2 Reis 2

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Het geschiedde nu, als de HEERE Elia met een onweder ten hemel opnemen zou, dat Elia met Elisa ging van Gilgal.
1 Quando o Senhor estava para tomar Elias ao céu num redemoinho, Elias saiu de Gilgal em companhia de Eliseu.
2 En Elia zeide tot Elisa: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Beth-El gezonden. Maar Elisa zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft ik zal u niet verlaten! Alzo gingen zij af naar Beth-El.
2 E Elias disse a Eliseu: — Fique aqui, porque o Mas Eliseu disse: — Tão certo como vive o E, assim, foram até Betel.
3 Toen gingen de zonen der profeten, die te Beth-El waren, tot Elisa uit, en zeiden tot hem: Weet gij, dat de HEERE heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het ook wel, zwijgt gij stil.
3 Os discípulos dos profetas que estavam em Betel saíram ao encontro de Eliseu e lhe perguntaram: — Você sabia que hoje o Ele respondeu: — Sim, também eu já sei. Mas não digam nada.
4 En Elia zeide tot hem: Elisa, blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Alzo kwamen zij te Jericho.
4 Então Elias disse a Eliseu: — Fique aqui, porque o Mas Eliseu disse: — Tão certo como vive o E, assim, foram a Jericó.
5 Toen traden de zonen der profeten, die te Jericho waren, naar Elisa toe, en zeiden tot hem: Weet gij, dat de HEERE heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het ook wel, zwijgt gij stil.
5 Então os discípulos dos profetas que estavam em Jericó se aproximaram de Eliseu e lhe perguntaram: — Você sabia que hoje o Ele respondeu: — Sim, também eu já sei. Mas não digam nada.
6 En Elia zeide tot hem: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! En zij beiden gingen henen.
6 Mais uma vez Elias disse a Eliseu: — Fique aqui, porque o Mas Eliseu disse: — Tão certo como vive o E, assim, os dois foram juntos.
7 En vijftig mannen van de zonen der profeten gingen henen, en stonden tegenover van verre; en die beiden stonden aan de Jordaan.
7 Cinquenta homens dos discípulos dos profetas foram e ficaram a certa distância, quando ambos pararam junto ao Jordão.
8 Toen nam Elia zijn mantel, en wond hem samen, en sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld; en zij beiden gingen er door op het droge.
8 Então Elias pegou o seu manto, enrolou-o e bateu com ele nas águas, as quais se dividiram para os dois lados; e ambos passaram em seco.
9 Het geschiedde nu, als zij overgekomen waren, dat Elia zeide tot Elisa: Begeer wat ik u doen zal, eer ik van bij u weggenomen worde. En Elisa zeide: Dat toch twee delen van uw geest op mij zijn!
9 Quando eles tinham passado o Jordão, Elias disse a Eliseu: — Diga o que você quer que eu faça por você, antes que eu seja levado embora. Eliseu disse: — Quero receber por herança porção dobrada do seu espírito.
10 En hij zeide: Gij hebt een harde zaak begeerd; indien gij mij zult zien, als ik van bij u weggenomen worde, het zal u alzo geschieden; doch zo niet, het zal niet geschieden.
10 Elias respondeu: — Você fez um pedido difícil. Mas, se você me vir quando eu for levado embora, será como você pede; porém, se você não me vir, não será assim.
11 En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Alzo voer Elia met een onweder ten hemel.
11 Enquanto iam caminhando e falando, eis que um carro de fogo, com cavalos de fogo, os separou um do outro, e Elias subiu ao céu num redemoinho.
12 En Elisa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israels en zijn ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijn klederen en scheurde ze in twee stukken.
12 Ao ver isso, Eliseu gritou: — Meu pai, meu pai! Carros de Israel e seus cavaleiros! E nunca mais ele viu Elias. E, pegando a sua própria roupa, rasgou-a em duas partes.
