1 Samuel 22

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Toen ging David van daar, en ontkwam in de spelonk van Adullam. En zijn broeders hoorden het, en het ganse huis zijns vaders, en kwamen derwaarts tot hem af.
1 Davi fugiu da cidade de Gate e foi para uma caverna perto da cidade de Adulã. Quando os seus irmãos e o resto da família souberam que ele estava lá, foram ficar com ele.
2 En tot hem vergaderde alle man, die benauwd was, en alle man, die een schuldeiser had, en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij werd tot overste over hen; zodat bij hem waren omtrent vierhonderd mannen.
2 E todos os homens que estavam em dificuldades, ou com dívidas, ou insatisfeitos também foram, e Davi se tornou o chefe deles. Havia com ele mais ou menos quatrocentos homens.
3 En David ging van daar naar Mizpa der Moabieten; en hij zeide tot den koning der Moabieten: Laat toch mijn vader en mijn moeder bij ulieden uitgaan, totdat ik weet, wat God mij doen zal.
3 Aí Davi saiu dali, foi para Mispa, em Moabe, e disse ao rei daquele país: — Por favor, deixe que o meu pai e a minha mãe venham para cá e fiquem com você até que eu saiba o que Deus vai fazer por mim.
4 En hij bracht hen voor het aangezicht van den koning der Moabieten; en zij bleven bij hem al de dagen, die David in de vesting was.
4 Davi deixou os pais com o rei de Moabe, e eles ficaram ali enquanto Davi esteve escondido na fortaleza.
5 Doch de profeet Gad zeide tot David: Blijf in de vesting niet, ga heen, en ga in het land van Juda. Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth.
5 O profeta Gade foi para o lugar onde Davi estava e disse: — Não fique aqui. Vá logo para a terra de Judá. Então Davi saiu e foi para a floresta de Herete.
6 En Saul hoorde, dat David bekend geworden was, en de mannen, die bij hem waren. Saul nu zat op een heuvel onder het geboomte te Rama, en hij had zijn spies in zijn hand, en al zijn knechten stonden bij hem.
6 Saul estava em Gibeá, num morro, sentado debaixo de uma árvore, com a lança na mão. Todos os seus oficiais estavam ao redor dele. E lhe contaram que Davi e os seus homens estavam em certo lugar.
7 Toen zeide Saul tot zijn knechten, die bij hem stonden: Hoort toch, gij, zonen van Jemini, zal ook de zoon van Isai u altegader akkers en wijnbergen geven? Zal hij u allen tot oversten van duizenden, en oversten van honderden stellen?
7 Então Saul disse aos seus oficiais: — Ouçam, homens da
8 Dat gij u allen tegen mij verbonden hebt, en niemand voor mijn oor openbaart, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met den zoon van Isai; en niemand is onder ulieden, dien het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart; want mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt, tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is.
8 É por isso que vocês estão fazendo planos contra mim? Nenhum de vocês me contou que o meu próprio filho fez um acordo com Davi. Ninguém se preocupa comigo. Ninguém me diz que Davi, um dos meus próprios homens, está agora mesmo procurando uma oportunidade para me matar e que foi o meu próprio filho quem o pôs contra mim!
9 Toen antwoordde Doeg, de Edomiet, die bij de knechten van Saul stond, en zeide: Ik zag den zoon van Isai, komende te Nob, tot Achimelech, den zoon van Ahitub;
9 Doegue, do país de Edom, estava ali com os oficiais de Saul e disse: — Eu vi quando Davi foi falar com Aimeleque, filho de Aitube, em Nobe.
10 Die den HEERE voor hem vraagde, en gaf hem teerkost; hij gaf hem ook het zwaard van Goliath, den Filistijn.
10 Aimeleque perguntou a Deus, o Senhor , o que Davi devia fazer. E também deu a Davi comida e a espada de Golias, o filisteu.
11 Toen zond de koning heen, om den priester Achimelech, den zoon van Ahitub, te roepen, en zijns vaders ganse huis, de priesters, die te Nob waren; en zij kwamen allen tot den koning.
11 Então o rei Saul mandou chamar Aimeleque e todos os seus parentes, que também eram sacerdotes em Nobe, e eles foram para o lugar onde ele estava.
