1 Samuel 18

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Het geschiedde nu, als hij geeindigd had tot Saul te spreken, dat de ziel van Jonathan verbonden werd aan de ziel van David; en Jonathan beminde hem als zijn ziel.
1 Saul e Davi terminaram a sua conversa. Jônatas, filho de Saul, começou a sentir uma profunda amizade por Davi e veio a amá-lo como a si mesmo.
2 En Saul nam hem te dien dage, en liet hem niet werderkeren tot zijns vaders huis.
2 Daquele dia em diante Saul levou Davi para a sua casa e não deixou que voltasse para a casa do seu pai.
3 Jonathan nu en David maakten een verbond, dewijl hij hem liefhad als zijn ziel.
3 Jônatas e Davi fizeram um juramento de amizade, pois Jônatas tinha grande amor por Davi.
4 En Jonathan deed zijn mantel af, dien hij aan had, en gaf hem aan David, ook zijn klederen, ja, tot zijn zwaard toe, en tot zijn boog toe, en tot zijn gordel toe.
4 Ele tirou a capa que estava usando e a deu a Davi. Deu também a sua túnica militar, a espada, o arco e o cinto.
5 En David toog uit, overal, waar Saul hem zond; hij gedroeg zich voorzichtiglijk, en Saul zette hem over de krijgslieden; en hij was aangenaam in de ogen des gansen volks, en ook in de ogen der knechten van Saul.
5 Davi saiu-se bem em todos os lugares aonde Saul o enviou. Então Saul o promoveu a comandante do seu exército. E isso agradou a todo o exército, inclusive aos outros oficiais.
6 Het geschiedde nu, toen zij kwamen, en David wederkeerde van het slaan der Filistijnen, dat de vrouwen uitgingen uit al de steden van Israel, met gezang en reien, den koning Saul tegemoet, met trommelen, met vreugde en met muziekinstrumenten.
6 Quando os soldados estavam voltando para casa depois de Davi ter matado Golias, as mulheres de todas as cidades de Israel saíram para encontrar o rei Saul. Elas cantavam canções alegres, dançavam e tocavam pandeiro e lira .
7 En de vrouwen, spelende, antwoordden elkander en zeiden: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden!
7 Alegravam-se e cantavam assim: “Saul matou mil; Davi matou dez mil!”
8 Toen ontstak Saul zeer, en dat woord was kwaad in zijn ogen, en hij zeide: Zij hebben David tien duizend gegeven, doch mij hebben zij maar duizend gegeven; en voorzeker zal het koninkrijk nog voor hem zijn.
8 E Saul não gostou disso. Ficou muito zangado e disse: — Para mim as mulheres deram mil, mas para Davi deram dez mil. A única coisa que está faltando agora é ele ser rei!
9 En Saul had het oog op David, van dien dag af en voortaan.
9 E desse dia em diante Saul começou a ter ciúme de Davi e a desconfiar dele.
10 En het geschiedde des anderen daags, dat de boze geest Gods over Saul vaardig werd, en hij profeteerde midden in het huis, en David speelde op snarenspel met zijn hand, als van dag tot dag; Saul nu had een spies in zijn hand.
10 No dia seguinte, um espírito mau mandado por Deus dominou Saul, e ele começou a agir como louco dentro de casa. Davi estava tocando lira, como fazia todos os dias, e Saul estava segurando uma lança.
11 En Saul schoot de spies, en zeide: Ik zal David aan den wand spitten; maar David wendde zich tweemaal van zijn aangezicht af.
11 Então Saul pensou assim: — Vou espetar Davi na parede. E atirou a lança contra ele, duas vezes. Porém nas duas vezes Davi se desviou.
12 En Saul vreesde voor David, want de HEERE was met hem, en Hij was van Saul geweken.
12 O Senhor estava com Davi e havia abandonado Saul; por isso, Saul tinha medo de Davi.
13 Daarom deed hem Saul van zich weg, en hij zette hem zich tot een overste van duizend; en hij ging uit en hij ging in voor het aangezicht des volks.
13 Então Saul o afastou de si, pondo-o como oficial comandante de mil homens. Davi comandava os seus soldados na batalha,
14 En David gedroeg zich voorzichtiglijk op al zijn wegen; en de HEERE was met hem.
14 e tudo o que fazia dava certo, pois o Senhor estava com ele.
15 Toen nu Saul zag, dat hij zich zeer voorzichtiglijk gedroeg, vreesde hij voor zijn aangezicht.
15 Saul viu o sucesso de Davi e ficou ainda com mais medo dele.
16 Doch gans Israel en Juda had David lief; want hij ging uit en hij ging in voor hun aangezicht.
16 Mas em Israel e em Judá todos amavam Davi porque ele era um líder corajoso.
17 Derhalve zeide Saul tot David: Zie, mijn grootste dochter Merab zal ik u tot een vrouw geven; alleenlijk, wees mij een dapper zoon, en voer den krijg des HEEREN. Want Saul zeide: Dat mijn hand niet tegen hem zij, maar dat de hand der Filistijnen tegen hem zij.
