Deuteronômio 28

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 En het zal geschieden, indien gij der stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u heden gebiede, zo zal de HEERE, uw God, u hoog zetten boven alle volken der aarde.
1 Moisés disse ao povo: — Se vocês derem atenção a tudo o que o
2 En al deze zegeningen zullen over u komen, en u aantreffen, wanneer gij der stem des HEEREN uws Gods, zult gehoorzaam zijn.
2 Obedeçam ao Senhor Deus, e ele lhes dará todas estas bênçãos:
3 Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn in het veld.
3 — Deus os abençoará nas cidades e nos campos.
4 Gezegend zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, en de vrucht uwer beesten, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee.
4 — Deus os abençoará dando-lhes muitos filhos, boas colheitas e muitas crias de gado e de ovelhas.
5 Gezegend zal zijn uw korf, en uw baktrog.
5 — Deus os abençoará com boas colheitas de trigo e de cevada e com muita comida.
6 Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij zijn in uw uitgaan.
6 — Deus os abençoará em tudo o que fizerem.
7 De HEERE zal geven uw vijanden, die tegen u opstaan, geslagen voor uw aangezicht; door een weg zullen zij tot u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vlieden.
7 — Quando os inimigos atacarem, o Senhor Deus os destruirá na presença de vocês. Eles atacarão juntos, em ordem, mas fugirão para todos os lados, em desordem.
8 De HEERE zal den zegen gebieden, dat Hij met u zij in uw schuren, en in alles, waaraan gij uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.
8 — O Senhor , nosso Deus, abençoará vocês em tudo o que fizerem e lhes dará tanto trigo, que os seus depósitos ficarão cheios. Ele os abençoará ricamente na terra que está dando a vocês.
9 De HEERE zal u Zichzelven tot een heilig volk bevestigen, gelijk als Hij u gezworen heeft, wanneer gij de geboden des HEEREN, uws Gods, zult houden, en in Zijn wegen wandelen.
9 — Se obedecerem a todas as leis do Senhor , nosso Deus, e cumprirem todas as suas ordens, ele fará com que sejam o seu único povo, o povo escolhido, como prometeu com juramento a vocês.
10 En alle volken der aarde zullen zien, dat de Naam des HEEREN over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen.
10 Todos os outros povos do mundo verão que vocês pertencem a Deus, o Senhor , e terão medo de vocês.
11 En de HEERE zal u doen overvloeien aan goed, in de vrucht uws buiks, en in de vrucht uwer beesten, en in de vrucht uws lands; op het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft u te zullen geven.
11 Ele lhes dará muitos filhos, muitos animais e boas colheitas na terra que está dando a vocês, de acordo com o juramento que fez aos nossos antepassados.
12 De HEERE zal u opendoen Zijn goeden schat, den hemel, om aan uw land regen te geven te zijner tijd, en om te zegenen al het werk uwer hand; en gij zult aan vele volken lenen, maar gij zult niet ontlenen.
12 Deus abrirá o céu, onde guarda as suas ricas bênçãos, e lhes dará chuvas no tempo certo e assim abençoará o trabalho que vocês fizerem. Vocês emprestarão a muitas nações, porém não tomarão emprestado de ninguém.
13 En de HEERE zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en gij zult alleenlijk boven zijn, en niet onder zijn; wanneer gij horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, die ik u heden gebiede te houden en te doen;
13 Se obedecerem fielmente a todos os mandamentos do Senhor Deus que hoje eu estou dando a vocês, ele fará com que fiquem no primeiro lugar entre as nações e não no último; e fará também com que a fama de vocês sempre cresça e nunca diminua.
14 En gij niet afwijken zult van al de woorden, die ik ulieden heden gebiede, ter rechterhand of ter linkerhand, dat gij andere goden nawandelt, om hen te dienen.
14 Não se desviem desses mandamentos que hoje eu estou dando a vocês, nem para um lado nem para o outro, e nunca adorem nem sirvam outros deuses.
15 Daarentegen zal het geschieden, indien gij de stem des HEEREN, uws Gods, niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat gij doet al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede; zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen.
15 — Porém, se vocês não derem atenção ao que o Senhor , nosso Deus, está mandando e não obedecerem às suas leis e aos seus mandamentos que lhes estou dando hoje, vocês serão castigados com as seguintes maldições:
16 Vervloekt zult gij zijn in de stad, en vervloekt zult gij zijn in het veld.
16 — Deus os amaldiçoará nas cidades e nos campos.
