Ezequiel 22

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1 O Senhor me disse o seguinte:
2 Gij nu, mensenkind, zoudt gij der bloedstad recht geven? Zoudt gij ze recht geven? Ja, maak haar bekend al haar gruwelen.
2 — Homem mortal , você está pronto para julgar a cidade que está cheia de assassinos? Mostre a ela todas as coisas vergonhosas que tem feito.
3 En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: O stad, die in haar midden bloed vergiet, opdat haar tijd kome, en drekgoden tegen zichzelve maakt, om zich te verontreinigen!
3 Conte a ela aquilo que eu, o Senhor Deus, estou dizendo: “Você, cidade assassina, matou muitas pessoas do seu próprio povo e se tornou impura fazendo ídolos e os adorando, e por isso o tempo do seu castigo está cada vez mais perto.
4 Door uw bloed, dat gij vergoten hebt, zijt gij schuldig geworden, en met uw drekgoden, die gij gemaakt hebt, hebt gij u verontreinigd, en hebt uw dagen doen naderen, en zijt tot uw jaren gekomen; daarom heb Ik u den heidenen overgegeven tot een smaad, en allen landen tot een spot.
4 Você é culpada dessas mortes e se tornou impura por causa dos ídolos que fabricou, e por isso o seu dia está chegando, o seu tempo acabou. Foi por isso que deixei as outras nações caçoarem e zombarem de você.
5 Die nabij en verre van u zijn, zullen u bespotten, gij onreine van naam en vol van onrust!
5 Países de perto e de longe caçoam de você por ter fama de cidade de desordeiros.
6 Ziet, de vorsten Israels zijn in u geweest, een ieder naar zijn kracht, om bloed te vergieten.
6 Todas as autoridades de Israel confiam na sua própria força e cometem assassinatos.
7 Vader en moeder hebben zij in u licht geacht; met den vreemdeling hebben zij in het midden van u door verdrukking gehandeld; zij hebben in u den wees en de weduwe verdrukt.
7 Na cidade, ninguém honra o pai nem a mãe. Vocês maltratam os estrangeiros que moram no meio de vocês e exploram viúvas e órfãos.
8 Mijn heilige dingen hebt gij veracht, en Mijn sabbatten hebt gij ontheiligd.
8 Vocês não respeitam os lugares sagrados, nem guardam o sábado.
9 Achterklappers zijn in u geweest om bloed te vergieten, en in u hebben zij op de bergen gegeten, zij hebben schandelijkheid in het midden van u gedaan.
9 Uns dizem mentiras a respeito dos outros, que por causa disso são mortos. Alguns comem sacrifícios oferecidos aos ídolos. Outros estão sempre satisfazendo as suas paixões.
10 Men heeft de schaamte des vaders in u ontdekt; die onrein was door afzondering, hebben zij in u verkracht.
10 Outros têm relações sexuais com a mulher do seu próprio pai. Outros ainda obrigam mulheres que estão menstruadas a terem relações com eles.
11 Daartoe heeft de een gruwel gedaan met zijns naasten huisvrouw, en een ander heeft zijns zoons vrouw met schandelijkheid verontreinigd; nog een ander heeft in u zijn zuster, zijns vaders dochter; verkracht.
11 Cometem adultério e seduzem as suas noras ou as suas meias-irmãs.
12 Zij hebben geschenken in u genomen, om bloed te vergieten; woeker en overwinst hebt gij genomen, en gij hebt gierigheid gepleegd aan uw naaste door verdrukking; maar gij hebt Mijner vergeten, spreekt de Heere HEERE.
12 Alguns dos seus moradores matam por dinheiro. Outros emprestam dinheiro a juros e ficam ricos explorando os seus próprios irmãos israelitas. Eles esqueceram de mim. Sou eu, o Senhor Deus, quem está falando.
13 Ziet dan, Ik heb Mijn hand geslagen, om uw gierigheid, die gij bedreven hebt, en om uw bloed, die in het midden van u geweest zijn.
13 — “Vou acabar com as suas roubalheiras e com os seus crimes de morte.
14 Zal uw hart bestaan? zullen uw handen sterk zijn, in de dagen, als Ik met u handelen zal? Ik, de HEERE, heb het gesproken, en zal het doen.
14 Vocês pensam que ainda terão alguma coragem ou força bastante para levantar a mão quando eu acabar de agir contra vocês? Eu, o Senhor , estou falando e mantenho a minha palavra.
15 En Ik zal u verstrooien onder de heidenen, en u verspreiden in de landen, en uw ontreinigheid uit u verteren.
15 Espalharei o seu povo por todos os países e nações e porei um fim em todas as suas más ações.
16 Zo zult gij in u ontheiligd zijn voor de ogen der heidenen; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.
16 Assim as outras nações olharão com nojo para vocês, e vocês saberão que eu sou o Senhor .”
17 Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
17 O Senhor me disse o seguinte:
18 Mensenkind, die van het huis Israels zijn Mij tot schuim geworden; zij zijn allen koper, of tin, of ijzer, of lood, in het midden des ovens; zilverschuim zijn zij geworden.
