Deuteronômio 2
Dutch (DUTCH) vs NTLH
1 Daarna keerden wij ons, en reisden naar de woestijn, den weg van de Schelfzee, gelijk de HEERE tot mij gesproken had, en wij togen om het gebergte Seir, vele dagen.
1 Moisés disse ao povo: — Então continuamos a viagem pelo deserto na direção do golfo de Ácaba, conforme o
2 Toen sprak de HEERE tot mij, zeggende:
2 Então o Senhor me disse:
3 Gijlieden hebt dit gebergte genoeg omgetogen; keert u naar het noorden;
3 “Já faz muito tempo que vocês andam por aí sem rumo. Agora vão na direção do norte.”
4 En gebied het volk, zeggende: Gij zult doortrekken aan de landpale uwer broederen, de kinderen van Ezau, die in Seir wonen; zij zullen wel voor u vrezen; maar gij zult u zeer wachten.
4 E Deus ordenou que eu lhes dissesse: “Vocês vão passar pelo país de Edom, que é dos seus parentes , os descendentes de Esaú. Eles ficarão com medo de vocês, mas tomem cuidado
5 Mengt u niet met hen; want Ik zal u van hun land niet geven, ook niet tot de betreding van een voetzool; want Ik heb Ezau het gebergte Seir ter erfenis gegeven.
5 para não provocarem uma luta com eles. Eu não darei a vocês nem mesmo um pedacinho da terra deles, pois foi aos descendentes de Esaú que eu dei o território de Edom.
6 Spijze zult gij voor geld van hen kopen, dat gij etet; en ook zult gij water voor geld van hen kopen, dat gij drinket.
6 Vocês poderão comprar deles a comida e a água que precisarem.”
7 Want de HEERE, uw God, heeft u gezegend in al het werk uwer hand; Hij kent uw wandelen door deze zo grote woestijn; deze veertig jaren is de HEERE, uw God, met u geweest; geen ding heeft u ontbroken.
7 — Lembrem que o Senhor , nosso Deus, abençoou tudo o que vocês fizeram. Ele não esqueceu vocês durante os quarenta anos em que caminharam por esse enorme deserto. Ele sempre cuidou de vocês, dando-lhes tudo o que precisavam.
8 Als wij nu doorgetrokken waren van onze broederen, de kinderen van Ezau, die in Seir woonden, van den weg des vlakken velds, van Elath, en van Ezeon-Geber, zo keerden wij ons, en doortogen den weg der woestijn van Moab.
8 — Assim rodeamos o país de Edom, deixando o caminho que vai de Elate e Eziom-Geber até o mar Morto e seguindo o caminho que vai até o deserto de Moabe.
9 Toen sprak de HEERE tot mij: Beangstig Moab niet, en meng u niet met hen in den strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, dewijl Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb.
9 E o Senhor Deus me disse: “Não ataque os moabitas, que são descendentes de Ló, nem entre em luta com eles. Eu dei a eles a cidade de Ar e não darei a você nenhuma parte do país deles.”
10 De Emieten woonden te voren daarin, een groot, en menigvuldig, en lang volk, gelijk de Enakieten.
10 (Antigamente uma raça numerosa de gigantes fortes, chamados emins, vivia em Ar. Eles eram tão altos como os anaquins , outra raça de gigantes.
11 Dezen werden ook voor reuzen gehouden, als de Enakieten; en de Moabieten noemden hen Emieten.
11 Tanto os anaquins como os emins eram conhecidos como refains ; mas os moabitas os chamavam de emins.
12 Ook woonden de Horieten te voren in Seir; maar de kinderen van Ezau verdreven hen uit de bezitting en verdelgden hen van hun aangezicht, en hebben in hunlieder plaats gewoond; gelijk als Israel gedaan heeft aan het land zijner erfenis, hetwelk de HEERE hun gegeven heeft.
12 Naquele tempo os horeus viviam em Edom, mas os descendentes de Esaú os expulsaram dali, acabaram com eles e ficaram morando no seu território. Os descendentes de Esaú fizeram a mesma coisa que os israelitas fizeram mais tarde, quando estes tomaram posse da terra que o Senhor lhes tinha dado.)
