2 Samuel 22

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 En David sprak de woorden dezes lieds tot den HEERE, ten dage als de HEERE hem verlost had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.
1 Falou Davi ao Senhor as palavras deste cântico, no dia em que o Senhor o livrou das mãos de todos os seus inimigos e das mãos de Saul.
2 Hij zeide dan: De HEERE is mij mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper.
2 E disse: O a minha cidadela, o meu libertador;
3 God is mijn Rots, ik zal op Hem betrouwen; mijn Schild en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek en mijn Toevlucht, mijn Verlosser! Van geweld hebt Gij mij verlost!
3 o meu Deus, o meu rochedo em que me refugio; o meu escudo, a força da minha salvação, o meu baluarte e o meu refúgio. Ó Deus, da violência tu me salvas.
4 Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en ik werd verlost van mijn vijanden.
4 Invoco o Senhor , digno de ser louvado, e serei salvo dos meus inimigos.
5 Want baren des doods hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij.
5 Porque ondas de morte me cercaram, torrentes de impiedade me impuseram terror;
6 Banden der hel omringden mij; strikken des doods bejegenden mij.
6 cadeias infernais me cingiram, e tramas de morte me surpreenderam.
7 Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; en Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep kwam in Zijn oren.
7 Na minha angústia, invoquei o Senhor , clamei a meu Deus; ele, do seu templo, ouviu a minha voz, e o meu clamor chegou aos seus ouvidos.
8 Toen daverde en beefde de aarde; de fondamenten des hemels beroerden zich, en daverden, omdat Hij ontstoken was.
8 Então, a terra se abalou e tremeu, vacilaram também os fundamentos dos céus e se estremeceram, porque ele se indignou.
9 Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.
9 Das suas narinas, subiu fumaça, e, da sua boca, fogo devorador; dele saíram carvões, em chama.
10 En Hij boog den hemel, en daalde neder; en donkerheid was onder Zijn voeten.
10 Baixou ele os céus, e desceu, e teve sob os pés densa escuridão.
11 En Hij voer op een cherub, en vloog, en werd gezien op de vleugelen des winds.
11 Cavalgava um querubim e voou; e foi visto sobre as asas do vento.
12 En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een samenbinding der wateren, wolken des hemels.
12 Por pavilhão pôs, ao redor de si, trevas, ajuntamento de águas, nuvens dos céus.
13 Van den glans voor Hem henen werden kolen des vuurs aangestoken.
13 Do resplendor que diante dele havia, brasas de fogo se acenderam.
14 De HEERE donderde van den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem.
14 Trovejou o Senhor desde os céus; o Altíssimo levantou a sua voz.
15 En Hij zond pijlen uit en verstrooide ze; bliksemen en verschrikte ze.
15 Despediu setas, e espalhou os meus inimigos, e raios, e os desbaratou.
16 En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des HEEREN, van het geblaas des winds van Zijn neus.
16 Então, se viu o leito das águas, e se descobriram os fundamentos do mundo, pela repreensão do pelo iroso resfolgar das suas narinas.
17 Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.
17 Do alto, me estendeu ele a mão e me tomou; tirou-me das muitas águas.
18 Hij verloste mij van mijn sterken vijand, van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.
18 Livrou-me do forte inimigo, dos que me aborreciam, porque eram mais poderosos do que eu.
19 Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij een Steunsel.
19 Assaltaram-me no dia da minha calamidade, mas o
20 En Hij voerde mij uit in de ruimte, en rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.
20 Trouxe-me para um lugar espaçoso; livrou-me, porque ele se agradou de mim.
21 De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid; Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.
21 Retribuiu-me o Senhor segundo a minha justiça, recompensou-me conforme a pureza das minhas mãos.
22 Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.
22 Pois tenho guardado os caminhos do Senhor e não me apartei perversamente do meu Deus.
23 Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen, daarvan week ik niet af.
23 Porque todos os seus juízos me estão presentes, e dos seus estatutos não me desviei.
24 Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
24 Também fui inculpável para com ele e me guardei da iniquidade.
25 Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinigheid, voor Zijn ogen.
25 Daí, retribuir-me o Senhor segundo a minha justiça, segundo a minha pureza diante dos seus olhos.
26 Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren; bij den oprechten held houdt Gij U oprecht.
