Ezequiel 44

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Toen deed hij mij wederkeren den weg naar de poort van het buitenste heiligdom, die naar het oosten zag; en die was toegesloten.
1 Então o homem me fez voltar para o portão exterior do santuário, que dá para o leste e que estava fechado.
2 En de HEERE zeide tot mij: Deze poort zal toegesloten zijn, zij zal niet geopend worden, noch iemand door dezelve ingaan, omdat de HEERE, de God Israels, door dezelve is ingegaan; daarom zal zij toegesloten zijn.
2 E o Senhor me disse: — Este portão permanecerá fechado; não deverá ser aberto. Ninguém entrará por ele, porque o
3 De vorst, de vorst, die zal in dezelve zitten, om brood te eten voor het aangezicht des HEEREN; door den weg van het voorhuis der poort zal hij ingaan, en door den weg van hetzelve zal hij uitgaan.
3 Quanto ao príncipe, ele se assentará ali por ser príncipe, para comer o pão diante do Senhor . Entrará pelo vestíbulo da porta e sairá pelo mesmo caminho.
4 Daarna bracht hij mij den weg der noorderpoort, voor aan het huis; en ik zag, en ziet, de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld; toen viel ik op mijn aangezicht.
4 Depois, o homem me levou para a frente do templo, passando pelo portão do norte. Olhei, e eis que a glória do Senhor enchia a Casa do Senhor ; então caí com o rosto em terra.
5 En de HEERE zeide tot mij: Mensenkind! zet er uw hart op, en zie met uw ogen, en hoor met uw oren alles, wat Ik met u spreken zal, van alle inzettingen van het huis des HEEREN, en van al zijn wetten; en zet uw hart op den ingang van het huis, met alle uitgangen des heiligdoms.
5 E o Senhor me disse: — Filho do homem, preste atenção, veja com os próprios olhos e ouça com os próprios ouvidos tudo o que eu lhe disser a respeito de todas as determinações da Casa do
6 En zeg tot die wederspannigen, tot het huis Israels: Zo zegt de Heere HEERE: Het is te veel voor ulieden, vanwege al uw gruwelen, o huis Israels.
6 — Diga aos rebeldes, à casa de Israel: Assim diz o Senhor Deus: “Basta de todas essas suas abominações, ó casa de Israel!
7 Dewijl gijlieden vreemden hebt ingebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te zijn, om dat te ontheiligen, te weten Mijn huis; als gij Mijn brood, het vette en het bloed offerdet, en zij Mijn verbond verbraken, nevens al uw gruwelen.
7 Porque vocês levaram estrangeiros, incircuncisos de coração e incircuncisos de carne, para estarem em meu santuário e profaná-lo, a saber, o meu templo, quando oferecem o meu pão, a gordura e o sangue. Vocês quebraram a minha aliança, fazendo todas essas abominações.
8 En gijlieden hebt de wacht van Mijn heilige dingen niet waargenomen; maar gij hebt uzelven enigen tot wachters Mijner wacht gesteld in Mijn heiligdom.
8 Vocês não cumpriram as prescrições a respeito das minhas coisas sagradas, mas constituíram estrangeiros para executarem o serviço no meu santuário em lugar de vocês.”
9 Alzo zegt de Heere HEERE: Geen vreemde, onbesneden van hart, en onbesneden van vlees, zal in Mijn heiligdom ingaan, van enigen vreemde, die in het midden der kinderen Israels is.
9 — Assim diz o Senhor Deus: Nenhum estrangeiro que se encontra no meio dos filhos de Israel, incircunciso de coração ou incircunciso de carne, entrará no meu santuário.
10 Maar de Levieten, die verre van Mij geweken zijn, als Israel ging dolen, die van Mij zijn afgedwaald, hun drekgoden achterna, zullen wel hun ongerechtigheid dragen;
10 Os levitas, porém, que se afastaram de mim quando Israel se desviou, que se desviaram de mim, para ir atrás dos seus ídolos, levarão sobre si a sua iniquidade.
