Ester 6

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 In denzelfden nacht was de slaap van den koning geweken, en hij zeide, dat men het boek der gedachtenissen, de kronieken, brengen zou; en zij werden in de tegenwoordigheid des konings gelezen.
1 Naquela noite, o rei não pôde dormir. Então mandou buscar o Livro dos Feitos Memoráveis, que foi lido diante do rei.
2 En men vond geschreven, dat Mordechai had te kennen gegeven van Bigthana en Theres, twee kamerlingen des konings, uit de dorpelwachters, die de hand zochten te leggen aan den koning Ahasveros.
2 Achou-se escrito que Mordecai é quem havia denunciado Bigtã e Teres, os dois eunucos do rei, guardas da porta, que tinham planejado matar o rei Assuero.
3 Toen zeide de koning: Wat eer en verhoging is Mordechai hierover gedaan? En de jongelingen des konings, zijn dienaars, zeiden: Aan hem is niets gedaan.
3 Então o rei perguntou: — Que honras e distinções foram conferidas a Mordecai por ter feito isso? Os servos do rei que o serviam responderam: — Ele não recebeu nenhuma recompensa!
4 Toen zeide de koning: Wie is in het voorhof? (Haman nu was gekomen in het buitenvoorhof van het huis des konings, om den koning te zeggen, dat men Mordechai zou hangen aan de galg, die hij hem had doen bereiden.)
4 O rei perguntou: — Quem está no pátio? Ora, Hamã tinha entrado no pátio exterior do palácio real, para pedir ao rei que Mordecai fosse pendurado na forca que ele, Hamã, lhe havia preparado.
5 En des konings jongelingen zeiden tot hem: Zie, Haman staat in het voorhof. Toen zeide de koning: Dat hij inkome.
5 Os servos do rei lhe disseram: — Hamã está no pátio. Então o rei mandou que ele entrasse.
6 Als Haman ingekomen was, zo zeide de koning tot hem: Wat zal men met dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft? Toen zeide Haman in zijn hart: Tot wien heeft de koning een welbehagen, om hem eer te doen, meer dan tot mij?
6 Hamã entrou. E o rei lhe perguntou: — O que você acha que deveria ser feito ao homem a quem o rei deseja honrar? Então Hamã pensou assim: “A quem mais o rei poderia querer honrar a não ser a mim?”
7 Daarom zeide Haman tot den koning: Den man, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft,
7 Por isso ele respondeu ao rei: — Quanto ao homem a quem o rei gostaria de honrar,
8 Zal men het koninklijke kleed brengen, dat de koning pleegt aan te trekken, en het paard, waarop de koning pleegt te rijden; en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde.
8 que sejam trazidos os trajes reais, que o rei costuma usar, e o cavalo em que o rei costuma andar montado e sobre cuja cabeça tenha sido colocada uma coroa real.
9 En men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van een uit de vorsten des konings, van de grootste heren, en men zal het dien man aantrekken, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft; en men zal hem op dat paard doen rijden door de straten der stad, en men zal voor hem roepen: Alzo zal men dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft!
9 Que os trajes e o cavalo sejam entregues a um dos mais nobres oficiais do rei, para que se encarregue de vestir aquele a quem o rei deseja honrar. Depois, que o leve a cavalo pela praça da cidade, proclamando em voz alta: “É isto que se faz ao homem a quem o rei deseja honrar.”
10 Toen zeide de koning tot Haman: Haast u, neem dat kleed, en dat paard, gelijk als gij gesproken hebt, en doe alzo aan Mordechai, den Jood, dien aan de poort des konings zit; en laat niet een woord vallen van alles, wat gij gesproken hebt.
10 Então o rei disse a Hamã: — Vá depressa, pegue os trajes e o cavalo, e faça com o judeu Mordecai tudo o que você falou. Ele está sentado junto à porta do rei. E não omita coisa nenhuma de tudo o que você falou.
11 En Haman nam dat kleed en dat paard, en trok het kleed Mordechai aan, en deed hem rijden door de straten der stad, en hij riep voor hem: Alzo zal men dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft!
11 Hamã pegou os trajes e o cavalo, vestiu Mordecai, e o levou a cavalo pela praça da cidade, proclamando em voz alta: “É isto que se faz ao homem a quem o rei deseja honrar.”
12 Daarna keerde Mordechai wederom tot de poort des konings; maar Haman werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en met bedekten hoofde.
12 Depois disto, Mordecai voltou para a porta do rei, enquanto Hamã foi correndo para casa, angustiado e de cabeça coberta.
13 En Haman vertelde aan zijn huisvrouw Zeres en al zijn vrienden al wat hem wedervaren was. Toen zeiden hem zijn wijzen, en Zeres, zijn huisvrouw: Indien Mordechai, voor wiens aangezicht gij hebt begonnen te vallen, van het zaad der Joden is, zo zult gij tegen hem niet vermogen; maar gij zult gewisselijk voor zijn aangezicht vallen.
13 Hamã contou a Zeres, sua mulher, e a todos os seus amigos tudo o que tinha acontecido com ele. Então os seus amigos, que eram sábios, e Zeres, sua mulher, disseram: — Se Mordecai, diante do qual você já começou a cair, é da descendência dos judeus, você não conseguirá fazer nada contra ele. Você certamente será derrotado.
14 Toen zij nog met hem spraken, zo kwamen des konings kamerlingen nabij, en zij haastten Haman tot den maaltijd te brengen, dien Esther bereid had.
14 Enquanto estes ainda falavam com ele, os eunucos do rei chegaram e, sem demora, levaram Hamã ao banquete que Ester havia preparado.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Ester 6, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.