1 Samuel 4

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 En het woord van Samuel geschiedde aan gans Israel. En Israel toog uit, den Filistijnen tegemoet, ten strijde, en legerde zich bij Eben-Haezer, maar de Filistijnen legerden zich bij Afek.
1 A palavra de Samuel veio a todo o Israel. Israel saiu à batalha contra os filisteus e acampou em Ebenézer; e os filisteus acamparam em Afeca.
2 En de Filistijnen stelden zich in slagorden, om Israel te ontmoeten; en als zich de strijd uitspreidde, zo werd Israel voor der Filistijnen aangezicht geslagen; want zij sloegen in de slagorden in het veld omtrent vier duizend man.
2 Os filisteus se dispuseram em ordem de batalha, para enfrentar Israel, e, quando a guerra começou, Israel foi derrotado pelos filisteus, que mataram, no campo aberto, cerca de quatro mil homens.
3 Als het volk wederom in het leger gekomen was, zo zeiden de oudsten van Israel: Waarom heeft ons de HEERE heden geslagen voor het aangezicht der Filistijnen? Laat ons van Silo tot ons nemen de ark des verbonds des HEEREN, en laat die in het midden van ons komen, opdat zij ons verlosse van de hand onzer vijanden.
3 Quando o povo voltou ao arraial, os anciãos de Israel disseram: — Por que o
4 Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark des verbonds des HEEREN der heirscharen, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark des verbonds van God.
4 Então o povo mandou trazer de Siló a arca do Senhor dos Exércitos, entronizado entre os querubins. E os dois filhos de Eli, Hofni e Fineias, estavam ali com a arca da aliança de Deus.
5 En het geschiedde, als de ark des verbonds des HEEREN in het leger kwam, zo juichte gans Israel met een groot gejuich, alzo dat de aarde dreunde.
5 Quando a arca da aliança do Senhor chegou ao arraial, os israelitas gritaram tão alto, que o chão tremeu.
6 Als nu de Filistijnen de stem van het juichen hoorden, zo zeiden zij: Wat is de stem van dit grote juichen in het leger der Hebreen? Toen vernamen zij, dat de ark des HEEREN in het leger gekomen was.
6 Os filisteus ouviram a voz do júbilo e disseram: — Que voz de grande júbilo é esta no arraial dos hebreus? Então souberam que a arca do
7 Daarom vreesden de Filistijnen, want zij zeiden: God is in het leger gekomen. En zij zeiden: Wee ons, want dergelijke is gisteren en eergisteren niet geschied!
7 E os filisteus ficaram com medo e disseram: — Os deuses vieram ao arraial. E diziam mais: — Ai de nós! Porque nunca antes aconteceu uma coisa dessas.
8 Wee ons, wie zal ons redden uit de hand van deze heerlijke goden? Dit zijn dezelfde goden, die de Egyptenaars met alle plagen geplaagd hebben, bij de woestijn.
8 Ai de nós! Quem nos livrará das mãos desses deuses poderosos? São os deuses que atacaram os egípcios com todo tipo de pragas no deserto.
9 Zijt sterk, en weest mannen, gij Filistijnen, opdat gij de Hebreen niet misschien dient, gelijk als zij ulieden gediend hebben; zo zijt mannen, en strijdt.
9 Sejam fortes, filisteus! Comportem-se como homens, para que não venham a ser escravos dos hebreus, como eles já foram escravos de vocês! Comportem-se como homens e lutem!
10 Toen streden de Filistijnen, en Israel werd geslagen, en zij vloden een iegelijk in zijn tenten; en er geschiedde een zeer grote nederlaag, zodat er van Israel vielen dertig duizend voetvolks.
10 Então os filisteus lutaram. E Israel foi derrotado, e cada um fugiu para a sua tenda. Foi uma grande derrota, pois foram mortos de Israel trinta mil homens.
11 En de ark Gods werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven.
11 A arca de Deus foi tomada, e os dois filhos de Eli, Hofni e Fineias, foram mortos.
12 Toen liep er een Benjaminiet uit de slagorden, en kwam te Silo denzelfden dag; en zijn klederen waren gescheurd, en er was aarde op zijn hoofd.