17 Vervloekt zal zijn uw korf, en uw baktrog.
17 — Deus os amaldiçoará dando-lhes pequenas colheitas de trigo e de cevada e pouco alimento.
18 Vervloekt zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee.
18 — Deus os amaldiçoará dando-lhes poucos filhos, colheitas pequenas e poucas crias de gado e de ovelhas.
19 Vervloekt zult gij zijn in uw ingaan, en vervloekt zult gij zijn in uw uitgaan.
19 — Deus os amaldiçoará em tudo o que fizerem.
20 De HEERE zal onder u zenden den vloek, de verstoring en het verderf, in alles, waaraan gij uw hand slaat, dat gij doen zult; totdat gij verdelgd wordt, en totdat gij haastelijk omkomt, vanwege de boosheid uwer werken, waarmede gij Mij verlaten hebt.
20 — Se vocês abandonarem o Senhor e começarem a praticar maldades, ele fará cair sobre vocês maldição, confusão e castigo. Ele os amaldiçoará em tudo o que fizerem e acabará logo com vocês.
21 De HEERE zal u de pestilentie doen aankleven, totdat Hij u verdoe van het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.
21 O Senhor os castigará com doenças e mais doenças, até que todos morram na terra que vão invadir e que vai ser de vocês.
22 De HEERE zal u slaan met tering, en met koorts, en met vurigheid, en met hitte, en met droogte, en met brandkoren, en met honigdauw, die u vervolgen zullen, totdat gij omkomt.
22 Ele os castigará com doenças contagiosas, infecções, inflamações e febres; mandará secas e ventos muito quentes; e fará com que pragas ataquem as plantas. Essas desgraças continuarão até que vocês morram.
23 En uw hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn.
23 Não haverá chuva, e o chão ficará duro como ferro.
24 De HEERE, uw God, zal pulver en stof tot regen uws lands geven; van den hemel zal het op u nederdalen, totdat gij verdelgd wordt.
24 Em vez de chuva, o Senhor Deus mandará pó e areia sobre a terra, até que vocês sejam destruídos.
25 De HEERE zal u geslagen geven voor het aangezicht uwer vijanden; door een weg zult gij tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult gij voor zijn aangezicht vlieden; en gij zult van alle koninkrijken der aarde beroerd worden.
25 O Senhor fará com que sejam derrotados pelos inimigos. Vocês atacarão juntos, em ordem, mas fugirão para todos os lados, em desordem. Todos os povos do mundo ficarão espantados quando souberem do que aconteceu com vocês.
26 En uw dood lichaam zal aan alle gevogelte des hemels, en aan de beesten der aarde tot spijze zijn; en niemand zal ze afschrikken.
26 Vocês morrerão, e o corpo de vocês servirá de comida para as aves e para os animais ferozes, e ninguém os enxotará.
27 De HEERE zal u slaan met zweren van Egypte, en met spenen, en met droge schurft, en met krauwsel, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden.
27 O Senhor Deus castigará vocês com tumores, como fez com os egípcios; vocês sofrerão de úlceras, chagas e coceiras sem cura.
28 De HEERE zal u slaan met onzinnigheid, en met blindheid, en met verbaasdheid des harten;
28 O Senhor os castigará, fazendo com que fiquem loucos, cegos e confusos.
29 Dat gij op den middag zult omtasten, gelijk als een blinde omtast in het donkere, en uw wegen niet zult voorspoedig maken; maar gij zult alleenlijk verdrukt en beroofd zijn alle dagen, en er zal geen verlosser zijn.
29 Ao meio-dia vocês andarão sem rumo, como um cego apalpando o caminho. Vocês fracassarão em tudo o que fizerem, serão perseguidos e explorados a vida inteira, e não haverá ninguém que os socorra.
30 Gij zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult gij bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult gij planten, maar dien niet gemeen maken.
30 — Você contratará casamento, mas outro homem terá relações com a moça; você construirá uma casa, mas não morará nela; plantará uma parreira , mas não colherá as uvas.
31 Uw os zal voor uw ogen geslacht worden, maar gij zult daarvan niet eten; uw ezel zal van voor uw aangezicht geroofd worden, en tot u niet wederkeren; uw klein vee zal aan uw vijanden gegeven worden, en voor u zal geen verlosser zijn.
