2 Crônicas 28

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Achaz was twintig jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen des HEEREN, gelijk zijn vader David;
1 Acaz tinha vinte anos de idade quando começou a reinar e reinou dezesseis anos em Jerusalém. Não fez o que era reto aos olhos do Senhor , ao contrário de Davi, seu pai.
2 Maar hij wandelde in de wegen der koningen van Israel; daartoe maakte hij ook gegotene beelden voor de Baals.
2 Andou nos caminhos dos reis de Israel e até fez imagens fundidas aos baalins.
3 Dezelve rookte ook in het dal des zoons van Hinnom; en hij brandde zijn zonen in het vuur, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels uit de bezitting verdreven had.
3 Também queimou incenso no vale de Ben-Hinom e queimou os seus próprios filhos, segundo as abominações dos gentios, que o Senhor havia expulsado de diante dos filhos de Israel.
4 Ook offerde hij en rookte op de hoogten en op de heuvelen, mitsgaders onder alle groen geboomte.
4 Também sacrificou e queimou incenso nos lugares altos, nas colinas e debaixo de toda árvore frondosa.
5 Daarom gaf hem de HEERE, zijn God, in de hand des konings van Syrie, dat zij hem sloegen, en van hem gevankelijk wegvoerden een grote menigte van gevangenen, die zij te Damaskus brachten. En hij werd ook gegeven in de hand des konings van Israel, die hem sloeg met een groten slag.
5 Por isso o Senhor , seu Deus, o entregou nas mãos do rei dos sírios, os quais o derrotaram e fizeram uma grande multidão de prisioneiros, que foram levados para Damasco. Acaz também foi entregue nas mãos do rei de Israel, que lhe impôs grande derrota.
6 Want Pekah, de zoon van Remalia, sloeg in Juda honderd en twintig duizend dood op een dag, allen strijdbare mannen, omdat zij den HEERE, den God hunner vaderen, verlaten hadden.
6 Num só dia, Peca, filho de Remalias, matou em Judá cento e vinte mil, todos homens poderosos, por terem abandonado o Senhor , Deus de seus pais.
7 En Zichri, een geweldig man van Efraim, sloeg Maaseja, den zoon des konings, dood, en Azirkam, den huisoverste, mitsgaders Elkana, den tweede na den koning.
7 Zicri, homem valente de Efraim, matou Maaseias, filho do rei, Azricão, alto oficial do palácio, e Elcana, o segundo depois do rei.
8 En de kinderen Israels voerden van hun broederen gevankelijk weg tweehonderd duizend, vrouwen, zonen en dochteren, en plunderden ook veel roofs van hen; en zij brachten den roof te Samaria.
8 Os filhos de Israel levaram presos de Judá, seu povo irmão, duzentos mil: mulheres, filhos e filhas. Saquearam também muitos despojos, que levaram para Samaria.
9 Aldaar nu was een profeet des HEEREN, wiens naam was Oded; die ging uit, het heir tegen, dat naar Samaria kwam, en zeide tot hen: Ziet, door de grimmigheid des HEEREN, des Gods uwer vaderen, over Juda, heeft Hij hen in uw hand gegeven, en gij hebt hen doodgeslagen in toornigheid, die tot aan den hemel raakt.
9 Havia em Samaria um profeta do Senhor , cujo nome era Odede. Ele saiu ao encontro do exército que voltava para Samaria e lhe disse: — Eis que o
10 Daartoe denkt gij nu de kinderen van Juda en Jeruzalem u tot slaven en slavinnen te onderwerpen; zijt gij het niet alleenlijk? Bij ulieden zijn schulden tegen den HEERE, uw God.
10 Agora vocês estão querendo fazer dos filhos de Judá e de Jerusalém os seus escravos e as suas escravas. Será que vocês não são culpados diante do Senhor , seu Deus?
11 Nu dan, hoort mij, en brengt de gevangenen weder, die gij van uw broederen gevankelijk weggevoerd hebt; want de hitte van des HEEREN toorn is over u.
11 Agora escutem o que vou dizer e mandem de volta os prisioneiros que vocês fizeram entre os seus irmãos, porque o furor da ira do Senhor está sobre vocês.
12 Toen maakten zich mannen op van de hoofden der kinderen van Efraim, Azaria, de zoon van Johanan, Berechja, de zoon van Mesillemoth en Jehizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Hadlai, tegen degenen, die uit het heir kwamen.
12 Então alguns dos chefes dos filhos de Efraim, a saber, Azarias, filho de Joanã, Berequias, filho de Mesilemote, Jeizquias, filho de Salum, e Amasa, filho de Hadlai, se levantaram contra os que voltavam da guerra
13 En zij zeiden tot hen: Gij zult deze gevangenen hier niet inbrengen, tot een schuld over ons tegen den HEERE; denkt gijlieden toe te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij vele schulden hebben, en de hitte des toorns over Israel is?
