2 Crônicas 29

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Jehizkia werd koning, vijf en twintig jaren oud zijnde, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Abia, een dochter van Zacharia.
1 Ezequias tinha vinte e cinco anos de idade quando começou a reinar e reinou vinte e nove anos em Jerusalém. A mãe dele se chamava Abia e era filha de Zacarias.
2 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader David gedaan had.
2 Ezequias fez o que era reto aos olhos do Senhor , segundo tudo o que Davi, seu pai, havia feito.
3 Dezelve deed in het eerste jaar zijner regering, in de eerste maand, de deuren van het huis des HEEREN open, en beterde ze.
3 No primeiro ano do seu reinado, no primeiro mês, abriu os portões da Casa do Senhor e os reparou.
4 En hij bracht de priesteren en de Levieten in, en hij verzamelde ze in de Ooststraat.
4 Trouxe os sacerdotes e os levitas, reuniu-os na praça leste
5 En hij zeide tot hen: Hoort mij, o Levieten; heiligt nu uzelven, en heiligt het huis des HEEREN, des Gods uwer vaderen, en brengt de onreinigheid uit van het heiligdom.
5 e lhes disse: — Escutem, levitas! Santifiquem agora a si mesmos e santifiquem a Casa do
6 Want onze vaders hebben overtreden, en gedaan dat kwaad was in de ogen des HEEREN, onzes Gods, en hebben Hem verlaten, en zij hebben hun aangezichten van den tabernakel des HEEREN omgewend, en hebben den nek toegekeerd.
6 Porque nossos pais foram infiéis e fizeram o que era mau aos olhos do Senhor , nosso Deus, e o abandonaram. Desviaram o seu rosto do tabernáculo do Senhor e lhe viraram as costas.
7 Ook hebben zij de deuren van het voorhuis toegesloten, en de lampen uitgeblust en het reukwerk niet gerookt; en het brandoffer hebben zij in het heiligdom aan de God Israels niet geofferd.
7 Também fecharam os portões do pórtico, apagaram as lâmpadas, não queimaram incenso, nem ofereceram holocaustos no santuário ao Deus de Israel.
8 Daarom is een grote toorn des HEEREN over Juda en Jeruzalem geweest; en Hij heeft hen overgegeven ter beroering, ter verwoesting en ter aanfluiting, gelijk als gij ziet met uw ogen.
8 Por isso a ira do Senhor veio sobre Judá e Jerusalém, e ele os transformou em objeto de espanto, de horror e de vaias, como vocês estão vendo com os seus próprios olhos.
9 Want ziet, onze vaders zijn door het zwaard gevallen; daartoe onze zonen, en onze dochteren, en onze vrouwen zijn daarom in gevangenis geweest.
9 Porque eis que os nossos pais caíram à espada, e, por isso, os nossos filhos, as nossas filhas e as nossas mulheres foram para o cativeiro.
10 Nu is het in mijn hart een verbond te maken met den HEERE, den God Israels, opdat de hitte Zijns toorns van ons afkere.
10 — Agora estou resolvido a fazer uma aliança com o Senhor , Deus de Israel, para que o furor da sua ira se afaste de nós.
11 Mijn zonen, weest nu niet traag; want de HEERE heeft u verkoren, dat gij voor Zijn aangezicht staan zoudt, om Hem te dienen; en opdat gij Hem dienaars en wierokers zoudt wezen.
11 Meus filhos, não sejam negligentes, pois o Senhor os escolheu para estarem diante dele para o servirem, para serem os seus ministros e queimarem incenso.
12 Toen maakten zich de Levieten op, Mahath, de zoon van Amasai, en Joel, de zoon van Azarja, van de kinderen der Kahathieten; en van de kinderen van Merari, Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehaleel; en van de Gersonieten, Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah;
12 Então se levantaram os seguintes levitas: Maate, filho de Amasai, e Joel, filho de Azarias, dos filhos dos coatitas; Quis, filho de Abdi, e Azarias, filho de Jealelel, dos filhos de Merari; Joá, filho de Zima, e Éden, filho de Joá, dos filhos de Gérson;
13 En van de kinderen van Elizafan, Simri en Jeiel; en van de kinderen van Asaf, Zecharja en Mattanja;
13 Sinri e Jeuel, dos filhos de Elisafã; Zacarias e Matanias, dos filhos de Asafe;
14 En van de kinderen van Heman, Jehiel en Simei; en van de kinderen van Jeduthun, Semaja en Uzziel.
14 Jeuel e Simei, dos filhos de Hemã; Semaías e Uziel, dos filhos de Jedutum.
15 En zij verzamelden hun broederen, en heiligden zich, en kwamen, naar het gebod des konings, door de woorden des HEEREN, om het huis des HEEREN te reinigen.
