1 Samuel 10

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Toen nam Samuel een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zeide: Is het niet alzo, dat de HEERE u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft?
1 Samuel pegou um vaso de azeite e o derramou sobre a cabeça de Saul. Então ele o beijou e disse: — O
2 Als gij heden van mij gaat, zo zult gij twee mannen vinden bij het graf van Rachel, aan de landpale van Benjamin, te Zelzah; die zullen tot u zeggen: De ezelinnen zijn gevonden, die gij zijt gaan zoeken, en zie, uw vader heeft de zaken der ezelinnen verlaten, en hij is bekommerd voor ulieden, zeggende: Wat zal ik om mijn zoon doen?
2 Hoje, quando você se afastar de mim, encontrará dois homens junto ao túmulo de Raquel, no território de Benjamim, em Zelza. Eles lhe dirão: “Já foram achadas as jumentas que você foi procurar. E eis que agora o seu pai já não pensa no caso delas e está aflito por causa de vocês, dizendo: ‘Que posso fazer por meu filho?’”
3 Als gij u van daar en verder aan begeeft, en zult komen tot aan Elon-Thabor, daar zullen u drie mannen vinden, opgaande tot God naar Beth-El; een, dragende drie bokjes, en een, dragende drie bollen broods, en een, dragende een fles wijn.
3 Ao seguir adiante, você chegará ao carvalho de Tabor. Ali virão ao seu encontro três homens, que vão subindo a Deus em Betel. Um estará levando três cabritos; outro, três pães; e o outro, um odre de vinho.
4 En zij zullen u naar uw welstand vragen, en zij zullen u twee broden geven; die zult gij van hun hand nemen.
4 Eles irão saudar você e lhe darão dois pães, que você deve aceitar.
5 Daarna zult gij komen op den heuvel Gods, waar der Filistijnen bezettingen zijn; en het zal geschieden, als gij aldaar in de stad komt, zo zult gij ontmoeten een hoop profeten, van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen profeteren.
5 Então você seguirá para Gibeá-Eloim, onde está a guarnição dos filisteus. Ao entrar na cidade, você encontrará um grupo de profetas que descem do lugar alto. Eles estarão tocando liras, tambores, flautas e harpas. E estarão profetizando.
6 En de Geest des HEEREN zal vaardig worden over u, en gij zult met hen profeteren; en gij zult in een anderen man veranderd worden.
6 O Espírito do Senhor se apossará de você, e você profetizará com eles e será mudado em outro homem.
7 En het zal geschieden, als u deze tekenen zullen komen, doe gij, wat uw hand vinden zal, want God zal met u zijn.
7 Quando estes sinais se cumprirem, faça o que a ocasião exigir, porque Deus está com você.
8 Gij nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen, om brandofferen te offeren, om te offeren offeranden der dankzegging; zeven dagen zult gij daar beiden, totdat ik tot u kome, en u bekend make, wat gij doen zult.
8 Vá na minha frente para Gilgal. Eis que eu descerei para junto de você, a fim de oferecer holocaustos e apresentar ofertas pacíficas. Espere sete dias, até que eu venha para junto de você e diga o que você deve fazer.
9 Het geschiedde nu, toen hij zijn schouder keerde, om van Samuel te gaan, veranderde God hem het hart in een ander; en al die tekenen kwamen ten zelven dage.
9 Aconteceu que, no momento em que Saul se virou para se despedir de Samuel, Deus lhe mudou o coração. E todos esses sinais aconteceram naquele mesmo dia.
10 Toen zij daar aan den heuvel kwamen, zie, zo kwam hem een hoop profeten tegemoet; en de Geest des HEEREN werd vaardig over hem, en hij profeteerde in het midden van hen.
10 Quando eles chegaram a Gibeá, eis que um grupo de profetas saiu ao encontro deles. O Espírito de Deus se apossou de Saul, e ele profetizou no meio deles.
11 En het geschiedde, als een iegelijk, die hem van te voren gekend had, zag, dat hij, ziet, profeteerde met de profeten, zo zeide het volk, een ieder tot zijn metgezel: Wat is dit, dat den zoon van Kis geschied is? Is Saul ook onder de profeten?
11 Todos os que já o conheciam, vendo que ele profetizava com os profetas, perguntavam uns aos outros: — Que é isso que aconteceu com o filho de Quis? Está também Saul entre os profetas?
12 Toen antwoordde een man van daar, en zeide: Wie is toch hun vader? Daarom is het tot een spreekwoord geworden: Is Saul ook onder de profeten?
12 Então um homem do lugar perguntou: — E quem é o pai dos outros? Por isso surgiu este provérbio: “Está também Saul entre os profetas?”