26 Para com o benigno, benigno te mostras; com o íntegro, também íntegro.
27 Bij den reine houdt Gij U rein; maar bij den verkeerde houdt Gij U verdraaid.
27 Com o puro, puro te mostras; com o perverso, inflexível.
28 En Gij verlost het bedrukte volk; maar Uw ogen zijn tegen de hogen, Gij zult hen vernederen.
28 Tu salvas o povo humilde, mas, com um lance de vista, abates os altivos.
29 Want Gij zijt mijn Lamp, o HEERE, en de HEERE doet mijn duisternis opklaren.
29 Tu, Senhor , és a minha lâmpada; o
30 Want met U loop ik door een bende; met mijn God spring ik over een muur.
30 Pois contigo desbarato exércitos, com o meu Deus, salto muralhas.
31 Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.
31 O caminho de Deus é perfeito; a palavra do ele é escudo para todos os que nele se refugiam.
32 Want wie is God, behalve de HEERE, en wie is een rotssteen, behalve onze God?
32 Pois quem é Deus, senão o Senhor ? E quem é rochedo, senão o nosso Deus?
33 God is mijn Sterkte en Kracht; en Hij heeft mijn weg volkomen geopend.
33 Deus é a minha fortaleza e a minha força e ele perfeitamente desembaraça o meu caminho.
34 Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en stelt mij op mijn hoogten.
34 Ele deu a meus pés a ligeireza das corças e me firmou nas minhas alturas.
35 Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.
35 Ele adestrou as minhas mãos para o combate, de sorte que os meus braços vergaram um arco de bronze.
36 Ook hebt Gij mij gegeven het schild Uws heils, en door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt.
36 Também me deste o escudo do teu salvamento, e a tua clemência me engrandeceu.
37 Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij; en mijn enkelen hebben niet gewankeld.
37 Alongaste sob meus passos o caminho, e os meus pés não vacilaram.
38 Ik vervolgde mijn vijanden, en verdelgde hen, en keerde niet weder, totdat ik ze verdaan had.
38 Persegui os meus inimigos, e os derrotei, e só voltei depois de haver dado cabo deles.
39 En ik verteerde hen, en doorstak ze, dat zij niet weder opstonden; maar zij vielen onder mijn voeten.
39 Acabei com eles, esmagando-os a tal ponto, que não puderam levantar-se; caíram sob meus pés.
40 Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.
40 Pois de força me cingiste para o combate e me submeteste os que se levantaram contra mim.
41 En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, mijner haters, en ik vernielde hen.
41 Também puseste em fuga os meus inimigos, e os que me odiaram, eu os exterminei.
42 Zij zagen uit, maar er was geen verlosser; naar den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
42 Olharam, mas ninguém lhes acudiu, sim, para o
43 Toen vergruisde ik hen als stof der aarde; ik stampte ze, ik breidde hen uit als slijk der straten.
43 Então, os moí como o pó da terra; esmaguei-os e, como a lama das ruas, os amassei.
44 Ook hebt Gij mij uitgeholpen van de twisten mijns volks, Gij hebt mij bewaard tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.
44 Das contendas do meu povo me livraste e me fizeste cabeça das nações; povo que não conheci me serviu.
45 Vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen; zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.
45 Os estrangeiros se me sujeitaram; ouvindo a minha voz, me obedeceram.
46 Vreemden zijn vervallen, en hebben zich aangegord uit hun sloten.
46 Sumiram-se os estrangeiros e das suas fortificações saíram espavoridos.
47 De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen; en verhoogd zij God, de Rotssteen mijns heils!
47 Vive o Senhor , e bendita seja a minha Rocha! Exaltado seja o meu Deus, a Rocha da minha salvação!
48 De God, Die mij volkomene wraak geeft, en de volken onder mij nederwerpt;
48 O Deus que por mim tomou vingança e me submeteu povos;
49 En Die mij uitvoert van mijn vijanden; en Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man alles gewelds.
49 o Deus que me tirou dentre os meus inimigos; sim, tu que me exaltaste acima dos meus adversários e me livraste do homem violento.
50 Daarom zal ik U, o HEERE, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen.
50 Celebrar-te-ei, pois, entre as nações, ó Senhor , e cantarei louvores ao teu nome.
51 Hij is een Toren der verlossingen Zijns konings, en Hij doet goedertierenheid aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid.
51 É ele quem dá grandes vitórias ao seu rei e usa de benignidade para com o seu ungido, com Davi e sua posteridade, para sempre.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 2 Samuel 22, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.