2 Samuel 5

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Toen kwamen alle stammen van Israel tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vlees zijn wij.
1 Então todas as tribos de Israel foram se encontrar com Davi em Hebrom e disseram: — Nós pertencemos ao mesmo povo que você, ó rei.
2 Daartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, waart gij Israel uitvoerende en inbrengende; ook heeft de HEERE tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israel weiden, en gij zult tot een voorganger zijn over Israel.
2 No passado, quando Saul era o nosso rei, você comandou o povo de Israel na batalha. E o Senhor Deus lhe disse que você seria comandante e governador do povo dele.
3 Alzo kwamen alle oudsten van Israel tot den koning te Hebron; en de koning David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des HEEREN; en zij zalfden David tot koning over Israel.
3 Assim todos os líderes de Israel foram se encontrar com Davi em Hebrom. Davi fez um acordo sagrado com eles, e eles o ungiram rei de Israel.
4 Dertig jaar was David oud, als hij koning werd; veertig jaren heeft hij geregeerd.
4 Ele tinha trinta anos de idade quando se tornou rei e reinou quarenta anos.
5 Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over gans Israel en Juda.
5 Governou Judá, em Hebrom, sete anos e meio; e governou Israel e Judá, em Jerusalém, trinta e três anos.
6 En de koning toog met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: Gij zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen.
6 O rei Davi e os seus soldados foram atacar Jerusalém. Os jebuseus, que eram os moradores da cidade, pensaram que ele não seria capaz de conquistá-la e por isso disseram: — Você nunca entrará aqui. Para fazer você ficar do lado de fora, bastam os cegos e os aleijados.
7 Maar David nam den burg Sion in; dezelve is de stad Davids.
7 Mas Davi tomou a fortaleza de Sião , e ela passou a ser chamada de “ Cidade de Davi ”. A coisa aconteceu assim.
8 Want David zeide ten zelven dage: Al wie de Jebusieten slaat, en geraakt aan die watergoot, en die kreupelen, en die blinden, die van Davids ziel gehaat zijn, die zal tot een hoofd en tot een overste zijn; daarom zegt men: Een blinde en kreupele zal in het huis niet komen.
8 Naquele dia Davi disse aos seus soldados: — Se alguém quiser matar os jebuseus, aqueles pobres cegos e aleijados, que eu tanto odeio, então que suba pelo túnel da água e os ataque. É por isso que se diz: “Os cegos e os aleijados não podem entrar na casa de Deus.”
9 Alzo woonde David in den burg en noemde dien Davids stad. En David bouwde rondom van Millo af en binnenwaarts.
9 Davi ficou morando na fortaleza e a chamou de Cidade de Davi. Em volta ele construiu defesas que iam desde o aterro que ficava no lado leste da cidade até o palácio.
10 David nu ging geduriglijk voort, en werd groot; want de HEERE, de God der heirscharen, was met hem.
10 E Davi ia ficando cada vez mais forte porque o Senhor , o Deus Todo-Poderoso, estava com ele.
11 En Hiram, de koning van Tyrus, zond boden tot David, en cederenhout, en timmerlieden, en metselaars; en zij bouwden David een huis.
11 O rei Hirão, da cidade de Tiro, enviou embaixadores a Davi. Ele mandou toras de cedro e também carpinteiros e pedreiros, e eles construíram um palácio para Davi.
12 En David merkte, dat de HEERE hem tot een koning over Israel bevestigd had, en dat Hij zijn koninkrijk verheven had, om Zijns volks Israels wil.
12 E assim Davi entendeu que o Senhor o havia confirmado como rei de Israel e que, por amor ao seu povo, estava fazendo o seu reino progredir.
13 En David nam meer bijwijven, en vrouwen van Jeruzalem, nadat hij van Hebron gekomen was; en David werden meer zonen en dochteren geboren.
13 Depois que saiu da cidade de Hebrom, Davi arranjou mais concubinas e esposas em Jerusalém e com elas teve mais filhos e filhas.
14 En dit zijn de namen dergenen, die hem te Jeruzalem geboren zijn: Schammua, en Schobab, en Nathan, en Salomo.
14 Os filhos de Davi que nasceram em Jerusalém foram: Samua, Sobabe, Natã, Salomão,
15 En Ibchar, en Elischua en Nefeg, en Jafia,
15 Ibar, Elisua, Nefegue, Jafia,
16 En Elischama, en Eljade, en Elifeleth.
16 Elisama, Eliada e Elifelete.
17 Als nu de Filistijnen hoorden, dat zij David ten koning over Israel gezalfd hadden, zo togen alle Filistijnen op om David te zoeken; en David, dat horende, toog af, naar den burg.
17 Quando os filisteus souberam que Davi tinha sido ungido como rei de Israel, o seu exército saiu para prendê-lo. Quando soube disso, Davi desceu para a fortaleza .
18 En de Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaim.
18 Os filisteus chegaram ao vale dos Gigantes e o ocuparam.
19 Zo vraagde David den HEERE, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult Gij ze in mijn hand geven? En de HEERE zeide tot David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zekerlijk in uw hand geven.
19 Aí Davi perguntou a Deus, o Senhor : — Devo lutar contra os filisteus? Tu me darás a vitória? — Vá! — disse o
20 Toen kwam David te Baal-Perazim; en David sloeg hen aldaar, en zeide: De HEERE heeft mijn vijanden voor mijn aangezicht gescheurd, als een scheur der wateren; daarom noemde hij den naam derzelve plaats, Baal-Perazim.
20 Então Davi foi até Baal-Perazim e ali venceu os filisteus. Ele disse: — Como uma enchente que derruba tudo, assim o Por isso, aquele lugar é chamado de Baal-Perazim .
21 En zij lieten hun afgoden aldaar; en David en zijn mannen namen ze op.
21 Ali os filisteus abandonaram os seus ídolos, e Davi e os seus soldados os levaram embora.
22 Daarna togen de Filistijnen weder op; en zij verspreidden zich in het dal Refaim.
22 Então os filisteus voltaram para o vale dos Gigantes e o ocuparam.
23 En David vraagde den HEERE, Dewelke zeide: Gij zult niet optrekken; maar trek om tot achter hen, dat gij aan hen komt van tegenover de moerbezienbomen;
23 Mais uma vez Davi consultou o Senhor , e ele respondeu: — Não os ataque daqui. Dê a volta, vá até as amoreiras e ataque por trás.
24 En het geschiede, als gij hoort het geruis van een gang in de toppen der moerbezienbomen, dan rep u; want alsdan is de HEERE voor uw aangezicht uitgegaan, om het heirleger der Filistijnen te slaan.
24 Quando você ouvir o barulho de marcha por cima das amoreiras, fique pronto para atacar porque isso quer dizer que eu estou indo na sua frente para derrotar o exército dos filisteus.
25 En David deed alzo, gelijk als de HEERE hem geboden had; en hij sloeg de Filistijnen van Geba af, totdat gij komt te Gezer.
25 Davi fez o que o Senhor havia mandado e obrigou os filisteus a recuarem desde Geba até Gezer.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 2 Samuel 5, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.