12 Então um homem de Benjamim, saído das fileiras, correu e, no mesmo dia, chegou a Siló. Ele havia rasgado as suas roupas e espalhado terra sobre a cabeça.
13 En als hij kwam, ziet, zo zat Eli op een stoel aan de zijde van den weg, uitziende; want zijn hart was sidderende vanwege de ark Gods. Als die man kwam, om zulks te verkondigen in de stad, toen schreeuwde de ganse stad.
13 Quando chegou, Eli estava sentado numa cadeira, perto da estrada, olhando como quem espera, porque o seu coração estava tremendo pela arca de Deus. Depois que o homem entrou na cidade e deu a notícia, toda a cidade começou a gritar.
14 En als Eli de stem des geroeps hoorde, zo zeide hij: Wat is de stem dezer beroerte? Toen haastte zich die man, en hij kwam en boodschapte het aan Eli.
14 Eli, ouvindo os gritos, perguntou: — Que alvoroço é esse? Então o homem correu e deu as notícias a Eli.
15 (Eli nu was een man van acht en negentig jaren, en zijn ogen stonden stijf, dat hij niet zien kon.)
15 Ora, Eli estava com noventa e oito anos. Os seus olhos já não se moviam, e ele não podia ver.
16 En die man zeide tot Eli: Ik ben het, die uit de slagorden kom, en ik ben heden uit de slagorden gevloden. Hij dan zeide: Wat is er geschied, mijn zoon?
16 O homem disse a Eli: — Eu venho da frente de batalha. Eu fugi de lá hoje mesmo. Eli perguntou-lhe: — O que aconteceu, meu filho?
17 Toen antwoordde hij, die de boodschap bracht, en zeide: Israel is gevloden voor het aangezicht der Filistijnen, en er is ook een grote nederlaag onder het volk geschied; daarenboven zijn uw twee zonen, Hofni en Pinehas, gestorven, en de ark Gods is genomen.
17 Então o mensageiro respondeu: — Israel fugiu dos filisteus. Houve grande matança entre o povo. Além disso, os seus dois filhos, Hofni e Fineias, foram mortos, e a arca de Deus foi tomada.
18 En het geschiedde, als hij van de ark Gods vermeldde, zo viel hij achterwaarts van den stoel af, aan de zijde der poort, en brak den nek, en stierf; want de man was oud en zwaar; en hij richtte Israel veertig jaren.
18 Quando ele fez menção da arca de Deus, Eli caiu da cadeira para trás, junto ao portão da cidade, quebrou o pescoço e morreu. Ele era um homem velho e pesado, e havia julgado Israel durante quarenta anos.
19 En zijn schoondochter, de huisvrouw van Pinehas, was bevrucht, zij zou baren; als deze de tijding hoorde, dat de ark Gods genomen was, en haar schoonvader gestorven was, en haar man, zo kromde zij zich, en baarde; want haar weeen overvielen haar.
19 A nora de Eli, a mulher de Fineias, estava grávida e próxima do parto. Quando ela ouviu estas notícias, de que a arca de Deus havia sido tomada e de que seu sogro e seu marido tinham morrido, encurvou-se e deu à luz; porque as dores lhe sobrevieram.
20 En omtrent den tijd van haar sterven, zo spraken de vrouwen, die bij haar stonden: Vrees niet, want gij hebt een zoon gebaard. Doch zij antwoordde niet, en nam het niet ter harte.
20 Quando ela estava morrendo, as mulheres que a ajudavam disseram: — Não tema, porque você teve um filho. Ela, porém, não respondeu, nem fez caso disso.
21 En zij noemde het jongsken Ikabod, zeggende: De eer is weggevoerd uit Israel! Omdat de ark Gods gevankelijk weggevoerd was, en om haars schoonvaders en haars mans wil.
21 Mas deu ao menino o nome de Icabô, dizendo: — Foi-se a glória de Israel. Ela disse isto, porque a arca de Deus havia sido tomada e por causa de seu sogro e de seu marido.
22 En zij zeide: De eer is gevankelijk weggevoerd uit Israel, want de ark Gods is genomen.
22 E falou mais: — Foi-se a glória de Israel, pois a arca de Deus foi tomada.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Samuel 4, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.