Ezequiel 39

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Voorts, gij mensenkind! profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal!
1 — Filho do homem, profetize contra Gogue e diga: Assim diz o Senhor Deus: “Eis que estou contra você, Gogue, príncipe de Rôs, de Meseque e Tubal.
2 En Ik zal u omwenden, en een zeshaak in u slaan, en u optrekken uit de zijden van het noorden, en Ik zal u brengen op de bergen Israels.
2 Eu o farei mudar de direção e o conduzirei. Farei com que você venha dos lados do Norte e o trarei aos montes de Israel.
3 Maar Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en Ik zal uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.
3 Então tirarei o arco da sua mão esquerda e farei cair as flechas que estão em sua mão direita.
4 Op de bergen Israels zult gij vallen, gij en al uw benden, en de volken, die met u zijn; Ik heb u aan de roofvogelen, aan het gevogelte van allen vleugel, en aan het gedierte des velds ter spijze gegeven.
4 Nos montes de Israel, você cairá — você, todas as suas tropas e os povos que estão com você. Eu o entregarei a todo tipo de ave de rapina e aos animais selvagens, para que o devorem.
5 Op het open veld zult gij vallen; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.
5 Você cairá em campo aberto, porque eu falei, diz o Senhor Deus.
6 En Ik zal een vuur zenden in Magog, en onder degenen, die in de eilanden zeker wonen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.
6 Porei fogo em Magogue e nos que vivem em segurança nas terras do mar. Então eles saberão que eu sou o Senhor .
7 En Ik zal Mijn heiligen Naam in het midden van Mijn volk Israel bekend maken, en zal Mijn heiligen Naam niet meer laten ontheiligen; en de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, de Heilige in Israel.
7 Farei conhecido o meu santo nome no meio do meu povo de Israel e nunca mais deixarei que o meu santo nome seja profanado. Então as nações saberão que eu sou o Senhor , o Santo em Israel.”
8 Ziet, het komt en zal geschieden, spreekt de Heere HEERE; dit is de dag, van welken Ik gesproken heb.
8 — Eis que vem e se cumprirá, diz o Senhor Deus; este é o dia de que tenho falado.
9 En de inwoners der steden Israels zullen uitgaan, en vuur stoken en branden van de wapenen, zo van schilden als rondassen, van bogen en van pijlen, zo van handstokken als van spiesen; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren;
9 Os moradores das cidades de Israel sairão e farão fogo com as armas, queimando as couraças e os escudos, os arcos e as flechas, os porretes e as lanças; farão fogo com tudo isso durante sete anos.
10 Zodat zij geen hout uit het veld zullen dragen, noch uit de wouden houwen, maar van de wapenen vuur stoken; en zij zullen beroven degenen, die hen beroofd hadden, en plunderen, die hen geplunderd hadden, spreekt de Heere HEERE.
10 Não terão de trazer lenha do campo, nem a cortarão dos bosques, mas com as armas acenderão fogo. Saquearão aqueles que os saquearam e despojarão aqueles que os despojaram, diz o Senhor Deus.
11 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik aan Gog aldaar een grafstede in Israel zal geven, het dal der doorgangers naar het oosten der zee; en datzelve zal den doorgangers den neus stoppen; en aldaar zullen zij begraven Gog en zijn ganse menigte, en zullen het noemen: Het dal van Gogs menigte.
11 — Naquele dia, darei a Gogue um lugar de sepultura em Israel, o vale dos Viajantes, a leste do mar, que fará parar os que passarem por esse lugar. Gogue e todo o seu exército serão sepultados ali, e aquele lugar será chamado de Hamom-Gogue.
12 Het huis Israels nu zal hen begraven, om het land te reinigen, zeven maanden lang.
12 A casa de Israel levará sete meses para sepultá-los, a fim de limpar a terra.
13 Ja, al het volk des lands zal begraven, en het zal hun tot een naam zijn, ten dage als Ik zal verheerlijkt zijn, spreekt de Heere HEERE.
13 Sim, todo o povo da terra os sepultará. E o dia em que eu for glorificado será para eles um dia memorável, diz o Senhor Deus.
14 Ook zullen zij mannen uitscheiden, die gestadig door het land doorgaan, en doodgravers met de doorgangers, om te begraven degenen, die op den aardbodem zijn overgelaten, om dien te reinigen; ten einde van zeven maanden zullen zij onderzoek doen.
14 Serão separados homens que, sem cessar, percorrerão a terra para sepultar os que tenham ficado nela, para a limpar; depois de sete meses, iniciarão a busca.
15 En deze doorgangers zullen door het land doorgaan, en als iemand een mensenbeen ziet, zo zal hij een merkteken daarbij oprichten; totdat de doodgravers hetzelve zullen hebben begraven in het dal van Gogs menigte.
15 Ao percorrerem a terra, se um deles encontrar um osso humano, porá ao lado um sinal, até que os coveiros o sepultem no vale do Exército de Gogue.
