés e passar a noite ali. Depois se levantarão bem cedo e continuarão a sua viagem. Eles disseram: — Não; nós vamos passar a noite na praça.
3 En hij hield bij hen zeer aan, zodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis; en hij maakte hun een maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten.
3 Mas Ló insistiu tanto, que eles aceitaram e foram com ele para a sua casa. Ló mandou preparar um bom jantar e assar pães sem fermento. E os visitantes jantaram.
4 Eer zij zich te slapen legden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van den jongste tot den oudste toe, dat huis omsingeld, het ganse volk, van het uiterste einde af.
4 Mas, antes que eles fossem dormir, todos os homens de Sodoma, tanto os moços como os velhos, cercaram a casa.
5 En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen.
5 Eles chamaram Ló e perguntaram: — Onde estão os homens que entraram na sua casa esta noite? Traga-os aqui fora para nós, pois queremos ter relações com eles.
6 Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe;
6 Ló saiu para falar com os homens. Ele fechou bem a porta
7 En hij zeide: Mijn broeders! doet toch geen kwaad!
7 e disse: — Por favor, meus amigos, não cometam esse crime!
8 Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleenlijk doet dezen mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.
8 Prestem atenção! Tenho duas filhas que ainda são virgens. Vou trazê-las aqui fora para vocês. Façam com elas o que quiserem. Porém não façam nada com esses homens, pois são meus hóspedes, e eu tenho o dever de protegê-los.
9 Toen zeiden zij: Kom verder aan! Voorts zeiden zij: Deze ene is gekomen, om als vreemdeling hier te wonen, en zoude hij alleszins rechter zijn? Nu zullen wij u meer kwaads doen, dan hun. En zij drongen zeer op den man, op Lot, en zij traden toe om de deur open te breken.
9 Mas eles responderam: — Saia da nossa frente! E diziam uns aos outros: — Esse homem é estrangeiro e quer mandar em nós! Depois, virando-se para Ló, disseram: — Pois agora vamos fazer com você pior ainda do que íamos fazer com os seus hóspedes. Os homens de Sodoma se atiraram contra Ló e chegaram perto da porta para arrombá-la.
10 Doch die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe.
10 Mas os visitantes pegaram Ló, e o puxaram para dentro da casa, e fecharam a porta.
11 En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van den kleinste tot aan den grootste, zodat zij moede werden, om de deur te vinden.
11 Em seguida eles fizeram que os homens, tanto os moços como os velhos, que estavam do lado de fora, ficassem cegos; e assim não conseguiram encontrar a porta.
12 Toen zeiden die mannen tot Lot: Wien hebt gij hier nog meer? een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochteren, en allen, die gij hebt in deze stad, breng uit deze plaats;
12 Então os visitantes disseram a Ló: — Tem mais gente sua aqui? Pegue os seus filhos, as suas filhas, os seus genros e outros parentes que você tiver na cidade e tire todos daqui,
13 Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voor het aangezicht des HEEREN, en de HEERE ons uitgezonden heeft, om haar te verderven.
13 pois nós vamos destruir este lugar. O Senhor Deus tem ouvido as terríveis acusações que há contra essa gente e por isso nos mandou para destruirmos Sodoma.
14 Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochteren nemen zouden, en zeide: Maakt u op, gaat uit deze plaats; want de HEERE gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen zijner schoonzonen als jokkende.
14 Então Ló saiu e foi falar com os homens que iam casar com as suas filhas. Ele disse: — Arrumem-se depressa e saiam daqui porque o Mas eles pensaram que Ló estivesse brincando.
15 En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochteren, die voorhanden zijn, opdat gij in de ongerechtigheid dezer stad niet omkomt.
15 De madrugada os anjos insistiram com Ló, dizendo: — Arrume-se depressa, pegue a sua mulher e as suas duas filhas e saia daqui, para que vocês não morram quando a cidade for destruída.
16 Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand zijner vrouw, en de hand zijner twee dochteren, om de verschoning des HEEREN over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad.
16 E, como ele estava demorando, os anjos pegaram pela mão Ló, a sua mulher e as suas filhas e os levaram para fora da cidade, pois o Senhor teve compaixão de Ló.
17 En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt.
17 Então um dos anjos disse a Ló: — Agora corra e salve a sua vida! Não olhe para trás, nem pare neste vale. Fuja para a montanha; se não, você vai morrer.
