Ezequiel 21

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1 O Senhor me disse o seguinte:
2 Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en drup tegen de heiligdommen, en profeteer tegen het land van Israel;
2 — Homem mortal , fale contra Jerusalém. Fale contra os lugares onde o povo adora. Avise a terra de Israel
3 En zeg tot het land van Israel: Alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik wil aan u, en Ik zal Mijn zwaard uit zijn schede trekken; en Ik zal van u uitroeien den rechtvaardige en den goddeloze.
3 que eu, o Senhor , estou dizendo isto: “Eu estou contra vocês. Vou tirar a minha espada e matar todos, tanto os bons como os maus.
4 Omdat Ik dan van u uitroeien zal den rechtvaardige en den goddeloze, daarom zal Mijn zwaard uit zijn schede uitgaan tegen alle vlees, van het zuiden tot het noorden.
4 Usarei a minha espada contra todos, do Sul ao Norte.
5 En alle vlees zal weten, dat Ik, de HEERE, Mijn zwaard uit zijn schede getrokken heb; het zal niet meer wederkeren.
5 Todos ficarão sabendo que eu, o Senhor , tirei a minha espada da bainha e que não vou guardá-la.”
6 Maar gij, mensenkind, zucht; zucht voor hun ogen met verbreking der lenden en met bitterheid.
6 — Homem mortal, fique gemendo como se o seu coração estivesse arrebentando de desespero. Vá para um lugar onde todos possam ver você e solte gemidos de tristeza.
7 En het zal geschieden, als zij tot u zeggen zullen: Waarom zucht gij, dat gij zeggen zult: Om het gerucht, want het komt! en alle hart zal versmelten, en alle handen zullen verslappen, en alle geest zal inkrimpen, en alle knieen als water henenvlieten; ziet, het komt, en het zal geschieden, spreekt de Heere HEERE.
7 Quando perguntarem por que você está gemendo, responda que é por causa daquilo que vai acontecer. Diga que eles perderão a coragem. Os corações deles ficarão cheios de medo, os braços ficarão moles e os joelhos tremerão. O tempo chegou; já está aqui. Eu, o Senhor Deus, estou falando.
8 Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
8 O Senhor me disse o seguinte:
9 Mensenkind, profeteer en zeg: Alzo zegt de HEERE: Zeg: Het zwaard, het zwaard is gescherpt, en ook geveegd.
9 — Homem mortal, profetize . Diga ao povo que eu, o Senhor, estou dizendo isto: “A espada, a espada está afiada e brilhando.
10 Het is gescherpt, opdat het een slachting slachte; het is geveegd, opdat het een glinster hebbe; of wij dan zullen vrolijk zijn? het is de roede Mijns Zoons, die alle hout versmaadt.
10 Ela está afiada para matar e polida para brilhar como relâmpago. Não pode haver alegria, pois o meu povo rejeitou todos os conselhos e castigos.
11 En Hij heeft hetzelve te vegen gegeven, opdat men het met de hand handelen zou; dat zwaard is gescherpt, en dat is geveegd, om hetzelve in de hand des doodslagers te geven.
11 A espada está sendo polida, está pronta para ser usada. Está afiada e polida para ser posta nas mãos de um matador.
12 Schreeuw en huil, o mensenkind, want hetzelve zal zijn tegen Mijn volk, het zal zijn tegen al de vorsten van Israel; verschrikkingen zullen vanwege het zwaard bij Mijn volk zijn; daarom klop op de heup.
12 Grite e solte gemidos, homem mortal; essa espada é para atacar o meu povo e todos os líderes de Israel. Eles serão mortos com todo o resto do meu povo. Bata no peito em sinal de desespero.
13 Als er beproeving was, wat was het toen? Zou er dan ook geen versmadende roede zijn, spreekt de Heere HEERE.
13 Estou pondo o meu povo à prova; se não quiserem se arrepender, todas essas coisas acontecerão a eles. Sou eu, o
14 Daarom gij, mensenkind, profeteer, en sla hand tegen hand; want het zwaard zal verdubbeld worden ten derden male, het is het zwaard dergenen, die verslagen zullen worden; het is het zwaard der groten, die verslagen zullen worden, dat tot hen in de binnenste kameren indringen zal.
14 — Agora, homem mortal, profetize. Bata palmas, e a espada ferirá muitas vezes. É uma espada que mata, uma espada que produz terror e matança.
15 Ik heb de punt des zwaards gezet tegen al hun poorten, opdat het hart versmelte, en de aanstoten vermenigvuldigen; ach, het is toegemaakt, opdat het glinstere, het is ingewonden om te slachten.
15 Ela faz o meu povo perder a coragem e tropeçar. Estou ameaçando a cidade deles com a espada que brilha como o relâmpago e que está pronta para matar.
16 Houd u bijeen, o zwaard! keer u rechtsom, schik u, keer u linksom, waarhenen uw aangezicht gesteld is.
16 Espada afiada, corte à direita e à esquerda! Corte em todos os lados para onde você virar.
17 En Ik Zelf zal ook Mijn hand tegen Mijn hand slaan, en Mijn grimmigheid doen rusten; Ik, de HEERE, heb het gesproken.
17 Eu também baterei palmas, e a minha ira passará. Eu, o Senhor , falei.
18 Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
18 O Senhor me disse o seguinte:
19 Gij nu, mensenkind, stel u twee wegen voor, waardoor het zwaard des konings van Babel komt; uit een land zullen zij beide voortkomen; en kies een zijde, kies ze aan het hoofd van den weg der stad.
