1 Samuel 12

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Toen zeide Samuel tot gans Israel: Ziet, ik heb naar ulieder stem gehoord in alles, wat gij mij gezegd hebt, en ik heb een koning over u gezet.
1 Então Samuel disse a todo o Israel: — Eis que atendi ao que vocês me pediram e constituí um rei sobre vocês.
2 En nu, ziet, daar trekt de koning voor uw aangezicht heen, en ik ben oud en grijs geworden, en ziet, mijn zonen zijn bij ulieden; en ik heb voor uw aangezichten gewandeld van mijn jeugd af tot dezen dag toe.
2 E agora eis que vocês têm o rei que irá adiante de vocês. Eu já sou velho e tenho os cabelos brancos, e os meus filhos estão com vocês. Eu tenho andado à frente de vocês desde a minha mocidade até o dia de hoje.
3 Ziet, hier ben ik, betuigt tegen mij, voor den HEERE, en voor Zijn gezalfde, wiens os ik genomen heb, en wiens ezel ik genomen heb, en wien ik verongelijkt heb, wien ik onderdrukt heb, en van wiens hand ik een geschenk genomen heb, dat ik mijn ogen van hem zou verborgen hebben; zo zal ik het ulieden wedergeven.
3 Eis-me aqui. Testemunhem contra mim diante do Senhor e diante do seu ungido: de quem tomei o boi? De quem tomei o jumento? A quem enganei? A quem oprimi? E das mãos de quem aceitei suborno para encobrir com ele os meus olhos? Falem, e eu o restituirei.
4 Toen zeiden zij: Gij hebt ons niet verongelijkt, en gij hebt ons niet onderdrukt, en gij hebt van niemands hand iets genomen.
4 Então responderam: — Você não nos defraudou, nem nos oprimiu, nem tomou coisa alguma das mãos de ninguém.
5 Toen zeide hij tot hen: De HEERE zij een Getuige tegen ulieden, en Zijn gezalfde zij te dezen dage getuige, dat gij in mijn hand niets gevonden hebt! En het volk zeide: Hij zij Getuige!
5 E ele lhes disse: — O E o povo confirmou: — Deus é testemunha.
6 Verder zeide Samuel tot het volk: Het is de HEERE, Die Mozes en Aaron gemaakt heeft, en Die uw vaders uit Egypteland opgebracht heeft.
6 Então Samuel disse ao povo: — O
7 En nu, stelt u hier, dat ik met ulieden rechte, voor het aangezicht des HEEREN, over al de gerechtigheden des HEEREN, die Hij aan u en aan uw vaderen gedaan heeft.
7 Agora fiquem aqui, porque vou discutir com vocês diante do Senhor , com relação a todos os seus atos de justiça que ele realizou em favor de vocês e dos seus pais.
8 Nadat Jakob in Egypte gekomen was, zo riepen uw vaders tot den HEERE; en de HEERE zond Mozes en Aaron, en zij leidden uw vaders uit Egypte, en deden hen aan deze plaats wonen.
8 Depois que Jacó havia entrado no Egito, os pais de vocês clamaram ao Senhor , e o Senhor enviou Moisés e Arão, que os tiraram do Egito e os fizeram habitar neste lugar.
9 Maar zij vergaten den HEERE, hun God; zo verkocht Hij hen in de hand van Sisera, den krijgsoverste, te Hazor, en in de hand der Filistijnen, en in de hand van den koning der Moabieten, die tegen hen streden.
9 Porém os pais de vocês se esqueceram do Senhor , seu Deus. Então ele os entregou nas mãos de Sísera, comandante do exército de Hazor, e nas mãos dos filisteus, e nas mãos do rei de Moabe, que lutaram contra eles.
10 En zij riepen tot den HEERE, en zeiden: Wij hebben gezondigd, dewijl wij den HEERE verlaten, en de Baals en Astharoths gediend hebben; en nu, ruk ons uit de hand onzer vijanden, en wij zullen U dienen.
10 Eles clamaram ao Senhor e disseram: “Pecamos, pois deixamos o Senhor e servimos os baalins e astarotes. Mas agora livra-nos das mãos de nossos inimigos, e te serviremos.”
11 En de HEERE zond Jerubbaal, en Bedan, en Jeftha, en Samuel, en Hij rukte u uit de hand uwer vijanden rondom, alzo dat gij zeker woondet.
11 O Senhor enviou Jerubaal, Baraque, Jefté e Samuel, e os livrou das mãos dos inimigos que os cercavam, e vocês viveram em segurança.
12 Als gij nu zaagt, dat Nahas, de koning van de kinderen Ammons, tegen u kwam, zo zeidet gij tot mij: Neen, maar een koning zal over ons regeren; zo toch de HEERE, uw God, uw Koning was.