18 En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere!
18 Mas Ló respondeu: — Senhor, não me obrigue a fazer isso, por favor!
19 Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
19 O senhor me fez um grande favor e teve pena de mim, salvando a minha vida. Mas a montanha fica muito longe daqui, e a destruição vai me alcançar e acabar comigo antes que eu chegue lá.
20 Ziet toch, deze stad is nabij, om derwaarts te vluchten, en zij is klein; laat mij toch derwaarts behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve.
20 Está vendo aquela cidadezinha ali? Ela fica perto. Deixe que eu fuja para lá a fim de salvar a minha vida. Veja que é uma cidade bem pequena.
21 En Hij zeide tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan gij gesproken hebt.
21 Então o anjo disse: — Está bem; concordo. Eu não destruirei aquela cidade.
22 Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarhenen ingekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar.
22 Agora vá depressa, pois eu não poderei fazer nada enquanto você não chegar lá. Ló tinha dito que a cidade era bem pequena, e por isso ela recebeu o nome de Zoar .
23 De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam.
23 Ló chegou a Zoar depois que o sol já havia saído.
24 Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van den HEERE uit den hemel.
24 De repente, lá do céu, o Senhor Deus fez chover fogo e enxofre sobre Sodoma e Gomorra.
25 En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands.
25 Ele destruiu essas duas cidades, e também todo o vale e os seus moradores, e acabou com todas as plantas e árvores daquela região.
26 En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.
26 E aconteceu que a mulher de Ló olhou para trás e virou uma estátua de sal.
27 En Abraham maakte zich deszelven morgens vroeg op, naar de plaats, waar hij voor het aangezicht des HEEREN gestaan had.
27 No dia seguinte Abraão se levantou de madrugada e foi até o lugar onde havia falado com Deus, o Senhor .
28 En hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het ganse land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens.
28 Abraão olhou na direção de Sodoma, de Gomorra e de todo o vale e viu que da terra subia fumaça, como se fosse a fumaça de uma grande fornalha.
29 En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.
29 Foi assim que Deus destruiu as cidades do vale. Mas ele pensou em Abraão e fez com que Ló escapasse da destruição das cidades onde havia morado.
30 En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijn twee dochters met hem; want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een spelonk, hij en zijn twee dochters.
30 Ló teve medo de ficar morando em Zoar e por isso foi para as montanhas, junto com as duas filhas. Ali os três viviam numa caverna.
31 Toen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze der ganse aarde.
31 Certo dia a filha mais velha disse à mais nova: — O nosso pai já está ficando velho, e não há nenhum outro homem nesta região. Assim não podemos casar e ter filhos, como é costume em toda parte.
32 Kom, laat ons onze vader wijn te drinken geven, en bij hem liggen, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden.
32 Venha cá, vamos dar vinho a papai até que fique bêbado. Então nós nos deitaremos com ele e assim teremos filhos dele.
33 En zij gaven dien nacht haar vader wijn te drinken; en de eerstgeborene kwam, en lag bij haar vader, en hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.
33 Naquela mesma noite elas deram vinho ao pai, e a filha mais velha teve relações com ele. Mas ele estava tão bêbado, que não percebeu nada.
34 En het geschiedde des anderen daags, dat de eerstgeborene zeide tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook dezen nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onzen vader zaad in het leven behouden.
34 No dia seguinte a filha mais velha disse à irmã: — Eu dormi ontem à noite com papai. Vamos embebedá-lo de novo hoje à noite, e você vai dormir com ele. Assim, nós duas teremos filhos com ele e conservaremos a sua descendência.
35 En zij gaven haar vader ook dien nacht wijn te drinken, en de jongste stond op, en lag bij hem. En hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.
35 Nessa noite tornaram a dar vinho ao pai, e a filha mais nova teve relações com ele. De novo ele estava tão bêbado, que não percebeu nada.
36 En de twee dochters van Lot werden bevrucht van haar vader.
36 Assim, as duas filhas de Ló ficaram grávidas do próprio pai.
37 En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; deze is de vader der Moabieten, tot op dezen dag.
37 A mais velha teve um filho, a quem deu o nome de Moabe . Ele foi o pai dos moabitas de hoje .
38 En de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-Ammi; deze is de vader der kinderen Ammons, tot op dezen dag.
38 A mais nova também teve um filho e pôs nele o nome de Ben-Ami . Ele foi o pai dos amonitas de hoje.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Gênesis 19, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.