18 — Homem mortal , os israelitas não têm valor para mim. Eles são como a mistura de cobre, estanho, ferro e chumbo que sobra depois que a prata é refinada na fornalha.
19 Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Omdat gijlieden allen tot schuim geworden zijt, daarom ziet, Ik zal u in het midden van Jeruzalem vergaderen.
19 Agora, eu, o Senhor Deus, estou lhes dizendo que eles são tão inúteis como essa mistura. Reunirei todos em Jerusalém,
20 Gelijk zilver, of koper, of ijzer, of lood, of tin in het midden eens ovens vergaderd wordt, om het vuur daarover op te blazen, opdat men het smelte; alzo zal Ik ulieden vergaderen in Mijn toorn, en in Mijn grimmigheid daar laten, en smelten.
20 como se fossem minério de prata, cobre, ferro, chumbo e estanho jogados numa fornalha de refinação. A minha ira e o meu furor os derreterão assim como o fogo derrete o minério.
21 Ja, Ik zal u bijeenbrengen, en zal op u blazen in het vuur Mijner verbolgenheid, dat gij in het midden van haar zult gesmolten worden.
21 Sim! Eu os ajuntarei em Jerusalém, porei fogo debaixo deles e os derreterei com a minha ira.
22 Gelijk het zilver in het midden des ovens gesmolten wordt, alzo zult gijlieden in het midden van haar gesmolten worden; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, Mijn grimmigheid over u uitgegoten heb.
22 Eles se derreterão em Jerusalém assim como a prata é derretida na fornalha e aí ficarão sabendo que eu, o Senhor , derramei sobre eles a minha ira.
23 Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
23 O Senhor falou comigo de novo. Ele disse:
24 Mensenkind, zeg tot haar; Gij zijt een land, dat niet gereinigd is, dat zijn plasregen niet heeft gehad ten dage der gramschap.
24 — Homem mortal , diga aos israelitas que a terra deles é impura e que eu os estou castigando por causa da minha ira .
25 De verbintenis harer profeten is in het midden van haar als een brullende leeuw, die een roof rooft; zij eten de zielen op, den schat en het kostelijke nemen zij weg; haar weduwen vermenigvuldigen zij in het midden van haar.
25 As suas autoridades são como leões rugindo em cima dos animais que mataram. Matam as pessoas, tiram as suas propriedades e as suas riquezas e, por causa dos seus crimes de morte, deixam viúvas muitas mulheres.
26 Haar priesters doen Mijn wet geweld aan, en zij ontheiligen Mijn heilige dingen; tussen het heilige en het onheilige maken zij geen onderscheid, en het verschil tussen het onreine en reine geven zij niet te kennen; daartoe verbergen zij hun ogen van Mijn sabbatten; ja, Ik word in het midden van hen ontheiligd.
26 Os sacerdotes desobedecem à minha Lei e não têm respeito por aquilo que é santo. Não fazem diferença entre o que é santo e o que não é. Não ensinam a diferença entre as coisas puras e as impuras e não respeitam o sábado. Como resultado disso, o povo de Israel não me respeita.
27 Haar vorsten zijn in het midden van haar als wolven, die een roof roven, om bloed te vergieten, en om zielen te verderven; opdat zij gierigheid zouden plegen.
27 As autoridades são como lobos que despedaçam os animais que mataram. Matam para enriquecer.
28 Haar profeten nu pleisteren hen met loze kalk; ziende ijdelheid en hun leugen voorzeggende, zeggende: Alzo zegt de Heere HEERE! en de HEERE heeft niet gesproken.
28 Os profetas escondem esses pecados como quem pinta de branco uma parede. Eles têm visões falsas e fazem falsas profecias . Afirmam que falam a palavra do Senhor Deus, mas eu, o Senhor , não falei com eles.
29 Het volk des lands pleegt enkel verdrukking, en bedrijft enkel roverij, ook onderdrukken zij den ellendige en nooddruftige, en den vreemdeling verdrukken zij zonder recht.
29 Os ricos enganam e roubam. Eles maltratam os pobres e exploram estrangeiros.
30 Ik zocht nu een man uit hen, die den muur mocht toemuren, en voor Mijn aangezicht in de bresse staan voor het land, opdat Ik het niet mocht verderven; maar Ik vond niemand.
30 — Procurei alguém que construísse uma muralha, alguém que ficasse nos lugares onde as muralhas desmoronaram e que defendesse a terra a fim de que a minha ira não a destruísse; porém não encontrei ninguém.
31 Daarom heb Ik Mijn gramschap over hen uitgegoten; door het vuur Mijner verbolgenheid heb Ik hen verteerd; hun weg heb Ik op hun hoofd gegeven, spreekt de Heere HEERE.
31 Por isso, farei cair o fogo da minha ira sobre eles e os destruirei como castigo pelo que eles têm feito. Eu, o Senhor Deus, falei.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Ezequiel 22, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.