13 Hij hief ook Elia's mantel op, die van hem afgevallen was, en keerde weder, en stond aan den oever van de Jordaan.
13 Então levantou o manto de Elias, que havia caído, e voltou para a margem do Jordão.
14 En hij nam den mantel van Elia, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elia? Ja, Dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elisa ging er door.
14 Pegou o manto de Elias, que havia caído, bateu com ele nas águas e disse: — Onde está o Quando ele bateu nas águas, elas se dividiram para os dois lados, e Eliseu passou.
15 Als nu de kinderen der profeten, die tegenover te Jericho waren, hem zagen, zo zeiden zij: De geest van Elia rust op Elisa; en zij kwamen hem tegemoet, en bogen zich voor hem neder ter aarde.
15 Os discípulos dos profetas que estavam defronte, em Jericó, viram isso e disseram: — O espírito de Elias repousa sobre Eliseu. Foram ao encontro de Eliseu e se prostraram diante dele em terra.
16 En zij zeiden tot hem: Zie nu, er zijn bij uw knechten vijftig dappere mannen; laat hen toch heengaan, en uw heer zoeken, of niet misschien de Geest des HEEREN hem opgenomen, en op een der bergen, of in een der dalen hem geworpen heeft. Doch hij zeide: Zendt niet.
16 E disseram a Eliseu: — Eis que entre os seus servos há cinquenta homens valentes. Deixe-os ir em procura do seu mestre. Pode ser que o Espírito do Porém ele respondeu: — Não! Não mandem ninguém.
17 Maar zij hielden bij hem aan tot schamens toe; en hij zeide: Zendt. En zij zonden vijftig mannen, die drie dagen zochten, doch hem niet vonden.
17 Mas eles insistiram com ele, até que, constrangido, lhes disse: — Podem enviar os homens. E enviaram cinquenta homens, que o procuraram durante três dias, porém não o acharam.
18 Toen kwamen zij weder tot hem, daar hij te Jericho gebleven was; en hij zeide tot hen: Heb ik tot ulieden niet gezegd: Gaat niet?
18 Então voltaram para junto de Eliseu, que tinha ficado em Jericó. E ele lhes disse: — Eu não disse que vocês não deveriam ir?
19 En de mannen der stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de woning dezer stad is goed, gelijk als mijn heer ziet; maar het water is kwaad, en het land onvruchtbaar.
19 Os homens da cidade disseram a Eliseu: — Eis que esta cidade é bem-situada, como o senhor pode ver, porém a água não é boa, e a terra é estéril.
20 En hij zeide: Brengt mij een nieuwe schaal, en legt er zout in. En zij brachten ze tot hem.
20 Ele disse: — Tragam-me um prato novo e ponham nele sal. E eles trouxeram.
21 Toen ging hij uit tot de waterwel, en wierp het zout daarin, en zeide: Zo zegt de HEERE: Ik heb dit water gezond gemaakt, er zal geen dood noch onvruchtbaarheid meer van worden.
21 Então Eliseu foi até a fonte e jogou o sal na água. E disse: — Assim diz o
22 Alzo werd dat water gezond, tot op dezen dag, naar het woord van Elisa, dat hij gesproken had.
22 E aquela água ficou saudável, até o dia de hoje, segundo a palavra que Eliseu tinha dito.
23 En hij ging van daar op naar Beth-El. Als hij nu den weg opging, zo kwamen kleine jongens uit de stad; die bespotten hem, en zeiden tot hem: Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op!
23 Então Eliseu partiu dali para ir a Betel. Estando ele a caminho, uns rapazinhos saíram da cidade, e zombavam dele, dizendo: — Suba, seu careca! Suba, seu careca!
24 En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte hen, in den Naam des HEEREN. Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden van dezelve twee en veertig kinderen.
24 Eliseu se virou para trás, viu os rapazinhos e os amaldiçoou em nome do Senhor . Então duas ursas saíram do bosque e despedaçaram quarenta e dois deles.
25 En hij ging van daar naar den berg Karmel; en van daar keerde hij weder naar Samaria.
25 Dali Eliseu foi para o monte Carmelo, de onde voltou para Samaria.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 2 Reis 2, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.