Ezequiel 32

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Het gebeurde ook in het twaalfde jaar, in de twaalfde maand op den eersten der maand, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:
1 No décimo segundo ano, no décimo segundo mês, no primeiro dia do mês, a palavra do Senhor veio a mim, dizendo:
2 Mensenkind! hef een klaaglied op over Farao, den koning van Egypte, en zeg tot hem: Gij waart een jongen leeuw onder de heidenen gelijk; en gij waart als een zeedraak in de zeeen, en braakt voort in uw rivieren, en beroerdet het water met uw voeten, en vermodderdet hunlieder rivieren.
2 — Filho do homem, faça uma lamentação sobre Faraó, rei do Egito, e diga-lhe: “Você foi comparado a um leão entre as nações, mas não passa de um crocodilo nas águas, agitando as águas, turvando-as com os pés, sujando os rios.”
3 Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal daarom Mijn net over u uitspreiden door een vergadering van vele volken; die zullen u optrekken in Mijn garen.
3 Assim diz o Senhor Deus: “Estenderei sobre você a minha rede no meio de muitos povos, que o puxarão para fora na minha rede.
4 Dan zal Ik u laten op het land, Ik zal u henenwerpen op het open veld; en Ik zal al het gevogelte des hemels op u doen wonen, en het gedierte der ganse aarde van u verzadigen.
4 Eu o deixarei no chão, eu o lançarei em campo aberto. Trarei sobre você todas as aves do céu, e os animais de toda a terra se fartarão da sua carne.
5 En Ik zal uw vlees henengeven op de bergen, en de dalen met uw hoogheid vervullen.
5 Porei as suas carnes sobre os montes e encherei os vales com o seu cadáver.
6 En Ik zal het land, waarin gij zwemt, van uw bloed drenken tot aan de bergen; en de stromen zullen van u vervuld worden.
6 Com o seu sangue que se derrama, regarei a terra até os montes, e dele se encherão os ribeiros.
7 En als Ik u zal uitblussen, zal Ik den hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten.
7 Quando eu o extinguir, cobrirei os céus e farei escurecer as estrelas; encobrirei o sol com uma nuvem, e a lua não fará resplandecer a sua luz.
8 Alle lichtende lichten aan den hemel, die zal Ik om uwentwil zwart maken; en Ik zal een duisternis over uw land maken, spreekt de Heere HEERE.
8 Por sua causa, vestirei de preto todos os brilhantes luzeiros do céu e trarei trevas sobre o seu país”, diz o
9 Daartoe zal Ik het hart van vele volken verdrietig maken, als Ik uw verbreking onder de heidenen zal brengen in de landen, die gij niet gekend hebt.
9 — “Afligirei o coração de muitos povos, quando se levar às nações, às terras que você não conheceu, a notícia da sua destruição.
10 En Ik zal maken, dat zich vele volken over u ontzetten, en hun koningen zullen de haren over u te berge staan, als Ik Mijn zwaard zal zwaaien voor hun aangezichten; en zij zullen elk ogenblik sidderen, een ieder voor zijn ziel, ten dage uws vals.
10 Farei com que muitos povos fiquem espantados a seu respeito, e os seus reis tremam de medo, quando eu brandir a minha espada diante deles. No dia em que você cair, eles ficarão tremendo sem parar, com medo de perder a vida.”
11 Want zo zegt de Heere HEERE: Het zwaard des konings van Babel zal u overkomen.
11 — Pois assim diz o Senhor Deus: “A espada do rei da Babilônia virá contra você.
12 Ik zal uw menigte vellen door de zwaarden der helden, die al te zamen de tirannigste der heidenen zijn; die zullen de hovaardij van Egypte verstoren, en haar ganse menigte zal verdelgd worden.
12 Farei com que a multidão do seu povo caia à espada de valentes guerreiros, que são todos os mais terríveis das nações.” “Eles acabarão com o orgulho do Egito, e todo o seu povo será destruído.
