2 Crônicas 26

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Toen nam het ganse volk van Juda Uzzia (die nu zestien jaren oud was), en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amazia.
1 Todo o povo de Judá tomou Uzias, que tinha dezesseis anos de idade, e o constituiu rei em lugar de Amazias, seu pai.
2 Dezelve bouwde Eloth, en bracht ze weder aan Juda, nadat de koning met zijn vaderen ontslapen was.
2 Depois da morte de seu pai, Uzias reconstruiu Elate e a restituiu a Judá.
3 Zestien jaren was Uzzia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jecholia, van Jeruzalem.
3 Uzias tinha dezesseis anos de idade quando começou a reinar e reinou cinquenta e dois anos em Jerusalém. A mãe dele se chamava Jecolias e era de Jerusalém.
4 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader Amazia gedaan had.
4 Ele fez o que era reto aos olhos do Senhor , segundo tudo o que Amazias, seu pai, havia feito.
5 Want hij begaf zich om God te zoeken, in de dagen van Zacharia, die verstandig was in de gezichten Gods; in de dagen nu, dat hij den HEERE zocht, maakte hem God voorspoedig.
5 Propôs-se buscar a Deus nos dias de Zacarias, que era sábio nas visões de Deus. Enquanto Uzias buscou o Senhor , Deus o fez prosperar.
6 Want hij toog uit, en krijgde tegen de Filistijnen, en brak den muur van Gath, en den muur van Jabne, en den muur van Asdod; daartoe bouwde hij steden in Asdod, en onder de Filistijnen.
6 Ele foi e guerreou contra os filisteus. Destruiu as muralhas de Gate, de Jabné e de Asdode. Construiu cidades no território de Asdode e entre os filisteus.
7 En God hielp hem tegen de Filistijnen, en tegen de Arabieren, die te Gur-Baal woonden, en tegen de Meunieten.
7 Deus o ajudou contra os filisteus, contra os árabes que moravam em Gur-Baal e contra os meunitas.
8 En de Ammonieten gaven Uzzia geschenken; en zijn naam ging tot den ingang van Egypte, want hij sterkte zich ten hoogste.
8 Os amonitas pagavam tributo a Uzias, que chegou a ser tão poderoso que a sua fama se espalhou até a entrada do Egito.
9 Daartoe bouwde Uzzia torens te Jeruzalem, aan de Hoekpoort en aan de Dalpoort, en aan de hoeken; en hij sterkte ze.
9 Uzias construiu torres em Jerusalém, junto ao Portão da Esquina, junto ao Portão do Vale e junto ao Portão do Ângulo e as fortificou.
10 Hij bouwde ook torens in de woestijn, en hieuw vele putten uit, overmits hij veel vee had, beide in de laagten en in de effene velden; akkerlieden en wijngaardeniers op de bergen en op de vruchtbare velden; want hij was een liefhebber van den land bouw.
10 Também construiu torres no deserto e cavou muitas cisternas, porque tinha muito gado, tanto na Sefelá como nas campinas. Tinha lavradores e vinhateiros, nos montes e nos campos férteis, porque era amigo da agricultura.
11 Verder had Uzzia een heirkracht van geoefenden ten oorlog, uittrekkende ten heire bij benden, naar het getal hunner monstering, daar de hand van Jeiel, den schrijver, en Mahaseja, den ambtman; onder de hand van Hananja, een van de vorsten des konings.
11 Uzias tinha um exército de homens preparados para a guerra, que saíam para a batalha em tropas, segundo a lista feita pelo escrivão Jeiel e pelo oficial Maaseias, sob a direção de Hananias, um dos oficiais do rei.
12 Het gehele getal van de hoofden der vaderen, der strijdbare helden, was twee duizend en zeshonderd.
12 O número total dos chefes das famílias, homens valentes, era de dois mil e seiscentos.
13 En onder hun hand was een krijgsheir van driehonderd zeven duizend en vijfhonderd, die met strijdbare kracht zich ten oorlog oefenden, om den koning tegen den vijand te helpen.
13 Debaixo das suas ordens, havia um exército guerreiro de trezentos e sete mil e quinhentos homens, que faziam a guerra com grande poder, para ajudar o rei contra os seus inimigos.