13 Toen hij nu voleind had te profeteren, zo kwam hij op de hoogte.
13 E, depois de profetizar, Saul seguiu para o alto do monte.
14 En Sauls oom zeide tot hem en tot zijn jongen: Waar zijt gijlieden heengegaan? Hij nu zeide: Om de ezelinnen te zoeken; toen wij zagen, dat zij er niet waren, zo kwamen wij tot Samuel.
14 O tio de Saul perguntou a ele e ao seu servo: — Aonde vocês foram? Saul respondeu: — Fomos procurar as jumentas e, quando vimos que não apareciam, fomos falar com Samuel.
15 Toen zeide Sauls oom: Geef mij toch te kennen, wat heeft Samuel ulieden gezegd?
15 Então o tio de Saul disse: — Conte-me, por favor, o que Samuel disse a vocês.
16 Saul nu zeide tot zijn oom: Hij heeft ons voorzeker te kennen gegeven, dat de ezelinnen gevonden waren; maar de zaak des koninkrijks, waarvan Samuel gezegd had, gaf hij hem niet te kennen.
16 Saul respondeu: — Ele nos disse que as jumentas tinham sido encontradas. Porém Saul não contou ao tio o que Samuel tinha dito a respeito do reino.
17 Doch Samuel riep het volk te zamen tot den HEERE, te Mizpa.
17 Samuel convocou o povo para comparecer diante do Senhor , em Mispa,
18 En hij zeide tot de kinderen Israels: Alzo heeft de HEERE, de God Israel, gesproken: Ik heb Israel uit Egypte opgebracht, en Ik heb ulieden van de hand der Egyptenaren gered, en van de hand van alle koninkrijken, die u onderdrukten.
18 e disse aos filhos de Israel: — Assim diz o
19 Maar gijlieden hebt heden uw God verworpen, Die u uit al uw ellenden en uw noden verlost heeft, en hebt tot Hem gezegd: Zet een koning over ons; nu dan, stelt u voor het aangezicht des HEEREN, naar uw stammen en naar uw duizenden.
19 Mas hoje vocês rejeitaram o seu Deus, que os livrou de todos os seus males e trabalhos. Vocês lhe disseram: ‘Não! Queremos um rei sobre nós.’ Agora, pois, reúnam-se diante do Senhor , por tribos e grupos de milhares.”
20 Toen nu Samuel al de stammen van Israel had doen naderen, zo is de stam van Benjamin geraakt.
20 Samuel fez com que todas as tribos se aproximassem, e a tribo sorteada foi a de Benjamim.
21 Toen hij den stam van Benjamin deed aankomen naar zijn geslachten, zo werd het geslacht van Matri geraakt; en Saul, de zoon van Kis, werd geraakt. En zij zochten hem, maar hij werd niet gevonden.
21 Então Samuel chamou a tribo de Benjamim pelas suas famílias, e foi indicada a família de Matri. E da família de Matri foi indicado Saul, filho de Quis. Mas, quando o procuraram, não puderam encontrá-lo.
22 Toen vraagden zij verder den HEERE, of die man nog derwaarts komen zou? De HEERE dan zeide: Ziet, hij heeft zich tussen de vaten verstoken.
22 Então perguntaram ao Senhor se aquele homem já havia chegado ali. E o Senhor respondeu: — Ele está aí escondido entre a bagagem.
23 Zij nu liepen, en namen hem van daar, en hij stelde zich in het midden des volks; en hij was hoger dan al het volk, van zijn schouder en opwaarts.
23 Então correram e o tiraram de lá. Ele ficou em pé no meio do povo, e era o mais alto de todos; dos ombros para cima, ele sobressaía a todo o povo.
24 Toen zeide Samuel tot het ganse volk: Ziet gij, dien de HEERE verkoren heeft? Want gelijk hij, is er niemand onder het ganse volk. Toen juichte het ganse volk, en zij zeiden: de koning leve!
24 Então Samuel disse a todo o povo: — Vocês estão vendo quem o Então todo o povo começou a gritar: — Viva o rei!
25 Samuel nu sprak tot het volk het recht des koninkrijks, en schreef het in een boek, en legde het voor het aangezicht des HEEREN. Toen liet Samuel het ganse volk gaan, elk naar zijn huis.
25 Samuel explicou ao povo o direito do reino, escreveu-o num livro e o pôs diante do Senhor . Então Samuel despediu todo o povo, cada um para sua casa.
26 En Saul ging ook naar zijn huis te Gibea, en van het heir gingen met hem, welker hart God geroerd had.
26 Também Saul foi para a sua casa, em Gibeá. Com ele foi uma tropa de homens cujo coração Deus havia tocado.
27 Doch de kinderen Belials zeiden: Wat zou ons deze verlossen? en zij verachtten hem, en brachten hem geen geschenk. Doch hij was als doof.
27 Mas alguns homens malignos disseram: — Como poderá este homem nos salvar? E o desprezaram e não lhe trouxeram presentes. Mas Saul se fez de surdo.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Samuel 10, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.