11 Nochtans zullen zij in Mijn heiligdom bedienaars zijn, in de ambten aan de poorten van het huis, en zij zullen het huis bedienen; zij zullen het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten, en zullen voor hun aangezicht staan, om hen te dienen;
11 Contudo, eles poderão servir no meu santuário como guardas dos portões e ministros do templo. Eles matarão os animais do holocausto e do sacrifício para o povo e estarão diante do povo para o servir.
12 Omdat zij henlieden gediend hebben voor het aangezicht hunner drekgoden, en den huize Israels tot een aanstoot der ongerechtigheid geweest zijn, daarom heb Ik Mijn hand tegen hen opgeheven, spreekt de Heere HEERE, dat zij hun ongerechtigheid zullen dragen.
12 Mas, porque serviram o povo na presença dos seus ídolos e puseram diante da casa de Israel um tropeço que os levou a cair em iniquidade, por isso, jurei a respeito deles, diz o Senhor Deus, que eles levarão sobre si a sua iniquidade.
13 En zij zullen tot Mij niet naderen, om Mij het priesterambt te bedienen, en om te naderen tot al Mijn heilige dingen, tot de allerheiligste dingen; maar zullen hun schande dragen, en hun gruwelen, die zij gedaan hebben.
13 Não se aproximarão de mim, para me servirem no sacerdócio, nem se aproximarão de nenhuma de todas as minhas coisas sagradas, que são santíssimas, mas levarão sobre si a sua vergonha e as suas abominações que cometeram.
14 Daarom zal Ik hen stellen tot wachters van de wacht des huizes, aan al zijn dienst, en aan alles, wat daarin zal gedaan worden.
14 Contudo, eu os encarregarei da guarda do templo, de todo o serviço e de tudo o que tiver de ser feito nele.
15 Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen, als de kinderen Israels van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt de Heere HEERE;
15 — Mas os sacerdotes levitas, os filhos de Zadoque, que cumpriram as prescrições do meu santuário, quando os filhos de Israel se desviaram de mim, eles se aproximarão de mim, para me servirem, e estarão diante de mim, para me oferecerem a gordura e o sangue, diz o Senhor Deus.
16 Die zullen in Mijn heiligdom ingaan, en die zullen tot Mijn tafel naderen, om Mij te dienen, en zij zullen Mijn wacht waarnemen.
16 Eles entrarão no meu santuário, e se aproximarão da minha mesa, para me servirem, e cumprirão as minhas prescrições.
17 En het zal geschieden, als zij tot de poorten van het binnenste voorhof zullen ingaan, dat zij linnen klederen zullen aantrekken; maar wol zal op hen niet komen, als zij dienen in de poorten van het binnenste voorhof, en inwaarts.
17 Quando entrarem pelos portões do átrio interior, usarão vestes de linho. Não deverão usar nada feito de lã, quando servirem nos portões do átrio interior ou dentro do templo.
18 Linnen huiven zullen op hun hoofd zijn, en linnen onderbroeken zullen op hun lenden zijn; zij zullen zich niet gorden in het zweet.
18 Deverão usar turbantes de linho na cabeça e calções de linho sobre as coxas. Não deverão usar nada que os leve a suar.
19 En als zij uitgaan tot het buitenste voorhof, namelijk tot het buitenste voorhof tot het volk, zullen zij hun klederen, in dewelke zij gediend hebben, uittrekken, en dezelve henenleggen in de heilige kameren; en zullen andere klederen aantrekken, opdat zij het volk niet heiligen met hun klederen.
19 Quando saírem para o átrio exterior, para junto do povo, deverão tirar as vestes com que ministraram, deixando-as nas santas câmaras. Deverão usar outras roupas, para que, com as suas vestes, não santifiquem o povo.
