2 Crônicas 13

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 In het achttiende jaar van den koning Jerobeam, zo werd Abia koning over Juda.
1 No décimo oitavo ano do reinado de Jeroboão, Abias começou a reinar sobre Judá. Ele reinou três anos em Jerusalém.
2 Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Michaja, de dochter van Uriel, van Gibea; en er was krijg tussen Abia en tussen Jerobeam.
2 A mãe dele se chamava Micaía e era filha de Uriel, de Gibeá. Também houve guerra entre Abias e Jeroboão.
3 En Abia bond den strijd aan met een heir van strijdbare helden, vierhonderd duizend uitgelezen mannen; en Jerobeam stelde tegen hem de slagorde, met achthonderd duizend uitgelezen mannen, kloeke helden.
3 Abias começou a guerra com um exército de valentes guerreiros, de quatrocentos mil homens escolhidos, e Jeroboão pôs em ordem de batalha contra ele um exército de oitocentos mil homens escolhidos, todos valentes guerreiros.
4 En Abia maakte zich op van boven den berg Zemaraim, dewelke is in het gebergte van Efraim; en hij zeide: Hoort mij toe, Jerobeam, en gans Israel!
4 Abias pôs-se em pé no alto do monte Zemaraim, que está na região montanhosa de Efraim, e gritou: — Jeroboão e todo o Israel, escutem o que vou dizer!
5 Staat het u niet toe te weten, dat de HEERE, de God Israels, het koninkrijk over Israel aan David gegeven heeft, tot in eeuwigheid, hem en zijn zonen, met een zoutverbond?
5 Será que vocês não sabem que o Senhor , o Deus de Israel, deu para sempre a Davi a soberania de Israel, a ele e aos seus filhos, por uma aliança perpétua?
6 Evenwel is Jerobeam, de zoon van Nebat, de knecht van Salomo, den zoon van David, opgestaan, en heeft gerebelleerd tegen zijn heer.
6 Contudo, Jeroboão, filho de Nebate, servo de Salomão, filho de Davi, se levantou e se rebelou contra o seu senhor.
7 Daartoe hebben zich ijdele mannen, kinderen Belials, tot hem vergaderd, en hebben zich sterk gemaakt tegen Rehabeam, den zoon van Salomo, als Rehabeam jong was en teder van hart, dat hij zich tegen hen niet kon versterken.
7 Juntaram-se a ele uns homens vadios e malignos, que desafiaram Roboão, filho de Salomão. Como Roboão era ainda jovem e indeciso, não lhes pôde resistir.
8 En nu, gij denkt u te versterken tegen het koninkrijk des HEEREN, hetwelk in de hand is der zonen van David; gij zijt wel een grote menigte, maar gij hebt gouden kalveren bij u, die u Jerobeam tot goden gemaakt heeft.
8 Agora vocês pensam que podem resistir ao reino do Senhor , que está nas mãos dos filhos de Davi. Vocês são uma grande multidão e estão trazendo com vocês os bezerros de ouro que Jeroboão fez para serem os seus deuses.
9 Hebt gij niet de priesteren des HEEREN, de zonen van Aaron, en de Levieten uitgedreven, en hebt u priesteren gemaakt, gelijk de volken der landen? Een iegelijk, die komt om zijn hand te vullen met een jong rund en zeven rammen, die wordt priester dergenen, die geen goden zijn.
9 Não é verdade que vocês expulsaram os sacerdotes do Senhor , os filhos de Arão e os levitas, e escolheram para si outros sacerdotes, como fazem os povos das outras terras? Qualquer um que vem para consagrar-se com um novilho e sete carneiros logo se torna sacerdote daqueles que não são deuses.
10 Maar ons aangaande, de HEERE is onze God, en wij hebben Hem niet verlaten; en de priesters, die den HEERE dienen, zijn de zonen van Aaron, en de Levieten zijn in het werk.
10 — Quanto a nós, o Senhor é o nosso Deus, e nunca o abandonamos. Temos sacerdotes, que ministram ao Senhor , a saber, os filhos de Arão e os levitas na sua obra.
