2 Crônicas 24

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Joas was zeven jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zibja, van Ber-seba.
1 Joás tinha sete anos de idade quando começou a reinar e reinou quarenta anos em Jerusalém.
2 En Joas deed dat recht was in de ogen des HEEREN, al de dagen van den priester Jojada.
2 A mãe dele se chamava Zíbia e era de Berseba. Joás fez o que era reto aos olhos do Senhor todos os dias do sacerdote Joiada.
3 En Jojada nam voor hem twee vrouwen; en hij gewon zonen en dochteren.
3 Joiada lhe deu duas mulheres, e ele gerou filhos e filhas.
4 Het geschiedde nu na dezen, dat het in het hart van Joas was, het huis des HEEREN te vernieuwen.
4 Depois disto, Joás decidiu restaurar a Casa do Senhor .
5 Zo vergaderde hij de priesteren en de Levieten, en zeide tot hen: Trekt uit tot de steden van Juda, en vergadert geld van het ganse Israel, om het huis uws Gods te beteren van jaar tot jaar; en gijlieden, haast tot deze zaak; maar de Levieten haastten niet.
5 Reuniu os sacerdotes e os levitas e lhes disse: — Vão pelas cidades de Judá e levantem de todo o Israel dinheiro para que todos os anos sejam feitos reparos no templo de seu Deus; e façam isso depressa. Porém os levitas não se apressaram.
6 En de koning riep Jojada, het hoofd, en zeide tot hem: Waarom hebt gij geen onderzoek gedaan bij de Levieten, dat zij uit Juda en uit Jeruzalem inbrengen zouden de schatting van Mozes, den knecht des HEEREN, en van de gemeente van Israel, voor de tent der getuigenis?
6 Então o rei mandou chamar o sumo sacerdote Joiada e lhe perguntou: — Por que você não exigiu que os levitas trouxessem de Judá e de Jerusalém o imposto que Moisés, servo do
7 Want als Athalia goddelooslijk handelde, hadden haar zonen het huis Gods opengebroken, ja, zelfs alle geheiligde dingen van het huis des HEEREN besteed aan de Baals.
7 Porque a perversa Atalia e os seus filhos tinham arruinado a Casa de Deus; e usaram todas as coisas sagradas da Casa do Senhor no culto aos baalins.
8 En de koning gebood, en zij maakten een kist, en stelden die buiten aan de poort van het huis des HEEREN.
8 O rei deu ordem e fizeram um cofre e o puseram do lado de fora, junto ao portão da Casa do Senhor .
9 En men deed uitroeping in Juda en in Jeruzalem, dat men den HEERE inbrengen zou de schatting van Mozes, den knecht Gods, over Israel in de woestijn.
9 Publicou-se, em Judá e em Jerusalém, que trouxessem ao Senhor o imposto que Moisés, servo de Deus, havia colocado sobre Israel, no deserto.
10 Toen verblijdden zich alle oversten en al het volk, en zij brachten in, en wierpen in de kist, totdat men voleind had.
10 Então todos os chefes e todo o povo se alegraram, trouxeram o imposto e o lançaram no cofre, até ficar cheio.
11 Het geschiedde nu ter tijd, als hij de kist, naar des konings bevel, door de hand der Levieten, inbracht, en als zij zagen, dat er veel gelds was, dat de schrijver des konings kwam, en de bestelde van de hoofdpriester, en de kist ledig maakten, en die opnamen, en die wederbrachten aan haar plaats; alzo deden zij van dag tot dag, en verzamelden geld in menigte;
11 Quando o cofre era levado pelos levitas a uma comissão real, vendo-se que havia muito dinheiro, o escrivão do rei e o comissário do sumo sacerdote esvaziavam o cofre e o levavam de novo ao seu lugar. Assim faziam dia após dia e ajuntaram dinheiro em abundância.
12 Hetwelk de koning en Jojada gaven aan dengenen, die het werk van den dienst van het huis des HEEREN verzorgden; en zij huurden houwers en timmerlieden, om het huis des HEEREN te vernieuwen, mitsgaders ook werkmeesters in ijzer en koper, om het huis des HEEREN te beteren.
12 O rei e Joiada entregavam esse dinheiro aos que dirigiam a obra e tinham a seu encargo a Casa do Senhor , que contrataram pedreiros e carpinteiros, para restaurarem a Casa do Senhor , e também os que trabalhavam em ferro e em bronze, para repararem a Casa do Senhor .
13 Zo deden de verzorgers van het werk, dat de betering des werks door hun hand toenam; en zij herstelden het huis Gods in zijn gestaltenis, en maakten het vast.
13 Os que estavam encarregados da obra trabalhavam, e a reparação tinha bom êxito com eles; restauraram a Casa de Deus no seu próprio estado e a consolidaram.
14 Als zij nu voleind hadden, brachten zij voor den koning en Jojada het overige des gelds, waarvan hij vaten maakte voor het huis des HEEREN, vaten om te dienen en te offeren, en rookschalen, en gouden en zilveren vaten; en zij offerden geduriglijk brandofferen in het huis des HEEREN al de dagen van Jojada.
14 Quando acabaram a obra, trouxeram ao rei e a Joiada o resto do dinheiro, de que se fizeram utensílios para a Casa do Senhor , objetos para o culto e para os holocaustos, taças e outros objetos de ouro e de prata. E continuamente ofereceram holocaustos na Casa do Senhor , todos os dias de Joiada.