20 En zij zullen hun hoofd niet glad afscheren, ook de lokken niet lang laten wassen; behoorlijk zullen zij hun hoofden bescheren.
20 Não raparão a cabeça, nem deixarão o cabelo ficar comprido; pelo contrário, devem cortá-lo como convém.
21 Ook zal geen priester wijn drinken, als zij in het binnenste voorhof zullen ingaan.
21 Nenhum sacerdote beberá vinho quando entrar no átrio interior.
22 Ook zullen zij zich geen weduwe of verstotene tot vrouwen nemen; maar jonge dochters van het zaad van het huis Israels, of een weduwe, die een weduwe zal geweest zijn van een priester, zullen zij nemen.
22 O sacerdote não se casará nem com viúva nem com mulher divorciada, mas somente com uma virgem da linhagem da casa de Israel ou com a viúva de um sacerdote.
23 En zij zullen Mijn volk onderscheid leren tussen het heilige en onheilige, en hun bekend maken het onderscheid tussen het onreine en reine.
23 Os sacerdotes ensinarão o meu povo a distinguir entre o santo e o profano e lhe darão entendimento quanto à diferença entre o impuro e o puro.
24 En over een twistzaak zullen zij staan om te richten; naar Mijn rechten zullen zij hen richten; en zij zullen Mijn wetten en Mijn inzettingen op al Mijn gezette hoogtijden houden, en Mijn sabbatten heiligen.
24 Quando houver litígio, eles atuarão como juízes, decidindo a questão segundo o meu direito. Guardarão as minhas leis e os meus estatutos em todas as festas fixas e santificarão os meus sábados.
25 Ook zal geen van hen tot een doden mens ingaan, dat hij onrein worde; maar om een vader, of om een moeder, of om een zoon, of om een dochter, om een broeder of om een zuster, die geens mans geweest is, zullen zij zich mogen verontreinigen.
25 — Não se aproximarão de nenhuma pessoa morta, porque se contaminariam. Apenas se o morto for o pai, a mãe, um filho, uma filha, um irmão, ou uma irmã que não tiver marido, poderão se contaminar.
26 En na zijn reiniging zullen zij hem zeven dagen tellen.
26 Depois que ele se purificar de novo, deverá esperar sete dias.
27 En ten dage, als hij in het heilige zal ingaan, in het binnenste voorhof, om in het heilige te dienen, zal hij zijn zondoffer offeren, spreekt de Heere HEERE.
27 No dia em que ele entrar no lugar santo, no átrio interior, para ministrar no lugar santo, apresentará a sua oferta pelo pecado, diz o Senhor Deus.
28 Dit nu zal hun tot een erfenis zijn: Ik ben hun Erfenis; daarom zult gij hunlieden geen bezitting geven in Israel; Ik ben hun Bezitting.
28 — Os sacerdotes terão uma herança; eu sou a sua herança. Vocês não lhes darão nenhuma propriedade em Israel; eu sou a sua propriedade.
29 Het spijsoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer, die zullen zij eten; ook zal al het verbannene in Israel het hunne zijn.
29 As ofertas de cereais, as ofertas pelo pecado e as ofertas pela culpa eles comerão; e toda coisa consagrada em Israel será deles.
30 En de eerstelingen van alle eerste vruchten van alles, en alle hefoffer van alles, van al uw hefofferen, zullen der priesteren zijn; ook zult gij de eerstelingen van uw deeg den priester geven, om den zegen op uw huis te doen rusten.
30 O melhor de todos os primeiros frutos de toda espécie e toda oferta de toda espécie serão dos sacerdotes. Também a primeira parte do cereal moído vocês darão aos sacerdotes, para que façam repousar a bênção sobre a casa de vocês.
31 Geen aas, noch wat verscheurd is van het gevogelte, of van het vee, zullen de priesters eten.
31 Os sacerdotes não comerão nenhum pássaro ou animal que tenha morrido por si mesmo ou que tenha sido dilacerado por outro animal.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Ezequiel 44, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.