1 Samuel 9

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Er was nu een man van Benjamin, wiens naam was Kis, een zoon van Abiel, den zoon van Zeror, den zoon van Bechorath, den zoon van Afiah, den zoon eens mans van Jemini, een dapper held.
1 Havia um homem de Benjamim, cujo nome era Quis, filho de Abiel, filho de Zeror, filho de Becorate, filho de Afias, benjamita, dono de muitos bens.
2 Die had een zoon, wiens naam was Saul, een jongeman, en schoon, ja, er was geen schoner man dan hij onder de kinderen Israels; van zijn schouderen en opwaarts was hij hoger dan al het volk.
2 Ele tinha um filho chamado Saul, moço e tão belo, que entre os filhos de Israel não havia outro mais belo do que ele. Dos ombros para cima, ele sobressaía a todo o povo.
3 De ezelinnen nu van Kis, den vader van Saul, waren verloren; daarom zeide Kis tot zijn zoon Saul: Neem nu een van de jongens met u, en maak u op, ga heen, zoek de ezelinnen.
3 E aconteceu que as jumentas de Quis, pai de Saul, se extraviaram. Então Quis disse a Saul, seu filho: — Leve agora com você um dos servos e vá procurar as jumentas.
4 Hij dan ging door het gebergte van Efraim, en hij ging door het land van Salisa, maar zij vonden ze niet; daarna gingen zij door het land van Sahalim, maar zij waren er niet; verder ging hij door het land van Jemini, doch zij vonden ze niet.
4 Eles atravessaram a região montanhosa de Efraim e a terra de Salisa, mas não as encontraram. Depois, passaram à terra de Saalim, mas as jumentas não estavam ali. Então atravessaram o território de Benjamim, mas também não as encontraram.
5 Toen zij in het land van Zuf kwamen, zeide Saul tot zijn jongen, die bij hem was: Kom en laat ons wederkeren; dat niet misschien mijn vader van de ezelinnen aflate, en voor ons bekommerd zij.
5 Quando chegaram à terra de Zufe, Saul disse ao servo que estava com ele: — Vamos voltar, porque, se não, o meu pai vai deixar de se preocupar com as jumentas para começar a se afligir por causa de nós.
6 Hij daarentegen zeide tot hem: Zie toch, er is een man Gods in deze stad, en hij is een geeerd man; al wat hij spreekt, dat komt zekerlijk; laat ons nu derwaarts gaan, misschien zal hij ons onzen weg aanwijzen, op denwelken wij gaan zullen.
6 Porém o servo respondeu: — Nesta cidade mora um homem de Deus que é muito estimado. Tudo o que ele diz acontece. Vamos agora até lá. Talvez ele possa nos mostrar o caminho que devemos seguir.
7 Toen zeide Saul tot zijn jongen: Maar zie, zo wij gaan, wat zullen wij toch dien man brengen? Want het brood is weg uit onze vaten, en wij hebben geen gaven, om den man Gods te brengen; wat hebben wij?
7 Então Saul disse ao servo: — Mas, se formos para lá, o que levaremos para aquele homem? Porque o pão que tínhamos em nossas sacolas acabou, e não temos nenhum presente para levar ao homem de Deus. Ou será que temos?
8 En de jongen antwoordde Saul verder en zeide: Zie, er vindt zich in mijn hand het vierendeel eens zilveren sikkels; dat zal ik den man Gods geven, opdat hij ons onzen weg wijze.
8 O servo respondeu a Saul: — Tenho ainda em mãos três gramas de prata, que darei ao homem de Deus, para que nos mostre o caminho.
9 (Eertijds zeide een ieder aldus in Israel, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot den ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)
9 (Antigamente, em Israel, quando alguém ia consultar a Deus, dizia: “Vamos falar com o vidente.” Porque antigamente o profeta de hoje se chamava vidente.)
10 Toen zeide Saul tot zijn jongen: Uw woord is goed, kom, laat ons gaan. En zij gingen naar de stad, waar de man Gods was.
10 Então Saul disse ao servo: — Você tem razão. Vamos lá! E foram à cidade onde morava o homem de Deus.
11 Als zij opklommen door den opgang der stad, zo vonden zij maagden, die uitgingen om water te putten; en zij zeiden tot haar: Is de ziener hier?
11 Quando subiam pela encosta da cidade, encontraram umas moças que saíam a tirar água e lhes perguntaram: — O vidente está aqui?
12 Toen antwoordden zij hun, en zeiden: Ziet, hij is voor uw aangezicht; haast u nu, want hij is heden in de stad gekomen, dewijl het volk heden een offerande heeft op de hoogte.
12 Elas responderam: — Está. Eis que ali vai ele, à sua frente. Vão depressa! Hoje ele veio à cidade, porque o povo vai oferecer um sacrifício no lugar alto.
13 Wanneer gijlieden in de stad komt, zo zult gij hem vinden, eer hij opgaat op de hoogte om te eten; want het volk zal niet eten, totdat hij komt, want hij zegent het offer, daarna eten de genodigden; daarom gaat nu op, want hem, als heden zult gij hem vinden.
13 Ao entrarem na cidade, vocês o encontrarão, antes que ele suba ao lugar alto para comer. Porque o povo não comerá enquanto ele não chegar, porque ele tem de abençoar o sacrifício, e só depois os convidados irão comer. Vão agora, porque hoje vocês o acharão.
14 Alzo gingen zij op in de stad. Toen zij in het midden der stad kwamen, ziet, zo ging Samuel uit hun tegemoet, om op te gaan naar de hoogte.
