1 Samuel 19

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Derhalve sprak Saul tot zijn zoon Jonathan en tot al zijn knechten, om David te doden. Doch Jonathan, Sauls zoon, had groot welgevallen aan David.
1 Saul falou a seu filho Jônatas e a todos os servos sobre matar Davi. Mas Jônatas, filho de Saul, era muito afeiçoado a Davi.
2 En Jonathan verkondigde het David, zeggende: Mijn vader Saul zoekt u te doden; nu dan, wacht u toch des morgens, en blijf in het verborgene, en versteek u.
2 Por isso, Jônatas revelou esse plano a Davi, dizendo: — Meu pai, Saul, quer matar você. Tenha cuidado amanhã cedo. Fique num lugar oculto e esconda-se.
3 Doch ik zal uitgaan, en aan de hand mijns vaders staan op het veld, waar gij zult zijn; en ik zal van u tot mijn vader spreken, en zal zien wat het zij; dat zal ik u verkondigen.
3 Eu sairei e estarei ao lado de meu pai no campo onde você estiver. Falarei com meu pai a respeito de você. Se eu descobrir alguma coisa, contarei a você.
4 Zo sprak dan Jonathan goed van David tot zijn vader Saul; en hij zeide tot hem: De koning zondige niet tegen zijn knecht David, omdat hij tegen u niet gezondigd heeft, en omdat zijn daden voor u zeer goed zijn.
4 Então Jônatas falou bem de Davi a Saul, seu pai, e lhe disse: — Que o rei não peque contra o seu servo Davi, porque ele não pecou contra você. Pelo contrário, o que ele tem feito é muito bom para você.
5 Want hij heeft zijn ziel in zijn hand gezet, en hij heeft den Filistijn geslagen, en de HEERE heeft een groot heil aan het ganse Israel gedaan; gij hebt het gezien, en gij zijt verblijd geweest; waarom zoudt gij dan tegen onschuldig bloed zondigen, David zonder oorzaak dodende?
5 Arriscando a sua vida, ele matou o filisteu e o Senhor efetuou grande livramento a todo o Israel. Você mesmo viu isso e ficou contente. Por que, então, você pecaria contra sangue inocente, matando Davi sem motivo?
6 Saul nu hoorde naar de stem van Jonathan; en Saul zwoer: zo waarachtig als de HEERE leeft, hij zal niet gedood worden!
6 Saul atendeu à voz de Jônatas e jurou: — Tão certo como vive o
7 En Jonathan riep David, en Jonathan gaf hem al deze woorden te kennen; en Jonathan bracht David tot Saul, en hij was voor zijn aangezicht als gisteren en eergisteren.
7 Jônatas chamou Davi, contou-lhe todas estas palavras e o levou a Saul. E Davi esteve diante de Saul como antes.
8 En er werd wederom krijg; en David toog uit, en streed tegen de Filistijnen, en hij sloeg hen met een groten slag, en zij vloden voor zijn aangezicht.
8 E tornou a haver guerra. Davi lutou contra os filisteus e os feriu com grande derrota, e eles fugiram dele.
9 Doch de boze geest des HEEREN was over Saul, en hij zat in zijn huis, en zijn spies was in zijn hand; en David speelde op snarenspel met de hand;
9 E o espírito mau, enviado da parte do Senhor , veio sobre Saul. Ele estava sentado em sua casa, com a sua lança na mão, enquanto Davi dedilhava a harpa.
10 Saul nu zocht met de spies David aan den wand te spitten, doch hij ontweek van het aangezicht van Saul, die met de spies in den wand sloeg. Toen vlood David, en ontkwam in dienzelfden nacht.
10 Saul tentou encravar Davi na parede, porém ele se desviou e a lança foi se encravar na parede. Então Davi fugiu e escapou.
11 Maar Saul zond boden heen tot Davids huis, dat zij hem bewaarden, en dat zij hem des morgens doodden. Dit gaf Michal, zijn huisvrouw, David te kennen, zeggende: Indien gij uw ziel dezen nacht niet behoedt, zo zult gij morgen gedood worden.
11 Porém, naquela mesma noite, Saul mandou mensageiros à casa de Davi, que o vigiassem, para ele o matar pela manhã. Porém Mical, a mulher de Davi, o avisou: — Se não fugir esta noite, amanhã você estará morto.