13 En Ik zal haar beesten verdoen van bij de grote wateren; en geen mensenvoet zal ze meer beroeren, en geen beestenklauwen zullen ze beroeren.
13 Destruirei todos os seus animais junto às muitas águas, que nunca mais serão turvadas por pés humanos ou por cascos de animais.
14 Dan zal Ik hunlieder wateren doen zinken, en Ik zal hunlieder rivieren doen gaan als olie, spreekt de Heere HEERE:
14 Então farei assentar as suas águas e farei correr os seus rios como o azeite”, diz o
15 Als Ik Egypteland zal hebben gesteld tot een verwoesting, en het land van zijn volheid zal woest zijn geworden, als Ik geslagen zal hebben allen, die daarin wonen; alzo zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben.
15 “Quando eu tornar o Egito em desolação e a terra for destituída de tudo o que a enchia, e quando eu destruir todos os que nela habitam, então saberão que eu sou o
16 Dat is het klaaglied, en dat zullen zij klagelijk zingen; de dochteren der heidenen zullen het klagelijk zingen; zij zullen het klagelijk zingen over Egypte en over haar ganse menigte, spreekt de Heere HEERE.
16 — Esta é a lamentação que se fará, que farão as filhas das nações; sobre o Egito e todo o seu povo se lamentará, diz o Senhor Deus.
17 Voorts gebeurde het in het twaalfde jaar, op den vijftienden der maand, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:
17 No décimo segundo ano, aos quinze dias do primeiro mês, a palavra do Senhor veio a mim, dizendo:
18 Mensenkind! weeklaag over de menigte van Egypte, en doe ze nederdalen, (haar en de dochteren der prachtige heidenen) in de onderste plaatsen der aarde, bij degenen, die in den kuil zijn nedergedaald.
18 — Filho do homem, pranteie sobre a multidão do Egito e faça-a descer, ela e as filhas das nações poderosas, às profundezas da terra, juntamente com os que descem à cova.
19 Boven wien zijt gij liefelijk! Daal neder, en leg u bij de onbesnedenen.
19 Diga o seguinte: “Você pensa que supera os outros em beleza? Pois agora desça e deite-se com os incircuncisos.”
20 In het midden der verslagenen van het zwaard zullen zij vallen; zij is aan het zwaard overgegeven; trek haar henen met al haar menigte.
20 — No meio daqueles que foram mortos à espada, eles cairão. Ele foi entregue à espada; arrastem o Egito e toda a sua multidão.
21 De machtigste der helden zullen hem, met zijn helpers, toespreken, uit het midden der hel; zij zijn nedergedaald, de onbesnedenen liggen er, verslagen van het zwaard;
21 Do mundo dos mortos, os mais poderosos dos valentes, juntamente com os que o socorrem, lhe dirão: “Eles desceram, lá jazem eles, os incircuncisos, mortos à espada.”
22 Daar is Assur met haar gansen hoop, zijn graven zijn rondom hem; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard;
22 — Ali está a Assíria com todo o seu exército. Ao redor dela, todos os seus túmulos. Todos eles foram mortos; caíram à espada.
23 Welker graven gesteld zijn in de zijden des kuils, en haar hoop is rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard, die een schrik gaven in het land der levenden.
23 Os seus túmulos foram postos nas extremidades da cova, e todo o exército da Assíria se encontra ao redor do seu túmulo. Foram mortos, caíram à espada todos esses que tinham causado espanto na terra dos viventes.
24 Daar is Elam met haar ganse menigte rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, de gevallenen door het zwaard, die onbesneden zijn nedergedaald tot de onderste plaatsen der aarde, die hun schrik hadden gegeven in het land der levenden; nu dragen zij hun schande met degenen, die in den kuil zijn nedergedaald.
24 — Ali está Elão com todo o seu exército, ao redor do seu túmulo. Todos foram mortos; caíram à espada. Desceram incircuncisos às profundezas da terra esses que causaram terror na terra dos viventes. Levaram a sua vergonha com os que desceram à cova.