13 Nu, maakt u op, en trekt over de beek Zered. Alzo trokken wij over de beek Zered.
13 — Depois atravessamos o riacho de Zerede, conforme Deus havia mandado.
14 De dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-Barnea, totdat wij over de beek Zered getogen zijn, waren acht en dertig jaren; totdat het ganse geslacht der krijgslieden uit het midden der heirlegers verteerd was, gelijk de HEERE hun gezworen had.
14 Isso foi trinta e oito anos depois de termos saído de Cades-Barneia. Durante esses anos aconteceu aquilo que o Senhor nos tinha dito: morreram todos os homens daquela geração que tinham idade para ir à guerra.
15 Zo was ook de hand des HEEREN tegen hen, om hen uit het midden des heirlegers te verslaan, totdat zij verteerd waren.
15 O Senhor ficou contra eles e os foi matando, até que não sobrou mais nenhum deles no acampamento dos israelitas.
16 En het geschiedde, als al de krijgslieden verteerd waren, uit het midden des heirlegers wegstervende,
16 — Depois da morte de todos aqueles homens,
17 Dat de HEERE tot mij sprak, zeggende:
17 o Senhor Deus me disse:
18 Gij zult heden doortrekken aan Ar, de landpale van Moab;
18 “Passe hoje pela cidade de Ar, na fronteira com Moabe.
19 En gij zult naderen tegenover de kinderen Ammons; beangstig die niet, en meng u met hen niet; want Ik zal u van het land der kinderen Ammons geen erfenis geven, dewijl Ik het aan Lots kinderen ter erfenis gegeven heb.
19 Quando chegar à terra dos amonitas, que são descendentes de Ló, não os ataque, nem entre em luta com eles. Eu entreguei a eles a terra de Amom e não darei a você nenhuma parte do país deles.”
20 Dit werd ook voor een land der reuzen gehouden; de reuzen woonden te voren daarin, en de Ammonieten noemden hen Zamzummieten;
20 (Essa região é conhecida também como a terra dos refains, uma raça de gigantes que antigamente moravam ali; os amonitas os chamavam de zanzumins.
21 Een groot, en menigvuldig, en lang volk, als de Enakieten; en de HEERE verdelgde hen voor hun aangezicht, zodat zij hen uit de bezitting verdreven, en aan hunlieder plaats woonden;
21 Havia muitos deles, e eram altos e fortes, como os anaquins. Deus destruiu os zanzumins, e os amonitas ocuparam a região e ficaram morando ali.
22 Gelijk als Hij aan de kinderen van Ezau, die in Seir wonen, gedaan heeft, voor welker aangezicht Hij de Horieten verdelgde; en zij verdreven hen uit de bezitting, en hebben aan hun plaats gewoond tot op dezen dag.
22 Deus havia feito a mesma coisa em favor dos edomitas, que são descendentes de Esaú: ele acabou com os horeus, e os edomitas ocuparam a terra deles e ali moram até hoje .
23 Ook hebben de Kafthorieten, die uit Kafthor uittogen, de Avieten, die in Hazerim tot Gaza toe woonden, verdelgd, en aan hun plaats gewoond.
23 Os cretenses fizeram a mesma coisa: eles saíram da ilha de Creta, invadiram a terra dos avins, no litoral do mar Mediterrâneo, e foram na direção do sul até a cidade de Gaza. Os cretenses acabaram com os avins e ficaram morando nas cidades deles.)
24 Maakt u op, reist heen, en gaat over de beek Arnon; ziet, Ik heb Sihon, den koning van Hesbon, den Amoriet, en zijn land, in uw hand gegeven; begint te erven, en mengt u met hen in den strijd.
24 — Depois que atravessamos o país de Moabe, Deus nos disse: “Continuem avançando e atravessem o rio Arnom, pois eu deixarei que vocês derrotem Seom, o rei dos amorreus, que mora na cidade de Hesbom. Lutem contra Seom e tomem posse da terra dele.”
25 Te dezen dage zal Ik beginnen uw schrik en uw vreze te geven over het aangezicht der volken, onder den gansen hemel; die uw gerucht zullen horen, die zullen sidderen, en bang zijn van uw aangezicht.
