Êxodo 5

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 En daarna gingen Mozes en Aaron heen, en zeiden tot Farao: Alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn!
1 Depois Moisés e Arão foram falar com o rei do Egito e disseram: — O
2 Maar Farao zeide: Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israel te laten trekken? Ik ken den HEERE niet, en ik zal ook Israel niet laten trekken.
2 — Quem é o Senhor ? — perguntou o rei. — Por que devo ouvi-lo e deixar que o povo de Israel vá ao deserto? Eu não conheço o Senhor e não vou deixar que os israelitas saiam daqui.
3 Zij dan zeiden: De God der Hebreen is ons ontmoet; zo laat ons toch heentrekken, den weg van drie dagen in de woestijn, en den HEERE, onzen God, offeren, dat Hij ons niet overkome met pestilentie, of met het zwaard.
3 Moisés e Arão responderam: — O Deus dos hebreus veio falar conosco. Por isso deixe-nos viajar três dias pelo deserto a fim de oferecermos
4 Toen zeide de koning van Egypte tot hen: Gij, Mozes en Aaron! waarom trekt gij het volk af van hun werken? Gaat heen tot uw lasten.
4 Aí o rei do Egito disse a Moisés e a Arão: — Por que vocês estão atrapalhando o trabalho do povo? Façam com que aqueles escravos voltem ao trabalho!
5 Verder zeide Farao: Ziet, het volk des lands is alreeds te veel; en zoudt gijlieden hen doen rusten van hun lasten?
5 Ele disse também: — Agora que há tantos israelitas no país, vocês querem que eles deixem de trabalhar?
6 Daarom beval Farao, ten zelfden dage, aan de aandrijvers onder het volk, en deszelfs ambtlieden, zeggende:
6 Naquele mesmo dia o rei deu aos feitores e aos chefes de turmas a seguinte ordem:
7 Gij zult voortaan aan deze lieden geen stro meer geven, tot het maken der tichelstenen, als gisteren en eergisteren; laat hen zelven heengaan, en stro voor zichzelven verzamelen.
7 — Daqui em diante vocês não vão mais dar palha ao povo, para fazer tijolos. Que eles mesmos ajuntem a palha.
8 En het getal der tichelstenen, die zij gisteren en eergisteren gemaakt hebben, zult gij hun opleggen; gij zult daarvan niet verminderen; want zij gaan ledig; daarom roepen zij, zeggende: Laat ons gaan, laat ons onzen God offeren!
8 Mas vocês exijam que eles façam a mesma quantidade de tijolos, nem um tijolo a menos. São uns preguiçosos e é por isso que gritam: “Vamos oferecer sacrifícios ao nosso Deus!”
9 Men verzware den dienst over deze mannen, dat zij daaraan te doen hebben, en zich niet vergapen aan leugenachtige woorden.
9 Façam essa gente trabalhar mais duro ainda e os mantenham ocupados, a fim de que não tenham tempo de ouvir mentiras.
10 Toen gingen de aandrijvers des volks uit, en deszelfs ambtlieden, en spraken tot het volk, zeggende: Zo zegt Farao: Ik zal ulieden geen stro geven.
10 Então os feitores e os chefes de turmas saíram e foram dizer ao povo o seguinte: — O rei disse que não vai mais fornecer palha a vocês.
11 Gaat gij zelve heen, haalt u stro, waar gij het vindt; doch van uw dienst zal niet verminderd worden.
11 Ele manda que vocês vão ajuntar palha onde puderem achar. Mas terão de continuar fazendo a mesma quantidade de tijolos.
12 Toen verstrooide zich het volk in het ganse land van Egypte, dat het stoppelen verzamelde, voor stro.
12 Por isso o povo se espalhou por toda a terra do Egito, ajuntando a palha que sobrava das colheitas.
13 En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voleindigt uw werken, elk dagwerk op zijn dag, gelijk toen er stro was.
13 Os feitores forçavam os israelitas a fazer todos os dias a mesma quantidade de tijolos que costumavam fazer quando recebiam palha.
14 En de ambtlieden der kinderen Israels, die Farao's aandrijvers over hen gesteld hadden, werden geslagen, en men zeide: Waarom hebt gijlieden uw gezette werk niet voleindigd, in het maken der tichelstenen, gelijk te voren, alzo ook gisteren en heden?
14 Os feitores batiam nos israelitas chefes de turmas que haviam sido encarregados do trabalho e perguntavam: — Por que vocês não estão fazendo a mesma quantidade de tijolos que faziam antes?
15 Derhalve gingen de ambtlieden der kinderen Israels, en schreeuwden tot Farao, zeggende: Waarom doet gij uw knechten alzo?
15 Então os israelitas chefes de turmas foram se queixar ao rei. Eles disseram: — Por que é que o senhor nos trata assim, nós que somos seus empregados?
16 Aan uw knechten wordt geen stro gegeven, en zij zeggen tot ons: Maakt de tichelstenen; en ziet, uw knechten worden geslagen, doch de schuld is uws volks!
16 Agora não nos dão mais palha, mas exigem que continuemos fazendo tijolos! Além disso batem em nós; no entanto, os seus feitores é que são os culpados.
17 Hij dan zeide: Gijlieden gaat ledig, ledig gaat gij; daarom zegt gij: Laat ons gaan, laat ons den HEERE offeren!
17 Mas o rei respondeu: — Vocês são uns preguiçosos e não querem trabalhar. É por isso que estão me pedindo que os deixe ir oferecer sacrifícios a Deus, o
18 Zo gaat nu heen, arbeidt; doch stro zal u niet gegeven worden; evenwel zult gij het getal der tichelstenen leveren.
18 Voltem ao trabalho. Vocês não receberão palha, mas terão de fazer a mesma quantidade de tijolos.
19 Toen zagen de ambtlieden der kinderen Israels, dat het kwalijk met hen stond, dewijl men zeide: Gij zult niet minderen van uw tichelstenen, van het dagwerk op zijn dag.
19 Os israelitas chefes de turmas viram que estavam numa situação difícil, quando lhes foi dito que fizessem todos os dias a mesma quantidade de tijolos que faziam antes.
20 En zij ontmoetten Mozes en Aaron, die tegen hen over stonden, toen zij van Farao uitgingen.
20 Depois de falarem com o rei, eles se encontraram com Moisés e Arão, que os estavam esperando,
21 En zeiden tot hen: De HEERE zie op u, en richte het, dewijl dat gij onzen reuk hebt stinkende gemaakt voor Farao, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden.
21 e lhes disseram: — O
22 Toen keerde Mozes weder tot den HEERE, en zeide: Heere! waarom hebt Gij dit volk kwaad gedaan, waarom hebt Gij mij nu gezonden?
22 Moisés falou outra vez com Deus, o Senhor . Ele disse: — Ó Senhor, por que tratas tão mal este povo? Por que me mandaste para cá?
23 Want van toen af, dat ik tot Farao ben ingegaan, om in Uw Naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan; en Gij hebt Uw volk geenszins verlost. [ (Exodus 5:24) Toen zeide de HEERE tot Mozes: Nu zult gij zien, wat Ik aan Farao doen zal; want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, ja, door een machtige hand zal hij hen uit zijn land drijven. ]
23 Pois, desde que vim falar em teu nome com o rei do Egito, ele tem maltratado este povo. E tu não fizeste nada para ajudá-los.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Êxodo 5, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.