13 e lhes disseram: — Não tragam esses prisioneiros para cá, porque vocês estão querendo aumentar ainda mais os nossos pecados e a nossa culpa diante do
14 Toen lieten de toegerusten de gevangenen en de roof voor het aangezicht der oversten en der ganse gemeente.
14 Então os homens armados deixaram os prisioneiros e o despojo diante dos chefes e de toda a congregação.
15 De mannen nu, die met namen uitgedrukt zijn, maakten zich op, en grepen de gevangenen, en kleedden van den roof al hun naakten; en zij kleedden hen, en schoeiden hen, en spijsden hen, en drenkten hen, en zalfden hen, en voerden ze op ezelen, allen die zwak waren, en brachten hen te Jericho, de Palmstad, bij hun broederen; daarna keerden zij weder naar Samaria.
15 Os homens que foram citados nominalmente se levantaram, cuidaram dos prisioneiros e, com as roupas que estavam no meio dos despojos, vestiram todos os que estavam nus. Deram-lhes roupas, sandálias, comida, bebida, e os ungiram. Fizeram montar em jumentos todos os que estavam fracos, e os levaram até Jericó, a cidade das palmeiras, a seus irmãos. Então voltaram para Samaria.
16 Ter zelfder tijd zond de koning Achaz tot de koningen van Assyrie, dat zij hem helpen zouden.
16 Naquele tempo, o rei Acaz mandou pedir aos reis da Assíria que o ajudassem,
17 Daarenboven waren ook de Edomieten gekomen, en hadden Juda geslagen en gevangenen gevankelijk weggevoerd.
17 porque, de novo, os edomitas tinham vindo e derrotado Judá, levando alguns prisioneiros.
18 Daartoe waren de Filistijnen in de steden der laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-Semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden aldaar.
18 Também os filisteus atacaram as cidades da Sefelá e do sul de Judá. Tomaram Bete-Semes, Aijalom, Gederote, Socó e suas aldeias, Timna e suas aldeias e Ginzo e suas aldeias; e ficaram morando ali.
19 Want de HEERE vernederde Juda, om der wille van Achaz, den koning Israels; want hij had Juda afgetrokken, dat het gans zeer overtrad tegen den HEERE.
19 Porque o Senhor humilhou Judá por causa do rei Acaz, porque este havia permitido que Judá caísse em imoralidade e foi completamente infiel ao Senhor .
20 En Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrie, kwam tot hem; doch hij benauwde hem, en sterkte hem niet.
20 O rei Tiglate-Pileser, da Assíria, atendeu o pedido de Acaz. Porém, em vez de ajudá-lo, deixou-o num aperto ainda maior.
21 Want Achaz nam een deel van het huis des HEEREN, en van het huis des konings en der vorsten, hetwelk hij den koning van Assyrie gaf; maar hij hielp hem niet.
21 Porque Acaz pegou objetos da Casa do Senhor , do palácio real e das casas dos príncipes e os deu ao rei da Assíria; porém isso não lhe serviu de nada.
22 Ja, ter tijd, als men hem benauwde, zo maakte hij des overtredens tegen den HEERE nog meer; dit was de koning Achaz.
22 No tempo da sua angústia, foi ainda mais infiel ao Senhor ; ele mesmo, o rei Acaz.
23 Want hij offerde den goden van Damaskus, die hem geslagen hadden, en zeide: Omdat de goden der koningen van Syrie hen helpen, zal ik hun offeren, opdat zij mij ook helpen; maar zij waren hem tot zijn val, mitsgaders aan gans Israel.
23 Ofereceu sacrifícios aos deuses de Damasco, que o derrotaram, pois pensava: “Visto que os deuses dos reis da Síria os ajudam, eu lhes oferecerei sacrifícios para que ajudem a mim também.” Porém eles foram a sua ruína e a de todo o Israel.
24 En Achaz verzamelde de vaten van het huis Gods, en hieuw de vaten van het huis Gods in stukken, en sloot de deuren van het huis des HEEREN toe; daartoe maakte hij zich altaren in alle hoeken van Jeruzalem.
24 Acaz ajuntou os utensílios da Casa de Deus, os quebrou em pedaços e fechou os portões da Casa do Senhor ; e fez para si altares em todos os cantos de Jerusalém.
25 Ook maakte hij in elke stad van Juda hoogten, om anderen goden te roken; alzo verwekte hij den HEERE, zijner vaderen God, tot toorn.
25 Em cada cidade de Judá construiu lugares altos para queimar incenso a outros deuses e assim provocou à ira o Senhor , Deus de seus pais.
26 Het overige nu der geschiedenissen, en al zijn wegen, de eerste en de laatste, ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Juda en Israel.
26 Quanto aos demais atos de Acaz e a todos os seus caminhos, tanto os primeiros como os últimos, está tudo escrito no Livro da História dos Reis de Judá e de Israel.
27 En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad te Jeruzalem; maar zij brachten hem niet in de graven der koningen van Israel; en zijn zoon Jehizkia werd koning in zijn plaats.
27 Acaz morreu e foi sepultado na cidade de Jerusalém, mas não nos túmulos dos reis de Israel. E Ezequias, seu filho, reinou em seu lugar.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 2 Crônicas 28, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.