Deuteronômio 12

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Dit zijn de inzettingen en de rechten, die gijlieden zult waarnemen om te doen, in dat land, hetwelk u de HEERE, uwer vaderen God, gegeven heeft, om het te erven; al de dagen, die gijlieden op den aardbodem leeft.
1 — São estes os estatutos e juízos que vocês devem ter o cuidado de cumprir todos os dias que viverem na terra que o Senhor , o Deus dos seus pais, lhes deu por herança.
2 Gij zult ganselijk vernielen al de plaatsen, alwaar de volken, die gij zult erven, hun goden gediend hebben; op de hoge bergen, en op de heuvelen, en onder allen groenen boom.
2 Destruam por completo todos os lugares onde as nações que vocês irão expulsar serviram os seus deuses, sobre as altas montanhas, sobre as colinas e debaixo de toda árvore frondosa.
3 En gij zult hun altaren afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen met vuur verbranden, en de gesneden beelden hunner goden nederhouwen; en gij zult hun naam te niet doen uit diezelve plaats.
3 Derrubem os seus altares, quebrem as suas colunas sagradas, queimem os postes da deusa Aserá, despedacem as imagens esculpidas dos seus deuses e façam com que o nome desses deuses desapareça daquele lugar.
4 Gij zult den HEERE, uw God, alzo niet doen!
4 — Não é assim que vocês devem adorar o Senhor , seu Deus.
5 Maar naar de plaats, die de HEERE, uw God, uit al uw stammen verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te zetten, naar Zijn woning zult gijlieden vragen, en daarheen zult gij komen;
5 Pelo contrário, busquem o lugar que o Senhor , seu Deus, escolher entre todas as tribos, para ali pôr o seu nome e sua habitação; é para lá que vocês devem ir.
6 En daarheen zult gijlieden brengen uw brandofferen, en uw slachtofferen, en uw tienden, en het hefoffer uwer hand, en uw geloften, en uw vrijwillige offeren, en de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen.
6 A esse lugar vocês devem levar os seus holocaustos, os seus sacrifícios, os seus dízimos, as ofertas que vocês prepararam, as ofertas prometidas, as ofertas voluntárias e os primogênitos das vacas e das ovelhas de vocês.
7 En aldaar zult gijlieden voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, eten en vrolijk zijn, gijlieden en uw huizen, over alles, waaraan gij uw hand geslagen hebt, waarin u de HEERE, uw God, gezegend heeft.
7 Ali, vocês comerão diante do Senhor , seu Deus, e se alegrarão em tudo o que fizerem, vocês e as suas famílias, no que o Senhor , seu Deus, os tiver abençoado.
8 Gij zult niet doen naar alles, wat wij hier heden doen, een ieder al wat in zijn ogen recht is.
8 — Vocês não farão como hoje estamos fazendo aqui, cada um segundo melhor lhe parece,
9 Want gij zijt tot nu toe niet gekomen in de rust en in de erfenis, die de HEERE, uw God, u geven zal.
9 porque ainda não entraram no descanso e na herança que o Senhor , seu Deus, lhes dará.
10 Maar gij zult over de Jordaan gaan, en wonen in het land, dat u de HEERE, uw God, zal doen erven; en Hij zal u rust geven van al uw vijanden rondom, en gij zult zeker wonen.
10 Mas vocês irão passar o Jordão e morar na terra que o Senhor , seu Deus, lhes dará por herança. Ele lhes dará descanso de todos os seus inimigos ao redor, e vocês viverão seguros.
11 Dan zal er een plaats zijn, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen; daarheen zult gij brengen alles, wat ik u gebiede: uw brandofferen, en uw slachtofferen, uw tienden, en het hefoffer uwer hand, en alle keur uwer geloften, die gij den HEERE beloven zult.
11 Então haverá um lugar que o Senhor , seu Deus, escolherá para ali fazer habitar o seu nome. A esse lugar vocês levarão tudo o que eu lhes ordeno: os seus holocaustos, os seus sacrifícios, os seus dízimos, as ofertas que vocês prepararam e tudo o que tiverem decidido oferecer ao Senhor em cumprimento a um voto.