17 Então Saul disse a Davi: — Aqui está Merabe, a minha filha mais velha. Eu a darei em casamento a você, com a condição de que você me sirva como soldado valente e fiel e lute nas batalhas de Deus, o Saul pensava que desta maneira os filisteus matariam Davi e assim não teria ele mesmo de fazer isso.
18 Doch David zeide tot Saul: Wie ben ik, en wat is mijn leven, en mijns vaders huisgezin in Israel, dat ik des konings schoonzoon zou worden?
18 Davi respondeu: — Quem sou eu, e quem é a minha família em Israel para que eu seja genro do rei?
19 Het geschiedde nu ten tijde als men Merab, de dochter van Saul, aan David geven zou, zo is zij aan Adriel, den Meholathiet, ter vrouw gegeven.
19 Mas, quando chegou a época de Merabe ser dada em casamento a Davi, ela foi dada a um homem chamado Adriel, da cidade de Meolá.
20 Doch Michal, de dochter van Saul, had David lief. Toen dat Saul te kennen werd gegeven, zo was die zaak recht in zijn ogen.
20 Porém Mical, a outra filha de Saul, apaixonou-se por Davi. E, quando Saul soube disso, ficou contente.
21 En Saul zeide: Ik zal haar hem geven, dat zij hem tot een valstrik zij, en dat de hand der Filistijnen tegen hem zij. Daarom zeide Saul tot David: Met de andere zult gij heden mijn schoonzoon worden.
21 Ele pensou: — Vou dar Mical em casamento a Davi, e ela servirá como uma armadilha para que ele seja morto pelos filisteus. Então, pela segunda vez, Saul disse a Davi: — Você será meu genro.
22 En Saul gebood zijn knechten: Spreekt met David in het heimelijke, zeggende: Zie, de koning heeft lust aan u, en al zijn knechten hebben u lief; word dan nu des konings schoonzoon.
22 Ele mandou que os seus oficiais conversassem em particular com Davi e dissessem a ele: — O rei e todos os oficiais gostam de você. Esta é uma boa ocasião para você casar com a filha dele.
23 En de knechten van Saul spraken deze woorden voor de oren van David. Toen zeide David: Is dat licht in ulieder ogen, des konings schoonzoon te worden, daar ik een arm en verachtzaam man ben?
23 Então eles falaram com Davi, e ele respondeu: — Ser genro do rei é uma honra grande demais para uma pessoa pobre e sem valor como eu.
24 En de knechten van Saul boodschapten het hem, zeggende: Zulke woorden heeft David gesproken.
24 Os oficiais contaram a Saul o que Davi tinha dito,
25 Toen zeide Saul: Aldus zult gijlieden tot David zeggen: De koning heeft geen lust aan den bruidschat, maar aan honderd voorhuiden der Filistijnen, opdat men zich wreke aan des konings vijanden. Want Saul dacht David te vellen door de hand der Filistijnen.
25 e ele ordenou que dissessem o seguinte a Davi: — Tudo o que o rei quer de você em pagamento pela noiva são os Saul tinha planejado isso porque assim Davi seria morto pelos filisteus.
26 Zijn knechten nu boodschapten David deze woorden. En die zaak was recht in de ogen van David, dat hij des konings schoonzoon zou worden; maar de dagen waren nog niet vervuld.
26 Os oficiais contaram a Davi o que Saul tinha dito, e ele ficou entusiasmado com a ideia de ser genro do rei. Antes do dia marcado para o casamento,
27 Toen maakte zich David op, en hij en zijn mannen gingen heen, en zij sloegen onder de Filistijnen tweehonderd mannen, en David bracht hun voorhuiden, en men leverde ze den koning volkomenlijk, opdat hij schoonzoon des konings worden zou. Toen gaf Saul hem zijn dochter Michal ter vrouw.
27 Davi e os seus soldados foram e mataram duzentos filisteus. Aí Davi levou ao rei os prepúcios dos filisteus mortos e os contou na presença dele, para que assim se tornasse seu genro. Então Saul deu a sua filha Mical em casamento a Davi.
28 En Saul zag en merkte, dat de HEERE met David was; en Michal, de dochter van Saul, had hem lief.
28 Saul viu e reconheceu que o Senhor estava com Davi e que a sua filha Mical o amava.
29 Toen vreesde zich Saul nog meer voor David; en Saul was David een vijand al zijn dagen.
29 Por isso, ficou com mais medo ainda de Davi e pelo resto da sua vida foi seu inimigo.
30 Als de vorsten der Filistijnen uittogen, zo geschiedde het, als zij uittogen, dat David kloeker was, dan al de knechten van Saul; zodat zijn naam zeer geacht was.
30 Todas as vezes que os exércitos filisteus saíam para lutar, Davi conseguia mais vitórias do que todos os outros oficiais de Saul e assim ficou muito famoso.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Samuel 18, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.