Deuteronômio 11

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Daarom zult gij den HEERE, uw God, liefhebben, en gij zult te allen dage onderhouden Zijn bevel, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, en Zijn geboden.
1 — Amem o Senhor , o Deus de vocês, e sempre guardem os seus preceitos, os seus estatutos, os seus juízos e os seus mandamentos.
2 En gijlieden zult heden weten, dat ik niet spreek met uw kinderen, die het niet weten, en de onderwijzing des HEEREN, uws Gods, niet gezien hebben. Zijn grootheid, Zijn sterke hand en Zijn uitgestrekten arm;
2 Considerem hoje — e não me dirijo aos filhos de vocês, que não conheceram nem viram a disciplina do Senhor , seu Deus —, sim, considerem a grandeza do Senhor , a sua mão poderosa e o seu braço estendido.
3 Daartoe Zijn tekenen en Zijn daden, die Hij in het midden van Egypte gedaan heeft, aan Farao, den koning van Egypte, en aan zijn ganse land;
3 Considerem também os sinais e as obras que ele fez no meio do Egito contra Faraó, rei do Egito, e contra toda a sua terra.
4 En wat Hij gedaan heeft aan het heir der Egyptenaren, aan deszelfs paarden en aan deszelfs wagenen; dat Hij de wateren van de Schelfzee boven hun aangezicht deed overzwemmen, als zij ulieden van achteren vervolgden; en de HEERE verdeed hen, tot op dezen dag.
4 Também o que ele fez com o exército do Egito, com os seus cavalos e os seus carros de guerra, fazendo passar sobre eles as águas do mar Vermelho, quando estavam perseguindo vocês, e como o Senhor os destruiu até o dia de hoje.
5 En wat Hij ulieden gedaan heeft in de woestijn, totdat gij gekomen zijt aan deze plaats.
5 Considerem o que ele fez no deserto, até que vocês chegassem a este lugar.
6 Daarboven, wat Hij gedaan heeft aan Dathan, en aan Abiram, zonen van Eliab, den zoon van Ruben; hoe de aarde haar mond opendeed, en hen verslond met hun huisgezinnen, en hun tenten, ja, al wat bestond, dat hun aanging, in het midden van gans Israel.
6 E ainda o que ele fez com Datã e Abirão, filhos de Eliabe, filho de Rúben; como a terra abriu a boca e os engoliu, junto com as famílias deles, as tendas e tudo o que os seguia, no meio de todo o Israel.
7 Want het zijn uw ogen, die gezien hebben al dit grote werk des HEEREN, dat Hij gedaan heeft.
7 Porque vocês viram com os seus próprios olhos todas as grandes obras que o Senhor fez.
8 Houdt dan alle geboden, die ik u heden gebiede; opdat gij gesterkt wordt en inkomt, en erft het land, waarheen gij overtrekt, om dat te erven;
8 — Portanto, guardem todos os mandamentos que hoje lhes ordeno, para que vocês sejam fortes, entrem e tomem posse da terra para onde estão indo,
9 En opdat gij de dagen verlengt in het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft, aan hen en aan hun zaad te geven; een land, vloeiende van melk en honig.
9 e para que se prolonguem os seus dias na terra que o Senhor , sob juramento, prometeu dar aos pais de vocês e à descendência deles, terra que mana leite e mel.
10 Want het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven, is niet als Egypteland, van waar gij uitgegaan zijt, hetwelk gij bezaaidet met uw zaad, en bewaterdet met uw gang, als een kruidhof.
10 Porque a terra da qual vocês tomarão posse não é como a terra do Egito, de onde vocês saíram, em que semeavam as suas sementes e depois tinham de regar com o pé, como se a plantação fosse uma horta.
11 Maar het land, waarheen gij overtrekt, om dat te erven, is een land van bergen en van dalen; het drinkt water bij den regen des hemels;
11 Mas a terra da qual vocês tomarão posse é terra de montes e de vales, que bebe a água da chuva dos céus.
12 Een land, dat de HEERE, uw God, bezorgt; de ogen des HEEREN, uws Gods, zijn gedurig daarop, van het begin des jaars tot het einde des jaars.
12 É terra da qual o Senhor , seu Deus, cuida; os olhos do Senhor , Deus de vocês, estão sobre ela continuamente, desde o princípio até o fim do ano.
13 En het zal geschieden, zo gij naarstiglijk zult horen naar Mijn geboden, die Ik u heden gebiede, om den HEERE, uw God, lief te hebben, en Hem te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel;
13 — Se vocês de fato obedecerem aos meus mandamentos que hoje lhes ordeno, de amar o Senhor , seu Deus, e de o servir de todo o coração e de toda a alma,
14 Zo zal Ik den regen uws lands geven te Zijner tijd, vroegen regen en spaden regen, opdat gij uw koren, en uw most, en uw olie inzamelt.
14 então no devido tempo darei as chuvas que a terra de vocês precisa, tanto as primeiras como as últimas, para que vocês recolham o seu cereal, o vinho e o azeite.