31 Você verá o seu gado sendo morto, mas não comerá da carne. Verá outros levarem embora os seus jumentos, e estes não serão devolvidos. Os inimigos levarão as suas ovelhas, e não haverá ninguém para socorrê-lo.
32 Uw zonen en uw dochteren zullen aan een ander volk gegeven worden, dat het uw ogen aanzien, en naar hen bezwijken den gansen dag; maar het zal in het vermogen uwer hand niet zijn.
32 — Na presença de vocês, estrangeiros pegarão os seus filhos e as suas filhas e os levarão embora como escravos. Vocês morrerão de saudade deles, mas não poderão fazer nada para trazê-los de volta.
33 De vrucht van uw land en al uw arbeid zal een volk eten, dat gij niet gekend hebt; en gij zult alle dagen alleenlijk verdrukt en gepletterd zijn.
33 Estrangeiros virão e levarão os cereais que com tanto trabalho vocês plantaram e colheram. Todos os dias vocês serão maltratados e perseguidos
34 En gij zult onzinnig zijn, vanwege het gezicht uwer ogen, dat gij zien zult.
34 e ficarão loucos por causa dos maus-tratos que vão receber.
35 De HEERE zal u slaan met boze zweren, aan de knieen en aan de benen, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden, van uw voetzool af tot aan uw schedel.
35 O Senhor Deus os castigará com tumores incuráveis nas pernas; da ponta dos pés até a cabeça, o corpo de vocês ficará coberto de feridas que nunca saram.
36 De HEERE zal u, mitsgaders uw koning, dien gij over u zult gesteld hebben, doen gaan tot een volk, dat gij niet gekend hebt, noch uw vaderen; en aldaar zult gij dienen andere goden, hout en steen.
36 — O Senhor Deus levará todos vocês, junto com o rei que tiverem escolhido, para um país estrangeiro, que nem vocês nem os seus antepassados conheciam. Ali vocês adorarão deuses de madeira e de pedra.
37 En gij zult zijn tot een schrik, tot een spreekwoord en tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u de HEERE leiden zal.
37 Os povos dos países para onde o Senhor os levar ficarão espantados quando souberem do que aconteceu com vocês. Eles falarão mal e zombarão de vocês.
38 Gij zult veel zaads op den akker uitbrengen, maar gij zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren.
38 — Vocês plantarão muitas sementes, mas a colheita será pequena porque os gafanhotos acabarão com tudo.
39 Wijngaarden zult gij planten, en bouwen, maar gij zult geen wijn drinken, noch iets vergaderen; want de worm zal het afeten.
39 Vocês farão plantações de uvas e cuidarão delas, mas não colherão as uvas, nem beberão do vinho, pois os bichos acabarão com as plantas.
40 Olijfbomen zult gij hebben in al uw landpalen, maar gij zult u met olie niet zalven; want uw olijfboom zal zijn vrucht afwerpen.
40 No país inteiro haverá muitas oliveiras, mas vocês não terão azeite para se ungirem , pois as azeitonas cairão das árvores antes de ficarem maduras.
41 Zonen en dochteren zult gij gewinnen, maar zij zullen voor u niet zijn; want zij zullen in gevangenis gaan.
41 Vocês terão filhos e filhas, mas estrangeiros os levarão como prisioneiros.
42 Al uw geboomte, en de vrucht uws lands zal het boos gewormte erfelijk bezitten.
42 Os gafanhotos destruirão todas as árvores e todas as plantas da terra de vocês.
43 De vreemdeling, die in het midden van u is, zal hoog, hoog boven u opklimmen; en gij zult laag, laag nederdalen.
43 — Os estrangeiros que moram no meio de vocês ficarão cada vez mais poderosos, ao passo que vocês ficarão cada vez mais fracos.
44 Hij zal u lenen, maar gij zult hem niet lenen; hij zal tot een hoofd zijn, en gij zult tot een staart zijn.
44 Eles emprestarão a vocês, mas não tomarão emprestado de vocês; eles ficarão no primeiro lugar entre as nações, e vocês ficarão no último.
45 En al deze vloeken zullen over u komen, en u vervolgen, en u treffen, totdat gij verdelgd wordt; omdat gij der stem des HEEREN, uws Gods, niet gehoorzaam zult geweest zijn, om te houden Zijn geboden en Zijn inzettingen, die Hij u geboden heeft.