16 Ook zo zal de naam der stad Hamona zijn. Alzo zullen zij het land reinigen.
16 Também haverá uma cidade com o nome de Hamoná. Assim, limparão a terra.
17 Gij dan, mensenkind! zo zegt de Heere HEERE: Zeg tot het gevogelte van allen vleugel, en tot al het gedierte des velds: Vergadert u, en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen Israels, en eet vlees, en drink bloed.
17 — Filho do homem, assim diz o Senhor Deus: Diga às aves de toda espécie e a todos os animais selvagens: “Reúnam-se e venham! Venham de toda parte para o sacrifício que eu estou oferecendo por vocês, um grande sacrifício nos montes de Israel. Vocês comerão carne e beberão sangue.
18 Het vlees der helden zult gij eten, en het bloed van de vorsten der aarde drinken; der rammen, der lammeren, en bokken, en varren, die altemaal gemesten van Basan zijn.
18 Comerão a carne dos poderosos e beberão o sangue dos príncipes da terra — os carneiros e cordeiros, os bodes e novilhos, todos engordados em Basã.
19 En gij zult het vette eten tot verzadiging toe, en bloed drinken tot dronkenschap toe; van Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb.
19 Vocês comerão gordura até se fartarem e beberão sangue até ficarem embriagados, no sacrifício que oferecerei por vocês.
20 En gij zult verzadigd worden aan Mijn tafel van rij paarden en wagen paarden, van helden en alle krijgslieden, spreekt de Heere HEERE.
20 À minha mesa, vocês se fartarão de cavalos e de cavaleiros, de valentes e de todos os homens de guerra”, diz o Senhor Deus.
21 En Ik zal Mijn eer zetten onder de heidenen; en alle heidenen zullen Mijn oordeel zien, dat Ik gedaan heb, en Mijn hand, die Ik aan hen gelegd heb.
21 — Manifestarei a minha glória entre as nações, e todas as nações verão o meu juízo, que eu tiver executado, e a minha mão, que eu tiver posto sobre elas.
22 En die van het huis Israels zullen weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben, van dien dag af en voortaan.
22 Desse dia em diante, a casa de Israel saberá que eu sou o Senhor , seu Deus.
23 En de heidenen zullen weten, dat die van het huis Israels gevankelijk zijn weggevoerd om hun ongerechtigheid, omdat zij tegen Mij hadden overtreden, en dat Ik Mijn aangezicht voor hen verborgen heb, en heb ze overgegeven in de hand hunner wederpartijders, zodat zij altemaal door het zwaard gevallen zijn;
23 As nações saberão que a casa de Israel foi levada para o exílio por causa da sua iniquidade, porque foram infiéis a mim. Assim, escondi deles o meu rosto e os entreguei nas mãos dos seus adversários, e todos eles caíram à espada.
24 Naar hun onreinigheid en naar hun overtredingen heb Ik met hen gehandeld, en Ik heb Mijn aangezicht voor hen verborgen.
24 Eu os tratei de acordo com a sua impureza e as suas transgressões, e escondi deles o meu rosto.
25 Daarom zo zegt de Heere HEERE: Nu zal Ik Jakobs gevangenen wederbrengen, en zal Mij ontfermen over het ganse huis Israels, en Ik zal ijveren over Mijn heiligen Naam;
25 — Portanto, assim diz o Senhor Deus: Agora, restaurarei a sorte de Jacó e me compadecerei de toda a casa de Israel; terei zelo pelo meu santo nome.
26 Als zij hun schande zullen gedragen hebben, en al hun overtreding, met dewelke zij tegen Mij hebben overtreden, toen zij in hun land zeker woonden, en er niemand was, die hen verschrikte.
26 Quando eles habitarem seguros na sua terra, sem haver quem os atemorize, esquecerão a sua vergonha e toda a infidelidade com que se rebelaram contra mim.
27 Als Ik hen zal hebben wedergebracht uit de volken, en hen vergaderd zal hebben uit de landen hunner vijanden, en Ik aan hen geheiligd zal zijn voor de ogen van vele heidenen;
27 Quando eu tornar a trazê-los do meio dos povos, e os houver ajuntado das terras de seus inimigos, revelarei neles a minha santidade diante de muitas nações.
28 Dan zullen zij weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben, dewijl Ik ze gevankelijk heb doen wegvoeren onder de heidenen, maar heb ze weder verzameld in hun land, en heb aldaar niemand van hen meer overgelaten.
28 Saberão que eu sou o Senhor , seu Deus, quando virem que eu os enviei para o cativeiro entre as nações, e os tornei a ajuntar para voltarem à sua terra, e que não deixarei que nenhum deles fique no exílio.
29 En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis Israels zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere HEERE.
29 Nunca mais esconderei deles o meu rosto, pois derramarei o meu Espírito sobre a casa de Israel, diz o Senhor Deus.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Ezequiel 39, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.