2 Samuel 10

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 En het geschiedde daarna, dat de koning der kinderen Ammons stierf, en zijn zoon Hanun werd koning in zijn plaats.
1 Algum tempo depois morreu o rei Naás, do país de Amom, e o seu filho Hanum se tornou rei.
2 Toen zeide David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, den zoon van Nahas, gelijk als zijn vader weldadigheid aan mij gedaan heeft. Zo zond David heen, om hem door den dienst zijner knechten te troosten over zijn vader. En de knechten van David kwamen in het land van de kinderen Ammons.
2 E Davi disse: — Eu serei bondoso com Hanum, assim como Naás, o seu pai, foi bondoso comigo. Então enviou mensageiros a Hanum para mostrar a sua amizade. Porém, quando os mensageiros chegaram à cidade de Rabá,
3 Toen zeiden de vorsten der kinderen Ammons tot hun heer Hanun: Eert David uw vader in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Heeft David zijn knechten niet daarom tot u gezonden, dat hij deze stad doorzoeke, en die verspiede, en die omkere?
3 as autoridades amonitas disseram ao seu rei: — O senhor pensa que é em honra do seu pai que Davi enviou estes homens para mostrar amizade? É claro que não! Ele os mandou aqui como espiões a fim de conhecerem a cidade, para poderem destruí-la.
4 Toen nam Hanun Davids knechten, en schoor hun baard half af, en sneed hun klederen half af, tot aan hun billen; en hij liet hen gaan.
4 Então Hanum pegou os mensageiros de Davi, raspou um lado da barba deles, cortou as suas roupas até a altura das nádegas e os mandou embora.
5 Als zij dit David lieten weten, zo zond hij hun tegemoet; want deze mannen waren zeer beschaamd. En de koning zeide: Blijft te Jericho, totdat uw baard weder gewassen zal zijn, komt dan weder.
5 Quando Davi soube disso, enviou outros mensageiros para se encontrarem com eles porque eles estavam muito envergonhados. Davi mandou lhes dizer que ficassem na cidade de Jericó e que só voltassem quando as suas barbas tivessem crescido de novo.
6 Toen nu de kinderen Ammons zagen, dat zij zich bij David stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Ammons heen, en huurden van de Syriers van Beth-Rechob, en van de Syriers van Zoba, twintig duizend voetvolks, en van den koning van Maacha duizend man, en van de mannen van Tob twaalf duizend man.
6 Os amonitas compreenderam que tinham feito de Davi um inimigo deles. Por isso, contrataram vinte mil soldados sírios das cidades de Bete-Reobe e Zoba. Também contrataram o rei da cidade de Maacá, com mil homens, e doze mil homens da cidade de Tobe.
7 Als David dit hoorde, zond hij Joab heen, en het ganse heir met de helden.
7 Davi soube disso e enviou contra eles Joabe com todos os melhores soldados do exército israelita.
8 En de kinderen Ammons togen uit, en stelden de slagorde voor de deur der poort; maar de Syriers van Zoba, en Rechob, en de mannen van Tob en Maacha waren bijzonder in het veld.
8 Os amonitas saíram e tomaram posição na entrada da cidade de Rabá enquanto os outros — os sírios de Zoba e de Reobe e os homens de Tobe e Maacá — tomaram posição em campo aberto.
9 Als nu Joab zag, dat de spits der slagorde tegen hem was, van voren en van achteren, zo verkoos hij uit alle uitgelezenen van Israel, en stelde hen in orde tegen de Syriers aan;
9 Joabe viu que as tropas inimigas os atacariam pela frente e por trás. Então escolheu os melhores soldados de Israel e os colocou de frente para os sírios.
10 En het overige des volks gaf hij onder de hand van zijn broeder Abisai, die het in orde stelde tegen de kinderen Ammons aan.
10 Deixou o resto das suas tropas sob o comando do seu irmão Abisai, que as colocou de frente para os amonitas.
11 En hij zeide: Zo de Syriers mij te sterk zullen zijn, zo zult gij mij komen verlossen; en zo de kinderen Ammons u te sterk zullen zijn, zo zal ik komen om u te verlossen.
11 E Joabe disse a Abisai: — Se você perceber que os sírios estão me vencendo, venha me ajudar; e, se os amonitas estiverem vencendo você, eu irei ajudá-lo.
12 Wees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk, en voor de steden onzes Gods; de HEERE nu doe, wat goed is in Zijn ogen.
12 Seja corajoso! Vamos lutar com firmeza pelo nosso povo e pelas cidades do nosso Deus. E que seja feita a vontade de Deus, o Senhor !
13 Toen naderde Joab, en het volk, dat bij hem was, tot den strijd tegen de Syriers; en zij vloden voor zijn aangezicht.
13 Então Joabe e os seus soldados avançaram para atacar, e os sírios fugiram.
14 Als de kinderen Ammons zagen, dat de Syriers vloden, vloden zij ook voor het aangezicht van Abisai, en kwamen in de stad. En Joab keerde weder van de kinderen Ammons, en kwam te Jeruzalem.
14 Os amonitas viram os sírios fugindo. Então também fugiram de Abisai e voltaram para dentro da cidade. E Joabe parou de lutar contra os amonitas e voltou para Jerusalém.
15 Toen nu de Syriers zagen, dat zij voor Israels aangezicht geslagen waren, zo vergaderden zij zich weder te zamen.
15 Quando os sírios viram que tinham sido vencidos pelos israelitas, reuniram de novo todas as suas tropas.
16 En Hadad-ezer zond heen, en deed de Syriers uitkomen, die op gene zijde der rivier zijn, en zij kwamen te Helam; en Sobach, Hadad-ezers krijgsoverste, toog voor hun aangezicht heen.
16 O rei Hadadezer mandou chamar os sírios que estavam no lado leste do rio Eufrates. Então eles foram até a cidade de Helã. Na frente deles ia Sobaque, o comandante do exército de Hadadezer.
17 Als dat David werd aangezegd, verzamelde hij gans Israel, en toog over de Jordaan, en kwam te Helam, en de Syriers stelden de slagorde tegen David aan, en streden met hem.
17 Quando Davi soube disso, reuniu as tropas israelitas, atravessou o rio Jordão e marchou para Helã. Lá os sírios tomaram posição de frente para os israelitas. A luta começou,
18 Maar de Syriers vloden voor Israels aangezicht, en David versloeg van de Syriers zevenhonderd wagenen, en veertig duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij aldaar stierf.
18 e os israelitas fizeram os sírios fugir. Davi e os seus soldados mataram setecentos soldados que guiavam carros de guerra e quarenta mil cavaleiros sírios. Feriram também Sobaque, o comandante inimigo, que morreu ali no campo de batalha.
19 Toen nu al de koningen, die Hadad-ezers knechten waren, zagen, dat zij voor Israels aangezicht geslagen waren, maakten zij vrede met Israel, en dienden hen; en de Syriers vreesden de kinderen Ammons meer te verlossen.
19 Quando os reis que eram chefiados por Hadadezer viram que tinham sido vencidos pelos israelitas, fizeram paz com eles, ficando debaixo do seu poder. E os sírios ficaram com medo de ajudar de novo os amonitas.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 2 Samuel 10, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.