12 En Saul zeide: Hoor nu, gij, zoon van Ahitub! En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn heer!
12 Saul disse a Aimeleque: — Escute, Aimeleque! — Às suas ordens, senhor! — respondeu ele.
13 Toen zeide Saul tot hem: Waarom hebt gijlieden samen u tegen mij verbonden, gij en de zoon van Isai, mits dat gij hem gegeven hebt brood en het zwaard, en God voor hem gevraagd, dat hij zou opstaan tegen mij tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is?
13 Saul lhe perguntou: — Por que é que você e Davi se juntaram para fazer planos contra mim? Por que você lhe deu comida e uma espada e perguntou a Deus o que ele devia fazer? Agora Davi se virou contra mim e está esperando a hora de me atacar.
14 En Achimelech antwoordde den koning en zeide: Wie is toch onder al uw knechten getrouw als David, en des konings schoonzoon, en voortgaande in uw gehoorzaamheid, en is eerlijk in uw huis?
14 Aimeleque respondeu: — Davi é o oficial mais fiel que o senhor tem! Ele é o seu próprio genro, capitão da sua guarda pessoal e muito respeitado por todas as autoridades do país.
15 Heb ik heden begonnen God voor hem te vragen? Dat zij verre van mij, de koning legge op zijn knecht geen ding, noch op het ganse huis mijns vader; want uw knecht heeft van al deze dingen niet geweten, klein noch groot.
15 Será que esta foi a primeira vez que eu perguntei a Deus o que Davi devia fazer? Claro que não! O senhor não deve acusar a mim nem ninguém da minha família de estarmos fazendo planos contra o senhor. Não sei nada a respeito disso!
16 Doch de koning zeide: Achimelech, gij moet den dood sterven, gij en het ganse huis uws vaders.
16 Então o rei disse: — Aimeleque, você e os seus parentes vão morrer.
17 En de koning zeide tot de trawanten, die bij hem stonden: Wendt u, en doodt de priesters des HEEREN, omdat hun hand ook met David is, en omdat zij geweten hebben, dat hij vluchtte, en hebben het voor mijn oren niet geopenbaard. Doch de knechten des konings wilden hun hand niet uitsteken, om op de priesters des HEEREN aan te vallen.
17 Em seguida disse aos guardas que estavam ali perto: — Matem os sacerdotes de Deus, o Mas os guardas se recusaram a levantar a mão para matar os sacerdotes do
18 Toen zeide de koning tot Doeg: Wend gij u, en val aan op de priesters. Toen wendde zich Doeg, de Edomiet, en hij viel aan op de priesters, en doodde te dien dage vijf en tachtig mannen, die den linnen lijfrok droegen.
18 Então Saul disse a Doegue: — Mate-os você! E Doegue os matou. Nesse dia ele matou oitenta e cinco sacerdotes de Deus.
19 Hij sloeg ook Nob, de stad dezer priesters, met de scherpte des zwaards, van den man tot de vrouw, van de kinderen tot de zuigelingen, zelfs de ossen en ezels, en de schapen, sloeg hij met de scherpte des zwaards.
19 Saul também mandou matar todos os outros moradores de Nobe, a cidade dos sacerdotes: homens e mulheres, meninos e criancinhas, o gado, jumentos e ovelhas — todos foram mortos.
20 Doch een der zonen van Achimelech, den zoon van Ahitub, ontkwam, wiens naam was Abjathar; die vluchtte David na.
20 Mas Abiatar, um dos filhos de Aimeleque, escapou e foi para o lugar onde Davi estava.
21 En Abjathar boodschapte het David, dat Saul de priesteren des HEEREN gedood had.
21 Ele contou que Saul havia matado os sacerdotes de Deus, o Senhor .
22 Toen zeide David tot Abjathar: Ik wist wel te dien dage, toen Doeg, de Edomiet, daar was, dat hij het voorzeker Saul zou te kennen geven; ik heb oorzaak gegeven tegen al de zielen van uws vaders huis.
22 Então Davi disse a Abiatar: — Naquele dia, quando vi Doegue lá, eu sabia que ele não deixaria de contar tudo a Saul. Assim, eu sou culpado da morte de todos os seus parentes.
23 Blijf bij mij; vrees niet; want wie mijn ziel zoeken zal, die zal uw ziel zoeken; maar gij zult met mij in bewaring zijn.
23 Fique comigo e não tenha medo. Saul quer matar a nós dois, mas comigo você estará livre de perigo.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Samuel 22, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.