14 Então eles foram até a cidade. Quando estavam entrando, eis que Samuel saiu ao encontro deles, para subir ao lugar alto.
15 Want de HEERE had het voor Samuels oor geopenbaard, een dag eer Saul kwam, zeggende:
15 Ora, um dia antes de Saul chegar, o Senhor tinha revelado isso a Samuel, dizendo:
16 Morgen omtrent dezen tijd zal Ik tot u zenden een man uit het land van Benjamin, dien zult gij ten voorganger zalven over Mijn volk Israel; en hij zal Mijn volk verlossen uit der Filistijnen hand, want Ik heb Mijn volk aangezien, dewijl deszelfs geroep tot Mij gekomen is.
16 — Amanhã a estas horas, enviarei a você um homem da terra de Benjamim, o qual você ungirá por príncipe sobre o meu povo de Israel. E ele livrará o meu povo das mãos dos filisteus. Porque olhei para o meu povo, pois o seu clamor chegou a mim.
17 Toen Samuel Saul aanzag, zo antwoordde hem de HEERE: Zie, dit is de man, van welken Ik u gezegd heb: Deze zal over Mijn volk heersen.
17 Quando Samuel viu Saul, o Senhor lhe disse: — Eis o homem de quem lhe falei. Este dominará sobre o meu povo.
18 En Saul naderde tot Samuel in het midden der poort, en zeide: Wijs mij toch, waar is hier het huis des zieners?
18 Saul se aproximou de Samuel no meio do portão e disse: — Peço que, por favor, me mostre onde é a casa do vidente.
19 En Samuel antwoordde Saul en zeide: Ik ben de ziener; ga op voor mijn aangezicht op de hoogte, dat gijlieden heden met mij eet; zo zal ik u morgen vroeg laten gaan, en alles, wat in uw hart is, zal ik u te kennen geven.
19 Samuel respondeu a Saul: — Eu sou o vidente. Suba adiante de mim ao lugar alto. Hoje vocês comerão comigo. Pela manhã eu o deixarei ir e lhe contarei tudo o que está no seu coração.
20 Want de ezelinnen aangaande, die gij heden den derden dag verloren hebt, zet uw hart daarop niet, want zij zijn gevonden; en wiens zal zijn al het gewenste, dat in Israel is? Is het niet van u, en van het ganse huis uws vaders?
20 Quanto às jumentas que se perderam há três dias, não se preocupe com elas, porque já foram encontradas. E para quem está reservado tudo o que é precioso em Israel? Será que não é para você e para toda a casa de seu pai?
21 Toen antwoordde Saul, en zeide: Ben ik niet een zoon van Jemini, van de kleinsten der stammen van Israel? en mijn geslacht is het niet het kleinste van al de geslachten van den stam van Benjamin? Waarom spreekt gij mij dan aan met zulke woorden?
21 Então Saul respondeu: — Por acaso não sou eu um benjamita, da menor das tribos de Israel? E não é a minha família a menor de todas as famílias da tribo de Benjamim? Por que, então, você me fala com tais palavras?
22 Samuel dan nam Saul en zijn jongen, en hij bracht ze in de kamer; en hij gaf hun plaats aan het opperste der genodigden; die nu waren omtrent dertig man.
22 Samuel levou Saul e o servo dele à sala de jantar e lhes deu o lugar de honra entre os convidados, que eram cerca de trinta pessoas.
23 Toen zeide Samuel tot den kok: Lang dat stuk, hetwelk Ik u gegeven heb, waarvan ik tot u zeide: Zet het bij u weg.
23 Então Samuel disse ao cozinheiro: — Traga aquela porção que eu lhe entreguei, aquela que eu lhe pedi para deixar reservada.
24 De kok nu bracht een schouder op, met wat daaraan was, en zette het voor Saul; en hij zeide: Zie, dit is het overgeblevene; zet het voor u, eet, want het is ter bestemder tijd voor u bewaard, als ik zeide: Ik heb het volk genodigd. Alzo at Saul met Samuel op dien dag.
24 O cozinheiro pegou a coxa com o que havia nela e a pôs diante de Saul. Então Samuel disse: — Aqui está o que foi reservado. Pegue e coma, pois foi guardado para você para esta ocasião, quando eu disse: “Convidei o povo.” Assim, Saul comeu com Samuel naquele dia.
25 Daarna gingen zij af van de hoogte in de stad; en hij sprak met Saul op het dak.
25 Depois que desceram do lugar alto para a cidade, Samuel falou com Saul no terraço.
26 En zij stonden vroeg op; en het geschiedde, omtrent den opgang des dageraads, zo riep Samuel Saul op het dak, zeggende: Sta op, en zij beiden gingen uit, hij en Samuel, naar buiten.
26 Levantaram-se de madrugada, quase ao raiar do dia, e Samuel chamou Saul para o terraço, dizendo: — Levante-se, e eu irei com você para lhe indicar o caminho. Saul levantou-se, e saíram ambos, ele e Samuel.
27 Toen zij afgegaan waren aan het einde der stad, zo zeide Samuel tot Saul: Zeg den jongen, dat hij voor onze aangezichten heenga; toen ging hij heen; maar sta gij als nu stil, en ik zal u Gods woord doen horen.
27 Quando estavam chegando à extremidade da cidade, Samuel disse a Saul: — Diga ao servo que passe à frente de nós. E você, quando ele tiver ido embora, espere um pouco, para que eu possa transmitir a você a palavra de Deus.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Samuel 9, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.