45 Moisés disse ao povo: — Todas essas maldições cairão sobre vocês e os perseguirão até os destruírem completamente. Pois vocês não deram atenção ao que o
46 En zij zullen onder u tot een teken, en tot een wonder zijn, ja, onder uw zaad tot in eeuwigheid.
46 Essas desgraças serão para sempre a prova de que Deus castigou vocês e os seus descendentes.
47 Omdat gij den HEERE, uw God, niet gediend zult hebben met vrolijkheid en goedheid des harten, vanwege de veelheid van alles;
47 O Senhor lhes dará tudo o que é bom; mas, se vocês não o servirem com alegria e gratidão,
48 Zo zult gij uw vijanden, die de HEERE onder u zenden zal, dienen, in honger en in dorst, en in naaktheid, en in gebrek van alles; en Hij zal een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u verdelge.
48 serão escravos dos inimigos que o Senhor mandará contra vocês. Vocês os servirão com fome e com sede, sem roupa e precisando de tudo. Deus tratará vocês com crueldade até os destruir.
49 De HEERE zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde der aarde, gelijk als een arend vliegt; een volk, welks spraak gij niet zult verstaan;
49 — O Senhor Deus fará vir contra vocês, de longe, lá do fim do mundo, um povo estrangeiro que fala uma língua que vocês não entendem. Eles os atacarão como uma águia.
50 Een volk, stijf van aangezicht, dat het aangezicht des ouden niet zal aannemen, noch den jonge genadig zijn.
50 São gente cruel, que não respeita os velhos, nem tem pena dos moços.
51 En het zal de vrucht uwer beesten, en de vrucht uws lands opeten, totdat gij verdelgd zult zijn; hetwelk u geen koren, most noch olie, voortzetting uwer koeien noch kudden van uw klein vee zal overig laten, totdat Hij u verdoe.
51 Eles vão devorar todo o seu gado e todas as suas colheitas, e vocês morrerão de fome. Eles não deixarão para vocês nem cereais, nem vinho, nem azeite, nem crias de vacas e de ovelhas.
52 En het zal u beangstigen in al uw poorten, totdat uw hoge en vaste muren nedervallen, op welke gij vertrouwdet in uw ganse land; ja, het zal u beangstigen in al uw poorten, in uw ganse land, dat u de HEERE, uw God, gegeven heeft.
52 Cercarão as cidades onde vocês moram, até que caiam as muralhas altas e fortes em que vocês confiavam. Todas as cidades da terra que o Senhor , nosso Deus, lhes deu serão cercadas pelo inimigo.
53 En gij zult eten de vrucht uws buiks, het vlees uwer zonen en uwer dochteren, die u de HEERE, uw God, gegeven zal hebben; in de belegering en in de benauwing, waarmede uw vijanden u zullen benauwen
53 O cerco será terrível. Os moradores das cidades ficarão tão desesperados, que comerão os próprios filhos que Deus lhes deu. A situação será tão terrível, que não haverá nada para comer. Até o homem mais educado e carinhoso ficará tão desesperado, que comerá os próprios filhos, e será tão mau, que não repartirá a carne com os irmãos, nem com a sua querida mulher, nem com os outros filhos. A situação será tão terrível, que até a mulher mais delicada e carinhosa, que nunca precisou andar a pé quando saía de casa, ficará tão desesperada, que comerá, às escondidas, seu bebê recém-nascido e a placenta também. Ela será tão má, que não dará nenhum pedaço para o seu querido marido, nem para os outros filhos.
54 Aangaande den man, die teder onder u, en die zeer wellustig geweest is, zijn oog zal kwaad zijn tegen zijn broeder en tegen de huisvrouw zijns schoots, en tegen zijn overige zonen, die hij overgehouden zal hebben;
54 — ausente —
55 Dat hij niet aan een van die zal geven van het vlees zijner zonen, die hij eten zal, omdat hij voor zich niets heeft overgehouden; in de belegering en in de benauwing, waarmede uw vijand u in al uw poorten zal benauwen.
55 — ausente —
56 Aangaande de tedere en wellustige vrouw onder u, die niet verzocht heeft haar voetzool op de aarde te zetten, omdat zij zich wellustig en teder hield; haar oog zal kwaad zijn tegen den man haars schoots, en tegen haar zoon, en tegen haar dochter;
56 — ausente —
57 En dat om haar nageboorte, die van tussen haar voeten uitgegaan zal zijn, en om haar zonen, die zij gebaard zal hebben; want zij zal hen eten in het verborgene, vermits gebrek van alles; in de belegering en in de benauwing, waarmede uw vijand u zal benauwen in uw poorten.