15 En Jojada werd oud en zat van dagen, en stierf; hij was honderd en dertig jaren oud, toen hij stierf.
15 Joiada morreu após uma longa velhice; tinha cento e trinta anos de idade quando morreu.
16 En zij begroeven hem in de stad Davids, bij de koningen; want hij had goed gedaan in Israel, beide aan God en zijn huize.
16 Sepultaram-no na Cidade de Davi com os reis, porque ele tinha feito o bem em Israel e servido a Deus e ao seu templo.
17 Maar na den dood van Jojada kwamen de vorsten van Juda, en bogen zich neder voor den koning; toen hoorde de koning naar hen.
17 Depois da morte de Joiada, os chefes de Judá foram e se prostraram diante do rei, e o rei os ouviu.
18 Zo verlieten zij het huis des HEEREN, des Gods hunner vaderen, en dienden de bossen en de afgoden; toen was een grote toornigheid over Juda en Jeruzalem, om deze hun schuld.
18 Então abandonaram a Casa do Senhor , Deus de seus pais, e serviram os postes da deusa Aserá e aos ídolos. E, por esta sua culpa, veio grande ira sobre Judá e Jerusalém.
19 Doch Hij zond profeten onder hen, om hen tot den HEERE te doen wederkeren; die betuigden tegen hen, maar zij neigden de oren niet.
19 Mas o Senhor lhes enviou profetas para os reconduzir a si; estes profetas testemunharam contra eles, mas eles não quiseram ouvir.
20 En de Geest Gods toog Zacharia aan, den zoon van Jojada, den priester, die boven het volk stond, en hij zeide tot hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt gij de geboden des HEEREN? Daarom zult gij niet voorspoedig zijn; dewijl gij den HEERE verlaten hebt, zo zal Hij u verlaten.
20 Então o Espírito de Deus se apoderou de Zacarias, filho do sacerdote Joiada. Ele ficou em pé diante do povo e lhes disse: — Assim diz Deus: “Por que vocês estão transgredindo os mandamentos do
21 En zij maakten een verbintenis tegen hem, en stenigden hem met stenen door het gebod des konings, in het voorhof van het huis des HEEREN.
21 Conspiraram contra ele e o apedrejaram, por ordem do rei, no pátio da Casa do Senhor .
22 Zo gedacht de koning Joas niet der weldadigheid, die zijn vader Jojada aan hem gedaan had, maar doodde zijn zoon; dewelke, als hij stierf, zeide: De HEERE zal het zien en zoeken!
22 Assim, o rei Joás não se lembrou de como Joiada, pai de Zacarias, tinha sido bondoso com ele, e acabou matando o filho dele. Ao morrer, Zacarias disse: — O
23 Daarom geschiedde het met den omgang des jaars, dat de heirkracht van Syrie tegen hem optoog, en zij kwamen tot Juda en Jeruzalem, en verdierven uit het volk al de vorsten des volks; en zij zonden al hun roof tot den koning van Damaskus.
23 Antes de se findar o ano, o exército dos sírios atacou Joás. Invadiram Judá e Jerusalém, mataram todos os chefes do povo, e levaram os despojos ao rei de Damasco.
24 Hoewel de heirkracht van Syrie met weinig mannen kwam, evenwel gaf de HEERE in hun hand een heirkracht van grote menigte, dewijl zij den HEERE, den God hunner vaderen, verlaten hadden; alzo voerden zij de oordelen uit tegen Joas.
24 Embora o exército dos sírios não fosse grande, o Senhor permitiu que eles vencessem um exército que era muito maior, porque eles tinham abandonado o Senhor , Deus de seus pais. Assim os sírios executaram o juízo de Deus contra Joás.
25 En toen zij van hem getogen waren (want zij lieten hem in grote krankheden), maakten zijn knechten, om het bloed der zonen van den priester Jojada, een verbintenis tegen hem, en zij sloegen hem dood op zijn bed, dat hij stierf; en zij begroeven hem in de stad Davids, maar zij begroeven hem niet in de graven der koningen.
25 Quando os sírios foram embora, deixando Joás gravemente ferido, os servos de Joás conspiraram contra ele, por causa do sangue do filho do sacerdote Joiada, e o mataram em sua cama.
26 Dezen nu zijn, die een verbintenis tegen hem maakten: Zabad, de zoon van Simeath, de Ammonietische, en Jozabad, de zoon van Simrith, de Moabietische.
26 Ele foi sepultado na Cidade de Davi, mas não nos túmulos dos reis. Os que conspiraram contra Joás foram Zabade, filho de Simeate, a amonita, e Jeozabade, filho de Sinrite, a moabita.
27 Aangaande nu zijn zonen, en de grootheid van den last, hem opgelegd, en het gebouw van het huis Gods, ziet, zij zijn geschreven in de historie van het boek der koningen; en zijn zoon Amazia werd koning in zijn plaats.
27 Quanto aos filhos de Joás, às numerosas sentenças proferidas contra ele e à restauração da Casa de Deus, está tudo escrito no Livro da História dos Reis. E Amazias, filho de Joás, reinou em seu lugar.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 2 Crônicas 24, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.