12 En gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, gijlieden, en uw zonen, en uw dochteren, en uw dienstknechten, en uw dienstmaagden, en de Leviet, die in uw poorten is; want hij heeft geen deel noch erve met ulieden.
12 E vocês se alegrarão diante do Senhor , seu Deus, vocês, os seus filhos, as suas filhas, os seus servos e as suas servas e os levitas que moram nas cidades em que vocês vivem e que não têm porção nem herança entre vocês.
13 Wacht u, dat gij uw brandofferen niet offert in alle plaats, die gij zien zult.
13 Cuidado! Não ofereçam os seus holocaustos em qualquer lugar que encontrarem,
14 Maar in de plaats, die de HEERE in een uwer stammen zal verkiezen, daar zult gij uw brandofferen offeren, en daar zult gij doen al wat ik u gebiede.
14 mas, no lugar que o Senhor escolher numa das tribos de vocês, ali vocês devem oferecer os seus holocaustos e ali farão tudo o que lhes ordeno.
15 Doch naar allen lust uwer ziel zult gij slachten en vlees eten, naar den zegen des HEEREN, uws Gods, dien Hij u geeft, in al uw poorten; de onreine en de reine zal daarvan eten, als van een ree, en als van een hert.
15 — Porém, sempre que desejarem, vocês podem matar animais e comer carne nas cidades em que estiverem morando, segundo a bênção do Senhor , seu Deus. Todos vocês, tanto os que estiverem impuros como os que estiverem puros, poderão comer, assim como se come carne de gazela ou de veado.
16 Alleenlijk het bloed zult gijlieden niet eten; gij zult het op de aarde uitgieten als water.
16 Tão somente não comam o sangue; este deve ser derramado na terra como se fosse água.
17 Gij zult in uw poorten niet mogen eten de tienden van uw koren, en van uw most, en van uw olie, noch de eerstgeboorten van uw runderen en van uw schapen, noch enige uwer geloften, die gij zult hebben beloofd, noch uw vrijwillige offeren, noch het hefoffer uwer hand.
17 Nas suas cidades, vocês não poderão comer o dízimo do cereal, nem do vinho, nem do azeite, nem os primogênitos das vacas e das ovelhas, nem nenhuma das ofertas que tiverem prometido, nem as ofertas voluntárias, nem as ofertas que vocês prepararam.
18 Maar gij zult dat eten voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, in de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is; en gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, over alles, waaraan gij uw handen geslagen hebt.
18 Estas ofertas só poderão ser comidas diante do Senhor , seu Deus, no lugar que o Senhor , o Deus de vocês, escolher. Isto se aplica a vocês, a seus filhos e filhas, a seus servos e servas, e aos levitas que moram nas cidades onde vocês vivem. Vocês se alegrarão diante do Senhor , seu Deus, em tudo o que fizerem.
19 Wacht u, dat gij den Leviet niet verlaat, al uw dagen in uw land.
19 Tenham o cuidado de não desamparar o levita durante todo o tempo em que vocês viverem naquela terra.
20 Wanneer de HEERE, uw God, uw landpale zal verwijd hebben, gelijk als Hij tot u gesproken heeft, en gij zeggen zult: Ik zal vlees eten; dewijl uw ziel lust heeft vlees te eten, zo zult gij vlees eten, naar allen lust uwer ziel.
20 — Quando o Senhor , seu Deus, ampliar o território de vocês, como ele lhes prometeu, e vocês disserem: “Queremos comer carne”, porque este é o seu desejo, vocês poderão comer carne, segundo o seu desejo.
21 Zo de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te zetten, verre van u zal zijn, zo zult gij slachten van uw runderen en van uw schapen, die de HEERE u gegeven heeft, gelijk als ik u geboden heb; en gij zult eten in uw poorten, naar allen lust uwer ziel.
21 Se estiver longe de vocês o lugar que o Senhor , seu Deus, escolher para ali fazer habitar o seu nome, vocês poderão matar das vacas e ovelhas que o Senhor lhes tiver dado, conforme lhes ordenei; e comerão a carne nas cidades em que estiverem morando, segundo todo o seu desejo.