14 En Uzzia bereidde voor hen, voor het ganse heir, schilden, en spiesen, en helmen, en pantsieren, en bogen, zelfs tot de slingerstenen toe.
14 Uzias preparou para todo o exército escudos, lanças, capacetes, couraças e arcos e até fundas para atirar pedras.
15 Hij maakte ook te Jeruzalem kunstige werken, bedenking van kunstige werkmeesters, dat zij op de torens en op de hoeken zijn zouden, om met pijlen en met grote stenen, te schieten; zo ging zijn naam tot verre toe uit, want hij werd wonderlijk geholpen, totdat hij sterk was.
15 Em Jerusalém ele fabricou máquinas, inventadas por homens peritos, que foram colocadas nas torres e nos cantos das muralhas, para atirarem flechas e grandes pedras. A fama de Uzias se espalhou até muito longe, porque ele foi maravilhosamente ajudado, até se tornar muito poderoso.
16 Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdervens toe, en hij overtrad tegen den HEERE, zijn God; want hij ging in den tempel des HEEREN, om te roken op het reukaltaar.
16 Mas, depois que Uzias se tornou poderoso, o coração dele se exaltou para a sua própria ruína. Ele cometeu uma transgressão contra o Senhor , seu Deus, pois entrou no templo do Senhor para queimar incenso no altar do incenso.
17 Doch Azaria, de priester, ging hem na, en met hem des HEEREN priesters, tachtig kloeke mannen.
17 Porém o sacerdote Azarias entrou atrás dele, acompanhado de oitenta sacerdotes do Senhor , homens da maior firmeza.
18 En zij wederstonden den koning Uzzia, en zeiden tot hem: Het komt u niet toe, Uzzia, den HEERE te roken, maar den priesteren, Aarons zonen, die geheiligd zijn, om te roken; ga uit het heiligdom, want gij hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn van den HEERE God.
18 Eles enfrentaram o rei Uzias e lhe disseram: — Não compete a você, Uzias, queimar incenso diante do
19 Toen werd Uzzia toornig, en het reukwerk was in zijn hand, om te roken; als hij nu toornig werd tegen de priesteren, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd, voor het aangezicht der priesteren in het huis des HEEREN, van boven het reukaltaar.
19 Então Uzias se indignou. Ele tinha o incensário na mão para queimar incenso. No momento em que ele se indignou contra os sacerdotes, a lepra lhe saiu na testa, ali mesmo, na presença dos sacerdotes, na Casa do Senhor , junto ao altar do incenso.
20 Alstoen zag de hoofdpriester Azaria op hem, en al de priesteren en ziet, hij was melaats aan zijn voorhoofd, en zij stieten hem met der haast van daar, ja hij zelf werd ook gedreven uit te gaan, omdat de HEERE hem geplaagd had.
20 Quando o sumo sacerdote Azarias e todos os sacerdotes se voltaram para ele, eis que ele estava leproso na testa. Então apressadamente o tiraram dali, e até ele mesmo se apressou em sair, visto que o Senhor o havia ferido.
21 Alzo was de koning Uzzia melaats tot aan den dag zijns doods; en melaats zijnde, woonde hij in een afgezonderd huis, want hij was van het huis des HEEREN afgesneden; Jotham nu, zijn zoon, was over het huis des konings, richtende het volk des lands.
21 Assim, o rei Uzias ficou leproso até o dia da sua morte. E, por ser leproso, morou numa casa separada, porque foi excluído da Casa do Senhor . E Jotão, seu filho, tinha a seu encargo o palácio real, governando o povo da terra.
22 Het overige nu der geschiedenissen van Uzzia, de eerste en de laatste, heeft de profeet Jesaja, de zoon van Amos, beschreven.
22 Quanto aos demais atos de Uzias, tanto os primeiros como os últimos, o profeta Isaías, filho de Amoz, os escreveu.
23 En Uzzia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het veld van de begrafenis, die van de koningen was; want zij zeiden: hij is melaats; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
23 Uzias morreu e foi sepultado no túmulo de seus pais, num cemitério que pertencia aos reis. Porque disseram: “Ele era leproso.” E Jotão, seu filho, reinou em seu lugar.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 2 Crônicas 26, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.