Deuteronômio 26
Dutch (DUTCH) vs NTLH
1 Voorts zal het geschieden, wanneer gij zult gekomen zijn in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve geven zal, en gij dat erfelijk zult bezitten, en daarin wonen;
1 Moisés disse ao povo: — Vocês vão tomar posse da terra que o
2 Zo zult gij nemen van de eerstelingen van alle vrucht des lands, die gij opbrengen zult van uw land, dat u de HEERE, uw God, geeft, en zult ze in een korf leggen; en gij zult heengaan tot de plaats, die de HEERE, uw God, verkoren zal hebben, om Zijn Naam aldaar te doen wonen;
2 cada um deve pegar a primeira parte de todas as colheitas produzidas pela terra que o Senhor Deus lhe deu, deve colocá-la num cesto e levar para o lugar que Deus tiver escolhido para nele ser adorado.
3 En gij zult komen tot den priester, dewelke in die dagen zijn zal, en tot hem zeggen: Ik verklaar heden voor den HEERE, uw God, dat ik gekomen ben in het land, hetwelk de HEERE onzen vaderen gezworen heeft ons te zullen geven.
3 Vá falar com o sacerdote que estiver servindo naquele dia e diga: “Declaro hoje que estou morando na terra que o Senhor , nosso Deus, prometeu dar aos nossos antepassados.”
4 En de priester zal den korf van uw hand nemen, en hij zal dien voor het altaar des HEEREN, uws Gods, nederzetten.
4 Aí o sacerdote pegará o cesto e o colocará na frente do altar do Senhor , nosso Deus.
5 Dan zult gij voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, betuigen en zeggen: Mijn vader was een bedorven Syrier, en hij toog af naar Egypte, en verkeerde aldaar als vreemdeling met weinig volks; maar hij werd aldaar tot een groot, machtig en menigvuldig volk.
5 Então, na presença do Senhor , você fará esta declaração: “O meu antepassado foi um arameu que não tinha lugar certo onde morar. Ele foi com a família para o Egito, e ali eles moraram como estrangeiros. Quando chegaram lá, eram poucos, mas aumentaram em número e se tornaram um povo grande e forte.
6 Doch de Egyptenaars deden ons kwaad, en verdrukten ons, en legden ons een harden dienst op.
6 Os egípcios nos maltrataram e nos obrigaram a fazer trabalhos pesados.
7 Toen riepen wij tot den HEERE, den God onzer vaderen; en de HEERE verhoorde onze stem en zag onze ellende aan, en onzen arbeid, en onze onderdrukking.
7 Então oramos, pedindo socorro ao Senhor , o Deus dos nossos antepassados. Ele nos atendeu e viu a nossa aflição, a nossa miséria e como éramos perseguidos.
8 En de HEERE voerde ons uit Egypte, door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en door groten schrik, en door tekenen, en door wonderen.
8 Com a sua força e com o seu poder ele fez milagres, maravilhas e coisas espantosas, e nos tirou do Egito,
9 En Hij heeft ons gebracht tot deze plaats; en Hij heeft ons dit land gegeven, een land vloeiende van melk en honig.
9 e nos trouxe até esta terra que nos deu, uma terra boa e rica.
10 En nu, zie, ik heb gebracht de eerstelingen van de vrucht dezes lands, dat Gij, HEERE, mij gegeven hebt! Dan zult gij ze nederzetten voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en zult u buigen voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods;
10 E agora, ó Senhor Deus, eu te ofereço a primeira parte das colheitas da terra que me deste.” — Depois, coloque a oferta diante do
11 En gij zult vrolijk zijn over al het goede, dat de HEERE, uw God, aan u en uw huis gegeven heeft; gij, en de Leviet, en de vreemdeling, die in het midden van u is.
11 Fique alegre por causa de todas as coisas boas que o Senhor deu a você e à sua família e faça uma festa com os levitas e com os estrangeiros que moram onde você vive.
12 Wanneer gij zult geeindigd hebben alle tienden van uw inkomen te vertienen, in het derde jaar, zijnde een jaar der tienden; dan zult gij aan den Leviet, aan den vreemdeling, aan den wees en aan de weduwe geven, dat zij in uw poorten eten en verzadigd worden.
12 — De três em três anos junte a décima parte das colheitas daquele ano e dê aos levitas , aos estrangeiros, aos órfãos e às viúvas que moram na sua cidade, para que tenham toda a comida que precisarem.
13 En gij zult voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, zeggen: Ik heb het heilige uit het huis weggenomen, en heb het ook aan den Leviet en aan den vreemdeling, aan den wees en aan de weduwe gegeven, naar al Uw geboden, die Gij mij geboden hebt; ik heb niets van Uw geboden overtreden, en niets vergeten.
13 Depois, na presença do Senhor , nosso Deus, você dirá o seguinte: “Entreguei aos levitas, aos estrangeiros, aos órfãos e às viúvas a parte das minhas colheitas que pertence a ti. Obedeci a todos os teus mandamentos; não deixei de cumprir nenhum deles e fiz tudo o que mandaste a respeito do dízimo .
14 Ik heb daarvan niets gegeten in mijn leed, en heb daarvan niets weggenomen tot iets onreins, noch daarvan gegeven tot een dode; ik ben der stem des HEEREN, mijns Gods, gehoorzaam geweest, ik heb gedaan naar alles, wat Gij mij geboden hebt.
14 Não comi nenhuma porção do dízimo quando estava de luto, não levei nenhuma parte para fora da cidade quando estava impuro , nem dei nenhuma parte como oferta pelos mortos. Fiz tudo o que mandaste, ó Senhor , meu Deus, e obedeci à tua ordem.
15 Zie nederwaarts van Uw heilige woning, van den hemel, en zegen Uw volk Israel, en het land, dat Gij ons gegeven hebt, gelijk als Gij onzen vaderen gezworen hebt, een land van melk en honig vloeiende.
15 Olha do céu, onde moras, ó Deus, e abençoa-nos, o teu povo de Israel, e abençoa esta terra boa e rica que nos deste, conforme prometeste aos nossos antepassados.”
16 Te dezen dage gebiedt u de HEERE, uw God, deze inzettingen en rechten te doen; houdt dan en doet dezelve, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.
16 Moisés disse ao povo: — Hoje o
17 Heden hebt gij den HEERE doen zeggen, dat Hij u tot een God zal zijn, en dat gij zult wandelen in Zijn wegen, en houden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en dat gij Zijner stem zult gehoorzaam zijn.
17 Hoje vocês afirmaram que o Senhor é o seu Deus e prometeram andar sempre nos caminhos dele, obedecendo às suas leis e aos seus mandamentos e fazendo tudo o que ele mandar.
18 En de HEERE heeft u heden doen zeggen, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zult zijn, gelijk als Hij u gesproken heeft, en dat gij al Zijn geboden zult houden;
18 E hoje o Senhor Deus declara que, conforme prometeu, vocês são o povo que é somente dele, e ele manda que vocês obedeçam a todos os seus mandamentos.
19 Opdat Hij u alzo boven al de volken, die Hij gemaakt heeft, hoog zette, tot lof, en tot een naam, en tot heerlijkheid; en opdat gij een heilig volk zijt den HEERE, uw God, gelijk als Hij gesproken heeft.
19 Assim ele vai abençoá-los, dando-lhes mais fama, glória e honra do que a qualquer outro povo que ele criou. E, conforme ele disse, vocês serão o seu povo escolhido, o povo que é somente dele.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Deuteronômio 26, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.