22 Doch gelijk als een ree en een hert gegeten wordt, alzo zult gij dat eten; de onreine en de reine zullen het te zamen eten.
22 Porém, vocês devem comer destas carnes como se come carne de gazela ou de veado; e delas tanto as pessoas impuras como as puras podem comer.
23 Alleen houdt vast, dat gij het bloed niet eet; want het bloed is de ziel; daarom zult gij de ziel met het vlees niet eten;
23 Somente tenham o cuidado de não comer o sangue, porque o sangue é a vida, e vocês não devem comer a vida com a carne.
24 Gij zult dat niet eten; op de aarde zult gij het uitgieten als water;
24 Não comam o sangue; este deve ser derramado na terra como se fosse água.
25 Gij zult dat niet eten; opdat het u, en uw kinderen na u, welga, als gij zult gedaan hebben, wat recht is in de ogen des HEEREN.
25 Não o comam, para que tudo vá bem com vocês e com os seus filhos depois de vocês, quando fizerem o que é reto aos olhos do Senhor .
26 Doch uw heilige dingen, die gij hebben zult, en uw geloften zult gij opnemen, en komen tot de plaats, die de HEERE verkiezen zal;
26 Porém as coisas que tiverem consagrado daquilo que lhes pertence e as ofertas prometidas vocês devem pegar e levar para o lugar que o Senhor escolher.
27 En gij zult uw brandofferen, het vlees en het bloed, bereiden op het altaar des HEEREN, uws Gods; en het bloed uwer slachtofferen zal op het altaar des HEEREN, uws Gods, worden uitgegoten; maar het vlees zult gij eten.
27 E ali, sobre o altar do Senhor , seu Deus, vocês oferecerão os seus holocaustos, a carne e o sangue. Derramem o sangue dos seus sacrifícios sobre o altar do Senhor , seu Deus; porém a carne vocês podem comer.
28 Neemt waar, en hoort al deze woorden, die ik u gebiede, opdat het u, en uw kinderen na u, welga tot in eeuwigheid, als gij zult gedaan hebben wat goed en recht is in de ogen des HEEREN, uws Gods.
28 Guardem e cumpram todas estas palavras que eu lhes ordeno, para que tudo vá bem com vocês e com os seus filhos depois de vocês, para sempre, quando fizerem o que é bom e reto aos olhos do Senhor , seu Deus.
29 Wanneer de HEERE, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgeroeid de volken, naar dewelke gij heengaat, om die erfelijk te bezitten; en gij die erfelijk zult bezitten, en in hun land wonen;
29 — Quando o Senhor , seu Deus, eliminar de diante de vocês as nações que moram na terra em que vocês vão entrar para dela tomar posse, e vocês desalojarem essas nações para habitar na terra delas,
30 Wacht u, dat gij niet verstrikt wordt achter hen, nadat zij voor uw aangezicht zullen verdelgd zijn; en dat gij niet vraagt naar hun goden, zeggende: Gelijk als deze volken hun goden gediend hebben, alzo zal ik ook doen.
30 cuidem para que vocês não caiam na cilada de imitar essas nações, depois que elas foram eliminadas de diante de vocês. Não procurem saber a respeito dos deuses dessas nações, dizendo: “Assim como estas nações serviram os seus deuses, também nós queremos fazer!”
31 Gij zult alzo niet doen den HEERE, uw God; want al wat den HEERE een gruwel is, dat Hij haat, hebben zij hun goden gedaan; want zij hebben ook hun zonen en hun dochteren met vuur verbrand voor hun goden.
31 Não é assim que vocês devem adorar o Senhor , seu Deus, porque eles adoraram os seus deuses, fazendo tudo o que é abominável ao Senhor e que ele odeia; até seus filhos e suas filhas eles queimaram aos seus deuses.
32 Al dit woord, hetwelk ik ulieden gebiede, zult gij waarnemen om te doen; gij zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen.
32 — Tudo o que eu lhes ordeno vocês devem observar; não acrescentem nem diminuam nada.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Deuteronômio 12, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.