15 En Ik zal kruid geven op uw veld voor uw beesten; en gij zult eten en verzadigd worden.
15 Nos campos, darei pasto ao gado, e vocês comerão e se fartarão.
16 Wacht uzelven, dat ulieder hart niet verleid worde, dat gij afwijkt, en andere goden dient, en u voor die buigt;
16 — Tenham cuidado para que não aconteça que o coração de vocês se engane, e vocês se desviem, sirvam outros deuses e se prostrem diante deles.
17 Dat de toorn des HEEREN tegen ulieden ontsteke, en Hij den hemel toesluite, dat er geen regen zij, en het aardrijk zijn gewas niet geve; en gij haastelijk omkomt van het goede land, dat u de HEERE geeft.
17 Se isso acontecer, a ira do Senhor se acenderá contra vocês, ele fechará o céu para que não chova, a terra não dará a sua colheita, e em pouco tempo vocês serão eliminados da boa terra que o Senhor lhes dá.
18 Legt dan deze mijn woorden in uw hart, en in uw ziel, en bindt ze tot een teken op uw hand, dat zij tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen;
18 — Ponham estas minhas palavras no seu coração e na sua alma. Amarrem-nas como sinal na mão, para que sejam por frontal entre os olhos.
19 En leert die uw kinderen, sprekende daarvan, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat;
19 Ensinem essas palavras aos seus filhos, falando delas quando estiverem sentados em casa, andando pelo caminho, quando se deitarem e quando se levantarem.
20 En schrijft ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten;
20 Devem escrevê-las nos umbrais de sua casa e nas suas portas,
21 Opdat uw dagen, en de dagen uwer kinderen, in het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft hun te geven, vermenigvuldigen, gelijk de dagen des hemels op de aarde.
21 para que se multipliquem os seus dias e os dias de seus filhos na terra que o Senhor , sob juramento, prometeu dar aos pais de vocês, e para que esses dias sejam tão numerosos como os dias do céu acima da terra.
22 Want zo gij naarstiglijk houdt al deze geboden, die ik u gebiede om die te doen, den HEERE, uw God, liefhebbende, wandelende in al Zijn wegen, en Hem aanhangende;
22 Porque, se vocês de fato guardarem todos estes mandamentos que lhes ordeno, amando o Senhor , o Deus de vocês, andando em todos os seus caminhos, e sendo fiéis a ele,
23 Zo zal de HEERE al deze volken voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en gij zult erfelijk bezitten groter en machtiger volken, dan gij zijt.
23 o Senhor expulsará todas estas nações e vocês tomarão posse de nações maiores e mais poderosas do que vocês.
24 Alle plaats, waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn; van de woestijn en den Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee, zal uw landpale zijn.
24 Todo lugar onde puserem a planta do pé, desde o deserto, desde o Líbano, desde o rio, o rio Eufrates, até o mar ocidental, será de vocês.
25 Niemand zal voor uw aangezicht bestaan; de HEERE, uw God, zal uw schrik en uw vreze geven over al het land, waarop gij treden zult, gelijk als Hij tot u gesproken heeft.
25 Ninguém poderá resistir a vocês. O Senhor , seu Deus, espalhará o terror e o temor de vocês por toda terra que vocês pisarem, como ele já lhes prometeu.
26 Ziet, ik stel ulieden heden voor, zegen en vloek:
26 — Eis que hoje eu ponho diante de vocês a bênção e a maldição:
27 Den zegen, wanneer gij horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, die ik u heden gebiede;
27 a bênção, se cumprirem os mandamentos do Senhor , seu Deus, que hoje eu lhes ordeno;
28 Maar den vloek, zo gij niet horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, en afwijkt van den weg, dien ik u heden gebiede, om andere goden na te wandelen, die gij niet gekend hebt.
28 a maldição, se não cumprirem os mandamentos do Senhor , seu Deus, mas se desviarem do caminho que hoje eu lhes ordeno, para seguirem outros deuses que vocês não conheciam.
29 En het zal geschieden, als u de HEERE, uw God, zal hebben ingebracht in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven; dan zult gij den zegen uitspreken op den berg Gerizim, en den vloek op den berg Ebal.
29 Quando o Senhor , o Deus de vocês, os tiver levado para a terra da qual tomarão posse, vocês pronunciarão a bênção sobre o monte Gerizim e a maldição sobre o monte Ebal.
30 Zijn zij niet aan gene zijde van de Jordaan, achter den weg van den ondergang der zon, in het land der Kanaanieten, die in het vlakke veld wonen, tegenover Gilgal, bij de eikenbossen van More?
30 Esses montes estão do outro lado do Jordão, na direção do pôr do sol, na terra dos cananeus, que habitam na Arabá, em frente de Gilgal, junto aos carvalhais de Moré.
31 Want gijlieden zult over de Jordaan gaan, dat gij inkomet om te erven dat land, dat de HEERE, uw God, u geven zal; en gij zult het erfelijk bezitten, en daarin wonen.
31 Porque vocês vão atravessar o Jordão para entrar e tomar posse da terra que o Senhor , seu Deus, está dando a vocês; vocês tomarão posse da terra e vão morar nela.
32 Neemt dan waar te doen al de inzettingen en de rechten, die ik u heden voorstel.
32 Portanto, tenham o cuidado de cumprir todos os estatutos e juízos que eu hoje lhes prescrevo.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Deuteronômio 11, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.