15 Congregaram os seus irmãos, santificaram-se e vieram, cumprindo a ordem do rei, segundo as palavras do Senhor , para purificar a Casa do Senhor .
16 Maar de priesteren gingen binnen in het huis des HEEREN, om dat te reinigen, en zij brachten uit in het voorhof van het huis des HEEREN al de onreinigheid, die zij in den tempel des HEEREN vonden; en de Levieten namen ze op, om naar buiten uit te brengen, in de beek Kidron.
16 Os sacerdotes entraram na Casa do Senhor , para a purificar, e tiraram para fora, ao pátio da Casa do Senhor , todas as coisas impuras que encontraram no templo do Senhor . E os levitas pegaram essas coisas e as levaram para fora, ao vale do Cedrom.
17 Zij begonnen nu te heiligen op den eersten der eerste maand, en op den achtsten dag der maand kwamen zij in het voorhuis des HEEREN, en heiligden het huis des HEEREN in acht dagen; en op den zestienden dag der eerste maand maakten zij een einde.
17 Começaram a santificar no primeiro dia do primeiro mês e no oitavo dia do mês chegaram ao pórtico do Senhor . Em oito dias santificaram a Casa do Senhor e no décimo sexto dia do mês terminaram.
18 Daarna kwamen zij binnen tot den koning Hizkia, en zeiden: Wij hebben het gehele huis des HEEREN gereinigd, mitsgaders het brandofferaltaar met al zijn gereedschap, en de tafel der toerichting met al haar gereedschap.
18 Então foram falar com o rei Ezequias no palácio e disseram: — Já purificamos toda a Casa do
19 Alle gereedschap ook, dat de koning Achaz, onder zijn koninkrijk, door zijn overtreding weggeworpen had, hebben wij bereid en geheiligd; en zie, zij zijn voor het altaar des HEEREN.
19 Também todos os objetos que o rei Acaz, em sua infidelidade, jogou fora durante o seu reinado, nós já preparamos e santificamos; e eis que estão diante do altar do Senhor .
20 Toen maakte zich de koning Jehizkia vroeg op, en verzamelde de oversten der stad, en hij ging op in het huis des HEEREN.
20 Então o rei Ezequias se levantou de madrugada, reuniu os chefes da cidade e subiu à Casa do Senhor .
21 En zij brachten zeven varren, en zeven rammen, en zeven lammeren, en zeven geitenbokken ten zondoffer voor het koninkrijk, en voor het heiligdom, en voor Juda; en hij zeide tot de zonen van Aaron, de priesteren, dat zij die op het altaar des HEEREN zouden offeren.
21 Mandou trazer sete novilhos, sete carneiros, sete cordeiros e sete bodes, como oferta pelo pecado a favor do reino, do santuário e de Judá; e ordenou aos filhos de Arão, os sacerdotes, que os oferecessem sobre o altar do Senhor .
22 Zo slachtten zij de runderen, en de priesters ontvingen het bloed, en sprengden het op het altaar; zij slachtten ook de rammen, en sprengden het bloed op het altaar; insgelijks slachtten zij de lammeren, en sprengden het bloed op het altaar.
22 Mortos os novilhos, os sacerdotes pegaram o sangue e o aspergiram sobre o altar; mataram os carneiros e aspergiram o sangue sobre o altar; também mataram os cordeiros e aspergiram o sangue sobre o altar.
23 Daarna brachten zij de bokken bij, ten zondoffer, voor het aangezicht des konings en der gemeente, en zij legden hun handen op dezelve.
23 Para oferta pelo pecado, trouxeram os bodes diante do rei e da congregação, e estes puseram as mãos sobre eles.
24 En de priesteren slachtten ze, en ontzondigden met derzelver bloed op het altaar, om verzoening te doen voor het ganse Israel; want de koning had dat brandoffer en dat zondoffer voor gans Israel bevolen.
24 Os sacerdotes os mataram e, com o sangue, fizeram uma oferta pelo pecado, ao pé do altar, para expiação de todo o Israel, porque o rei havia ordenado que se fizesse aquele holocausto e oferta pelo pecado, por todo o Israel.