25 E Deus me disse: “De hoje em diante eu vou fazer com que todos os povos do mundo tenham medo de você. Você será famoso, e, quando ouvirem falar a seu respeito, todos ficarão tão assustados, que tremerão de medo.”
26 Toen zond ik boden uit de woestijn Kedemot tot Sihon, den koning van Hesbon, met woorden van vrede, zeggende:
26 E Moisés continuou, dizendo: — Depois, quando estávamos no deserto de Quedemote, mandei que alguns mensageiros levassem ao rei Seom, que morava na cidade de Hesbom, um tratado de paz, com as seguintes condições:
27 Laat mij door uw land doortrekken; ik zal alleenlijk langs den weg voorttrekken; ik zal noch ter rechterhand noch ter linkerhand uitwijken.
27 “Pedimos licença para passar pelo seu país. Prometemos andar somente pela estrada, sem sair dela;
28 Verkoop mij spijze voor geld, dat ik ete, en geef mij water voor geld, dat ik drinke; alleenlijk laat mij op mijn voeten doortrekken;
28 e também pagaremos pela comida e pela bebida que precisarmos. A única coisa que queremos é licença para passarmos pelo seu país
29 Gelijk de kinderen van Ezau, die in Seir wonen, en de Moabieten, die in Ar wonen, mij gedaan hebben; totdat ik over de Jordaan kome in het land, dat de HEERE, onze God, ons geven zal.
29 até chegarmos ao rio Jordão. Então atravessaremos o rio para entrar na terra que o Senhor , nosso Deus, nos está dando. Os descendentes de Esaú, que moram em Edom, e os moabitas, que moram em Ar, já nos deram licença para passarmos pelos países deles.”
30 Maar Sihon, de koning van Hesbon, wilde ons door hetzelve niet laten doortrekken; want de HEERE,, uw God, verhardde zijn geest, en verstokte zijn hart, opdat Hij hem in uw hand gave, gelijk het is te dezen dage.
30 Mas o rei Seom não deixou, pois o Senhor , nosso Deus, fez com que Seom ficasse teimoso e rebelde. Deus fez isso para que nós pudéssemos derrotar o rei Seom e conquistar a terra dele, que é nossa até hoje.
31 En de HEERE zeide tot mij: Zie, Ik heb begonnen Sihon en zijn land voor uw aangezicht te geven; begin dan te erven, om zijn land erfelijk te bezitten.
31 — Então o Senhor Deus me disse: “Veja! Eu vou deixar que você derrote Seom; ataque-o imediatamente e tome posse da terra dele.”
32 En Sihon toog uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde, naar Jahaz.
32 Seom saiu com o seu exército para lutar contra nós na cidade de Jasa.
33 En de HEERE, onze God, gaf hem voor ons aangezicht; en wij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk.
33 O Senhor , nosso Deus, nos deu a vitória, e nós derrotamos Seom, os seus filhos e todo o seu exército.
34 En wij namen te dier tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderkens; wij lieten niemand overblijven.
34 Além disso conquistamos e destruímos todas as suas cidades e matamos todos os homens, mulheres e crianças. Não escapou ninguém.
35 Het vee alleen roofden wij voor ons, en den roof der steden, die wij innamen.
35 Mas ficamos com o gado e com os objetos de valor que encontramos nas cidades.
36 Van Aroer af, dat aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te hoog was; de HEERE, onze God, gaf dat alles voor ons aangezicht.
36 O Senhor , nosso Deus, deixou que conquistássemos todas as cidades, desde Aroer, que fica perto do vale do rio Arnom, e desde a cidade que está no vale, até a região de Gileade. Nós conquistamos todas as cidades, mesmo as que tinham muralhas altas e fortes.
37 Behalve tot het land van de kinderen Ammons naderdet gij niet, noch tot de ganse streek der beek Jabbok, noch tot de steden van het gebergte, noch tot iets, dat de HEERE, onze God, ons verboden had.
37 Não invadimos a terra dos amonitas, nem as cidades que ficam nas margens do rio Jaboque, nem as que ficam na região montanhosa, nem os outros lugares que o Senhor , nosso Deus, havia proibido.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Deuteronômio 2, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.