25 In het midden der verslagenen hebben zij haar een legerstede gesteld onder haar ganse menigte, rondom hem zijn haar graven; zij zijn allen onbesneden, verslagenen van het zwaard, omdat een schrik van hen gegeven is in het land der levenden; nu dragen zij hun schande met degenen, die in den kuil zijn nedergedaald; hij is geleid in het midden der verslagenen.
25 No meio dos mortos, lhe puseram um leito entre todo o seu exército. Ao redor dele estão os seus túmulos. Todos esses incircuncisos foram mortos à espada, porque causaram terror na terra dos viventes e levaram a sua vergonha com os que desceram à cova. Foram postos no meio dos que foram mortos.
26 Daar is Mesech, en Tubal, met haar ganse menigte; rondom hem zijn haar graven; zij zijn allen onbesneden, verslagenen van het zwaard, omdat zij hun schrik gegeven hebben in het land der levenden.
26 — Ali estão Meseque e Tubal com todo o seu exército. Ao redor deles estão os seus túmulos. Todos eles são incircuncisos e foram mortos à espada, porque causaram terror na terra dos viventes.
27 Maar zij liggen niet met de helden, die onder de onbesnedenen gevallen zijn; die ter helle zijn nedergedaald met hun krijgswapenen, en welker zwaarden men gelegd heeft onder hun hoofden; welker ongerechtigheid nochtans op hun beenderen is, omdat der helden schrik in het land der levenden geweest is.
27 E estão com os valentes dos tempos antigos que, dentre os incircuncisos, foram mortos e desceram ao mundo dos mortos com as suas próprias armas de guerra e com a espada debaixo da cabeça. A iniquidade deles está sobre os seus ossos, porque eram o terror dos heróis na terra dos viventes.
28 Gij ook zult verbroken worden in het midden der onbesnedenen, en zult liggen met de verslagenen van het zwaard.
28 — Também você, Egito, será quebrado no meio dos incircuncisos e jazerá com os que foram mortos à espada.
29 Daar is Edom, haar koningen en al haar vorsten, die met hunlieder macht gelegd zijn bij de verslagenen van het zwaard; diezelve liggen met de onbesnedenen en met degenen, die in den kuil zijn nedergedaald.
29 — Ali está Edom, os seus reis e todos os seus príncipes, que, apesar do seu poder, jazem com os que foram mortos à espada; estes jazem com os incircuncisos e com os que desceram à cova.
30 Daar zijn de geweldigen van het Noorden, zij allen, en alle Sidoniers, die met de verslagenen zijn nedergedaald, beschaamd zijnde vanwege hun schrik, die uit hun macht voortkwam, en zij liggen onbesneden bij de verslagenen van het zwaard, en dragen hun schande met degenen, die in den kuil zijn nedergedaald.
30 — Ali estão os príncipes do Norte, todos eles, e todos os sidônios, que desceram com os que foram mortos, envergonhados com o terror causado pelo seu poder. Eles jazem incircuncisos com os que foram mortos à espada e levam a sua vergonha com os que desceram à cova.
31 Farao zal henlieden zien, en zich troosten over zijn ganse menigte; de verslagenen van het zwaard van Farao en zijn ganse heir, spreekt de Heere HEERE.
31 — Faraó os verá e se consolará sobre toda a sua multidão. Sim, o próprio Faraó e todo o seu exército foram mortos à espada, diz o Senhor Deus.
32 Want Ik heb ook Mijn schrik gegeven in het land der levenden; dies zal hij gelegd worden in het midden der onbesnedenen bij de verslagenen van het zwaard, Farao en zijn ganse menigte, spreekt de Heere HEERE.
32 Porque também eu pus o meu espanto na terra dos viventes. Por isso, ele jazerá no meio dos incircuncisos, com os que foram mortos à espada, Faraó e todo o seu povo, diz o Senhor Deus.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Ezequiel 32, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.