19 — Homem mortal , marque duas estradas por onde o rei da Babilônia poderá vir com a sua espada. As duas devem começar no mesmo país. Ponha placas indicando onde as estradas se dividem em duas.
20 Gij zult een weg voorstellen, waardoor het zwaard inkomen zal tegen Rabba der kinderen Ammons, of tegen Juda, tot de vaste stad Jeruzalem.
20 Uma placa mostrará ao rei o caminho para a cidade amonita de Rabá, e a outra, para Jerusalém, a cidade cercada de muralhas, que fica em Judá.
21 Want de koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzegging te gebruiken; hij zal zijn pijlen slijpen; hij zal de terafim vragen, hij zal de lever bezien.
21 O rei da Babilônia para na encruzilhada da estrada. E, a fim de saber que caminho tomar, ele sacode as flechas , faz perguntas aos seus deuses e examina o fígado de um animal que foi oferecido em sacrifício .
22 De waarzegging zal aan zijn rechterhand zijn op Jeruzalem, om hoofdmannen te stellen, om den mond te openen in het doodslaan, om de stem op te heffen met gejuich, om stormrammen te stellen tegen de poorten, om sterkten op te werpen, om bolwerken te bouwen.
22 Agora, a sua mão direita está segurando a flecha marcada com a palavra “Jerusalém”. É para o rei da Babilônia ir, soltar gritos de guerra, preparar máquinas de derrubar muralhas, colocá-las na frente dos portões e levantar rampas e torres de ataque.
23 Dit zal hun in hun ogen als een ijdel waarzeggen zijn, omdat zij met eden beedigd zijn onder hen; maar hij zal der ongerechtigheid gedenken, opdat zij gegrepen worden.
23 O povo de Jerusalém não quer acreditar nisso por causa dos acordos que eles fizeram. Mas esta profecia é para fazer com que lembrem dos seus pecados, é um sinal de que serão presos.
24 Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gijlieden uwer ongerechtigheid doet gedenken, doordien uw overtredingen ontdekt worden, zodat uw zonden gezien worden in al uw handelingen; omdat uwer gedacht wordt, zult gij met de hand gegrepen worden.
24 Isso é o que eu, o Senhor Deus, estou dizendo. Todos podem ver os seus pecados. Todo o mundo sabe o quanto vocês são culpados. Em cada ação que praticam, vocês mostram os seus pecados. Vocês estão condenados, e eu os entregarei aos seus inimigos.
25 En gij, o onheilig, goddeloos vorst van Israel, wiens dag komen zal, ten tijde der uiterste ongerechtigheid;
25 — Você, governador de Israel , é perverso e não teme a Deus , e por isso o seu dia, o dia do seu castigo final, também está chegando.
26 Alzo zegt de Heere HEERE: Doe dien hoed weg, en hef dien kroon af, deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen dien, die nederig is, en vernederen dien, die hoog is.
26 A sua coroa e o seu turbante serão tirados. As coisas não vão continuar como estão. Os pobres terão poder, e os que estão no poder serão rebaixados.
27 Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn, totdat hij kome, die daartoe recht heeft, en dien Ik dat geven zal.
27 Destruição! Destruição! Sim! Destruirei a cidade. Mas isso não acontecerá até que venha aquele a quem vou entregar a cidade. Eu, o Senhor Deus, falei.
28 En gij, mensenkind, profeteer en zeg: Alzo zegt de Heere HEERE, van de kinderen Ammons, en van hun smading; zo zeg: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd om te verdoen, om te glinsteren;
28 — Homem mortal , profetize . Anuncie aquilo que eu, o Senhor Deus, estou dizendo aos amonitas, que estão insultando o povo de Israel. Diga isto: “A espada está pronta para destruir; está polida para matar e para brilhar como o relâmpago.”
29 Terwijl zij u ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op de halzen te stellen dergenen, die van de goddelozen verslagen zijn, welker dag gekomen was ten tijde der uiterste ongerechtigheid.
29 — Amonitas, as suas visões são falsas, e as profecias que fazem são mentiras. Vocês são maus e perversos. O seu dia está chegando, o dia do seu castigo final. A espada cairá sobre o pescoço de vocês.
30 Keer uw zwaard weder in zijn schede! In de plaats, waar gij geschapen zijt, in het land uwer woningen zal Ik u richten.
30 — Amonitas, ponham a sua espada na bainha. Eu os julgarei no lugar onde foram criados, na terra onde nasceram.
31 En Ik zal over u Mijn gramschap uitgieten, Ik zal tegen u door het vuur Mijner verbolgenheid blazen; en Ik zal u overgeven in de hand van brandende mensen, smeders des verderfs.
31 Quando a minha ira cair sobre vocês, ela os queimará como labaredas de fogo. Eu os entregarei a homens violentos, preparados para destruir.
32 Het vuur zult gij tot spijze zijn, uw bloed zal zijn in het midden des lands; uwer zal niet gedacht worden; want Ik, de HEERE, heb het gesproken.
32 Vocês serão destruídos pelo fogo. O seu sangue será derramado no seu próprio país, e ninguém nunca mais lembrará de vocês. Eu, o Senhor , falei.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Ezequiel 21, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.