12 — Quando vocês viram que Naás, rei dos filhos de Amom, vinha contra vocês, vocês me disseram: “Não! Queremos um rei sobre nós”, quando, na verdade, o Senhor , seu Deus, era o rei de vocês.
13 En nu, ziet daar den koning, dien gij verkoren hebt, dien gij begeerd hebt; en ziet, de HEERE heeft een koning over ulieden gezet.
13 E agora, aqui está o rei que elegeram e que pediram. E eis que o Senhor deu um rei a vocês.
14 Zo gij den HEERE zult vrezen, en Hem dienen, en naar Zijn stem horen, en den mond des HEEREN niet wederspannig zijt, zo zult gijlieden, zowel gij als de koning, die over u regeren zal, achter den HEERE, uw God, zijn.
14 Se vocês temerem o Senhor , se o servirem, se derem ouvidos à sua voz e não forem rebeldes ao seu mandado, se seguirem o Senhor , seu Deus, tanto vocês como o rei que governa sobre vocês, então tudo lhes irá bem.
15 Doch zo gij naar de stem des HEEREN niet zult horen, maar den mond des HEEREN wederspannig zijn, zo zal de hand des HEEREN, tegen u zijn, als tegen uw vaders.
15 Se, porém, vocês não derem ouvidos à voz do Senhor , mas forem rebeldes ao seu mandado, a mão do Senhor será contra vocês, como o foi contra os pais de vocês.
16 Ook stelt u nu hier, en ziet die grote zaak, die de HEERE voor uw ogen doen zal.
16 Fiquem, agora, aqui e vejam esta grande coisa que o Senhor fará diante de vocês.
17 Is het niet vandaag de tarweoogst? Ik zal tot den HEERE roepen, en Hij zal donder en regen geven; zo weet dan, en ziet, dat uw kwaad groot is, dat gij voor de ogen des HEEREN gedaan hebt, dat gij een koning voor u begeerd hebt.
17 Não estamos no tempo da colheita do trigo? Pois eu vou clamar ao Senhor , e ele mandará trovões e chuva. E vocês saberão e verão que é grande a maldade que praticaram aos olhos do Senhor , pedindo um rei.
18 Toen Samuel den HEERE aanriep, zo gaf de HEERE donder en regen te dien dage; daarom vreesde al het volk zeer den HEERE en Samuel.
18 Então Samuel invocou o Senhor , e o Senhor mandou trovões e chuva naquele dia. E todo o povo temeu grandemente o Senhor e Samuel.
19 En al het volk zeide tot Samuel: Bid voor uw knechten den HEERE, uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij dit kwaad daartoe gedaan, dat wij voor ons een kong begeerd hebben.
19 Todo o povo disse a Samuel: — Ore por estes seus servos ao
20 Toen zeide Samuel tot het volk: Vreest niet, gij hebt al dit kwaad gedaan; doch wijkt niet van achter den HEERE af, maar dient den HEERE met uw ganse hart.
20 Então Samuel disse ao povo: — Não tenham medo. Vocês, de fato, cometeram todo este mal. No entanto, não se desviem de seguir o
21 En wijkt niet af; want gij zoudt de ijdelheden na volgen, die niet bevorderlijk zijn, noch verlossen, want zij zijn ijdelheden.
21 Não se desviem, pois vocês estariam seguindo coisas vãs, que nada aproveitam e que não os podem livrar, porque são vaidade.
22 Want de HEERE zal Zijn volk niet verlaten, om Zijns groten Naams wil, dewijl het den HEERE beliefd heeft, ulieden Zich tot een volk te maken.
22 Pois o Senhor , por causa do seu grande nome, não abandonará o seu povo, porque o Senhor decidiu fazer de vocês o seu povo.
23 Wat ook mij aangaat, het zij verre van mij, dat ik tegen den HEERE zou zondigen, dat ik zou aflaten voor ulieden te bidden; maar ik zal u den goeden en rechten weg leren.
23 Quanto a mim, longe de mim que eu peque contra o Senhor , deixando de orar por vocês. Pelo contrário, eu lhes ensinarei o caminho bom e direito.
24 Vreest slechts den HEERE, en dient Hem trouwelijk met uw ganse hart; want ziet, hoe grote dingen Hij bij ulieden gedaan heeft!
24 Tão somente temam o Senhor e sirvam a ele fielmente de todo o coração. Vejam que coisas grandiosas ele fez por vocês!
25 Maar indien gij voortaan kwaad doet, zo zult gijlieden, als ook uw koning, omkomen.
25 Se, porém, continuarem a fazer o mal, perecerão, tanto vocês como o seu rei.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Samuel 12, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.