57 — ausente —
58 Indien gij niet zult waarnemen te doen al de woorden dezer wet, die in dit boek geschreven zijn, om te vrezen dezen heerlijken en vreselijken Naam den HEERE uw God;
58 — Se vocês não cumprirem todas as leis que estão escritas neste livro e se não respeitarem o nome do Senhor , nosso Deus, esse nome que é glorioso e causa medo,
59 Zo zal de HEERE uw plagen wonderlijk maken, mitsgaders de plagen van uw zaad; het zullen grote en gewisse plagen, en boze en gewisse krankten zijn.
59 então ele castigará vocês e os seus descendentes com pragas e com doenças terríveis e demoradas.
60 En Hij zal op u doen keren alle kwalen van Egypte, voor dewelke gij gevreesd hebt, en zij zullen u aanhangen.
60 Ele os castigará com as mesmas doenças com que castigou os egípcios, doenças que não têm cura e que deixam vocês com tanto medo.
61 Ook alle krankte, en alle plage, die in het boek dezer wet niet geschreven is, zal de HEERE over u doen komen, totdat gij verdelgd wordt.
61 O Senhor mandará também doenças e pragas que não estão escritas neste Livro da Lei e os destruirá.
62 En gij zult met weinige mensen overgelaten worden, in plaats dat gij geweest zijt als de sterren des hemels in menigte; omdat gij der stem des HEEREN, uws Gods, niet gehoorzaam geweest zijt.
62 Vocês, que já foram tão numerosos como as estrelas do céu, ficarão um punhado de gente porque não obedeceram às ordens do Senhor , nosso Deus.
63 En het zal geschieden, gelijk als de HEERE Zich over ulieden verblijdde, u goed doende en u vermenigvuldigende, alzo zal Zich de HEERE over u verblijden, u verdoende en u verdelgende; en gij zult uitgerukt worden uit het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.
63 E assim como o Senhor tinha prazer em abençoá-los e fazer com que aumentassem em número, assim também terá prazer em castigá-los e destruí-los. Vocês serão arrancados da terra que vão invadir e que vai ser de vocês.
64 En de HEERE zal u verstrooien onder alle volken, van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde; en aldaar zult gij andere goden dienen, die gij niet gekend hebt, noch uw vaders, hout en steen.
64 — O Senhor Deus os espalhará por todos os países, de uma ponta do mundo à outra. Ali vocês adorarão deuses de madeira e de pedra, que nem vocês nem os seus antepassados conheciam.
65 Daartoe zult gij onder dezelve volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben; want de HEERE zal u aldaar een bevend hart geven, en bezwijking der ogen, en mattigheid der ziel.
65 E também nesses países vocês não terão sossego nem paz; o Senhor fará com que fiquem cheios de aflição, desespero e medo.
66 En uw leven zal tegenover u hangen; en gij zult nacht en dag schrikken, en gij zult van uw leven niet zeker zijn.
66 A vida de vocês estará sempre em perigo; dia e noite o medo os acompanhará, e vocês ficarão desesperados da vida.
67 Des morgens zult gij zeggen: Och, dat het avond ware; en des avonds zult gij zeggen: Och, dat het morgen ware; vermits den schrik uws harten, waarmede gij zult verschrikt zijn, en vermits het gezicht uwer ogen, dat gij zien zult.
67 Vocês terão tanto medo e verão coisas tão terríveis, que de manhã dirão: “Tomara que já fosse noite!” E ao cair a noite dirão: “Quem dera que já fosse dia!”
68 En de HEERE zal u naar Egypte doen wederkeren in schepen, door een weg, waarvan ik u gezegd heb: Gij zult dien niet meer zien; en aldaar zult gij u aan uw vijanden willen verkopen tot dienstknechten en tot dienstmaagden; maar er zal geen koper zijn.
68 O Senhor Deus os fará voltar em navios para o Egito, ainda que ele tenha dito que vocês nunca mais iriam para lá. Ali vocês procurarão vender-se como escravos e escravas aos seus inimigos, os egípcios, mas ninguém vai querer comprá-los.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Deuteronômio 28, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.