12 En Michal liet David door een venster neder, en hij ging heen, en vluchtte, en ontkwam.
12 Então Mical desceu Davi por uma janela, e ele se foi, fugiu e escapou.
13 En Michal nam een beeld, en zij legde het in het bed, en zij legde een geitenvel aan zijn hoofdpeluw, en dekte het met een kleed toe.
13 Mical pegou um ídolo do lar e o deitou na cama. Pôs um tecido de pelos de cabra sobre a cabeça do ídolo, e o cobriu com um manto.
14 Saul nu zond boden, om David te halen. Zij dan zeide: Hij is ziek.
14 Quando Saul enviou mensageiros para prender Davi, Mical disse: — Ele está doente.
15 Toen zond Saul boden, om David te bezien, zeggende: Breng hem op het bed tot mij op, dat men hem dode.
15 Então Saul mandou mensageiros que fossem ver Davi, dizendo: — Tragam Davi mesmo que esteja na cama, para que eu o mate.
16 Als de boden kwamen, zo ziet, er was een beeld in het bed, en er was een geitenvel aan zijn hoofdpeluw.
16 Quando os mensageiros entraram, eis que na cama estava apenas o ídolo do lar com o tecido de pelos de cabra ao redor da cabeça.
17 Toen zeide Saul tot Michal: Waarom hebt gij mij alzo bedrogen en hebt mijn vijand laten gaan, dat hij ontkomen is? Michal nu zeide tot Saul: Hij zeide tot mij: Laat mij gaan, waarom zou ik u doden?
17 Então Saul disse a Mical: — Por que você me enganou assim e deixou o meu inimigo escapar? Mical respondeu: — Porque ele me disse: “Deixe-me ir; se não, eu mato você.”
18 Alzo vluchtte David en ontkwam, en hij kwam tot Samuel te Rama, en hij gaf hem te kennen al wat Saul hem gedaan had; en hij en Samuel gingen heen, en zij bleven te Najoth.
18 Assim, Davi fugiu e escapou, e foi até onde Samuel estava, em Ramá, e lhe contou tudo o que Saul lhe havia feito. Então se retiraram, ele e Samuel, e ficaram na casa dos profetas.
19 En men boodschapte Saul, zeggende: Zie, David is te Najoth, bij Rama.
19 Saul ficou sabendo que Davi estava na casa dos profetas, em Ramá.
20 Toen zond Saul boden heen, om David te halen; die zagen een vergadering van profeten, profeterende, en Samuel, staande, over hen gesteld; en de Geest Gods was over Sauls boden, en die profeteerden ook.
20 Então Saul enviou mensageiros para trazerem Davi. Quando viram um grupo de profetas profetizando, liderados por Samuel, o Espírito de Deus veio sobre os mensageiros de Saul, e também eles profetizaram.
21 Toen men het Saul boodschapte, zo zond hij andere boden, en die profeteerden ook; toen voer Saul voort en zond de derde boden, en die profeteerden ook.
21 Quando soube disso, Saul enviou outros mensageiros, e também estes profetizaram. Então Saul enviou um terceiro grupo de mensageiros, os quais também profetizaram.
22 Daarna ging hij ook zelf naar Rama, en hij kwam tot den groten waterput, die te Sechu was, en hij vraagde en zeide: Waar is Samuel, en David? Toen werd hem gezegd: Zie, zij zijn te Najoth bij Rama.
22 Então o próprio Saul foi a Ramá. Quando chegou ao poço grande na cidade de Seco, perguntou: — Onde estão Samuel e Davi? Responderam: — Eis que estão na casa dos profetas, em Ramá.
23 Toen ging hij derwaarts naar Najoth bij Rama; en dezelfde Geest Gods was ook op hem, en hij, al voortgaande, profeteerde, totdat hij te Najoth in Rama kwam.
23 Então Saul foi para a casa dos profetas, em Ramá. E o mesmo Espírito de Deus veio sobre ele, que, caminhando, profetizava até chegar à casa dos profetas, em Ramá.
24 En hij toog zelf ook zijn klederen uit, en hij profeteerde zelf ook, voor het aangezicht van Samuel; en hij viel bloot neder dienzelfden gansen dag, en den gansen nacht. Daarom zegt men: Is Saul ook onder de profeten?
24 Também ele despiu a sua túnica e profetizou diante de Samuel. E, sem a túnica, ficou deitado no chão todo aquele dia e toda aquela noite. Por isso se diz: “Está também Saul entre os profetas?”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Samuel 19, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.