11 En zij steken aan voor den HEERE brandofferen, op elken morgen en op elken avond, ook reukwerk van welriekende specerijen, nevens de toerichting des broods op de reine tafel, en den gouden kandelaar en zijn lampen, om die op elken avond te doen branden; want wij nemen waar de wacht des HEEREN, onzes Gods; maar gij hebt Hem verlaten.
11 Cada dia, de manhã e à tarde, oferecem holocaustos e queimam incenso aromático, colocando em ordem os pães da proposição sobre a mesa puríssima e o candelabro de ouro e as suas lâmpadas para se acenderem cada tarde, porque nós guardamos o preceito do Senhor , nosso Deus, ao passo que vocês o abandonaram.
12 Daarom ziet, God is met ons aan de spitse, en Zijn priesteren met de trompetten des geklanks, om tegen u alarmgeklank te maken; o kinderen Israels, strijdt niet tegen den HEERE, den God uwer vaderen, want gij zult geen voorspoed hebben.
12 Eis que Deus está conosco, à nossa frente, e também os seus sacerdotes, tocando com as trombetas, para darem o grito de guerra contra vocês, ó filhos de Israel. Não lutem contra o Senhor , o Deus de seus pais, porque vocês não serão bem-sucedidos.
13 Maar Jerobeam deed een achterlage omwenden, om van achter hen te komen; zo waren zij voor het aangezicht van Juda, en de achterlage was achter hen.
13 Mas Jeroboão ordenou aos que estavam de emboscada que fizessem uma volta e atacassem o exército de Abias pela retaguarda, de maneira que o seu exército estava em frente dos homens de Judá, e a emboscada vinha por detrás deles.
14 Toen nu Juda omzag, ziet, zo hadden zij den strijd voor en achter; en zij riepen tot den HEERE, en de priesters trompetten met de trompetten.
14 Quando os homens de Judá olharam, viram que a batalha estava por diante e por detrás. Então clamaram ao Senhor , e os sacerdotes tocaram as trombetas.
15 En de mannen van Juda maakten een alarmgeschrei; en het geschiedde, als de mannen van Juda een alarmgeschrei maakten, dat God Jerobeam en het ganse Israel sloeg voor Abia en Juda.
15 Os homens de Judá gritaram. Quando gritavam, Deus derrotou Jeroboão e todo o Israel diante de Abias e de Judá.
16 En de kinderen Israels vloden voor het aangezicht van Juda; en God gaf hen in hun hand.
16 Os filhos de Israel fugiram de diante de Judá, e Deus os entregou nas suas mãos.
17 Abia dan, en zijn volk, sloeg hen met een groten slag; want uit Israel vielen verslagen vijfhonderd duizend uitgelezen mannen.
17 Abias e o seu povo fizeram grande matança entre eles, de maneira que morreram quinhentos mil homens escolhidos de Israel.
18 Alzo werden de kinderen Israels vernederd te dier tijd; maar de kinderen van Juda werden machtig, dewijl zij op den HEERE, hunner vaderen God, gesteund hadden.
18 Assim, os filhos de Israel foram humilhados naquele tempo, e os filhos de Judá prevaleceram, porque confiaram no Senhor , Deus de seus pais.
19 En Abia jaagde Jerobeam achterna, en nam van hem de steden, Beth-El met haar onderhorige plaatsen, en Jesana met haar onderhorige plaatsen, en Efron met haar onderhorige plaatsen.
19 Abias perseguiu Jeroboão e lhe tomou as cidades de Betel, Jesana e Efrom, com as suas respectivas vilas.
20 En Jerobeam behield geen kracht meer in de dagen van Abia; maar de HEERE sloeg hem, dat hij stierf.
20 Jeroboão não restaurou mais o seu poder no tempo de Abias. O Senhor feriu Jeroboão, e ele morreu.
21 Zo versterkte zich Abia; en hij nam zich veertien vrouwen, en gewon twee en twintig zonen en zestien dochteren.
21 Abias, porém, se fortificou. Tomou para si catorze mulheres, e gerou vinte e dois filhos e dezesseis filhas.
22 Het overige nu der geschiedenissen van Abia, zo zijn wegen als zijn woorden, zijn beschreven in de historie van den profeet Iddo.
22 Quanto aos demais atos de Abias, tanto o que fez como o que disse, está tudo escrito no Livro da História do Profeta Ido.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 2 Crônicas 13, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.