25 En hij stelde de Levieten in het huis des HEEREN, met cimbalen, met luiten en harpen, naar het gebod van David, en van Gad, den ziener des konings, en van Nathan, den profeet; want dit gebod was van de hand des HEEREN, door de hand Zijner profeten.
25 Também pôs os levitas na Casa do Senhor com címbalos, liras e harpas, segundo o mandado de Davi e de Gade, o vidente do rei, e do profeta Natã. Porque este mandado veio do Senhor , por meio de seus profetas.
26 De Levieten nu stonden met de instrumenten van David, en de priesters met de trompetten.
26 Os levitas estavam em pé com os instrumentos musicais de Davi, e os sacerdotes tinham as trombetas.
27 En Hizkia beval, dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; ten tijde nu, als dat brandoffer begon, begon het gezang des HEEREN met de trompetten en met de instrumenten van David, den koning van Israel.
27 Ezequias ordenou que oferecessem o holocausto sobre o altar. No momento em que começou o holocausto, começou também o cântico ao Senhor com as trombetas, ao som dos instrumentos musicais de Davi, rei de Israel.
28 De ganse gemeente nu boog zich neder, als men het gezang zong, en met trompetten trompette; dit alles totdat het brandoffer voleind was.
28 Toda a congregação se prostrou, quando se entoava o cântico, e as trombetas soavam; tudo isto até findar-se o holocausto.
29 Als men nu geeindigd had te offeren, bukten de koning en allen, die bij hem gevonden waren, en bogen zich neder.
29 Depois que eles terminaram de oferecer o sacrifício, o rei e todos os que estavam com ele se prostraram e adoraram.
30 Daarna zeide de koning Jehizkia, en de oversten, tot de Levieten, dat zij den HEERE loven zouden, met de woorden van David en van Asaf, den ziener; en zij loofden tot blijdschap toe; en neigden hun hoofden, en bogen zich neder.
30 Então o rei Ezequias e os chefes ordenaram aos levitas que louvassem o Senhor com as palavras de Davi e de Asafe, o vidente. Eles o fizeram com alegria, e se inclinaram, e adoraram.
31 En Jehizkia antwoordde en zeide: Nu hebt gij uw handen den HEERE gevuld, treedt toe, en brengt slachtofferen en lofofferen tot het huis des HEEREN; en de gemeente bracht slachtofferen en lofofferen en alle vrijwilligen van harte brandofferen.
31 Ezequias tomou a palavra e disse: — Agora vocês se consagraram ao A congregação trouxe sacrifícios e ofertas de ação de graças, e todos os que estavam de coração disposto trouxeram holocaustos.
32 En het getal der brandofferen, die de gemeente bracht, was zeventig runderen, honderd rammen, tweehonderd lammeren; deze alle den HEERE ten brandoffer.
32 O número dos holocaustos que a congregação trouxe foi de setenta bois, cem carneiros e duzentos cordeiros; tudo isto em holocausto para o Senhor .
33 Nog waren der geheiligde dingen zeshonderd runderen en drie duizend schapen.
33 Também foram consagrados seiscentos bois e três mil ovelhas.
34 Doch van de priesteren waren er te weinig, en zij konden al den brandofferen de huid niet aftrekken; daarom hielpen hen hun broederen, de Levieten, totdat het werk geeindigd was, en totdat de andere priesters zich geheiligd hadden; want de Levieten waren rechter van hart, om zich te heiligen, dan de priesteren.
34 Os sacerdotes, porém, eram muito poucos e não conseguiam tirar a pele de todos os holocaustos. Por isso os seus irmãos, os levitas, os ajudaram, até findar-se a obra e até que os outros sacerdotes se santificaram. Porque os levitas foram mais retos de coração, para se santificarem, do que os sacerdotes.
35 En ook waren de brandofferen in menigte, met het vet der dankofferen, en met de drankofferen, voor de brandofferen; alzo werd de dienst van het huis des HEEREN besteld.
35 Além dos holocaustos em abundância, houve também a gordura das ofertas pacíficas e as libações para os holocaustos. Assim se restabeleceu o ministério da Casa do
36 Jehizkia nu en al het volk verblijdden zich over hetgeen God het volk voorbereid had; want deze zaak geschiedde haastelijk.
36 Ezequias e todo o povo se alegraram com o que Deus tinha feito pelo povo, porque esta obra foi feita em pouco tempo.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 2 Crônicas 29, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.