1 Reis 2

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Als nu de dagen van David nabij waren, dat hij sterven zou, zo gebood hij zijn zoon Salomo, zeggende:
1 Quando estava chegando o dia da morte de Davi, ele deu conselhos ao seu filho Salomão. Davi disse:
2 Ik ga heen in den weg der ganse aarde, zo wees sterk, en wees een man.
2 — Está chegando o dia da minha morte. Portanto, seja corajoso e seja homem!
3 En neem waar de wacht des HEEREN, uws Gods, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, gelijk geschreven is in de wet van Mozes; opdat gij verstandelijk handelt in al wat gij doen zult, en al waarheen gij u wenden zult;
3 E faça aquilo que o Senhor , seu Deus, manda. Obedeça a todas as suas leis e mandamentos, como estão escritos na Lei de Moisés. Assim você será bem-sucedido aonde quer que for e em tudo o que fizer.
4 Opdat de HEERE bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Indien uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun ganse hart en met hun ganse ziel te wandelen, zo zal geen man, zeide Hij, u afgesneden worden van den troon Israels.
4 Se você obedecer ao Senhor Deus, ele cumprirá a promessa que me fez. Ele me prometeu que os meus descendentes governariam Israel enquanto obedecessem cuidadosamente e fielmente aos seus mandamentos, com todo o seu coração e com toda a sua alma.
5 Zo weet gij ook, wat Joab, de zoon van Zeruja, mij gedaan heeft, en wat hij gedaan heeft aan de twee krijgsoversten van Israel, Abner, den zoon van Ner, en Amasa, den zoon van Jether, dien hij gedood heeft, en heeft krijgsbloed vergoten in vrede; en hij heeft krijgsbloed gedaan aan zijn gordel, die aan zijn lendenen was, en aan zijn schoenen, die aan zijn voeten waren.
5 — Além disso, você sabe o que Joabe, cuja mãe é Zeruia, me fez. Ele matou os dois comandantes do exército de Israel, isto é, Abner, filho de Ner, e Amasa, filho de Jéter. Você sabe como, em tempo de paz, ele os matou para vingar as mortes que eles haviam causado em tempo de guerra. Joabe matou homens inocentes, e agora eu sou o responsável pelo que ele fez e estou sofrendo as consequências.
6 Doe dan naar uw wijsheid, dat gij zijn grauwe haar niet met vrede in het graf laat dalen.
6 Você sabe o que deve fazer. Não deixe que ele tenha morte natural.
7 Maar aan de zonen van Barzillai, den Gileadiet, zult gij weldadigheid bewijzen, en zij zullen zijn onder degenen, die aan uw tafel eten; want alzo naderden zij tot mij, als ik vluchtte voor het aangezicht van uw broeder Absalom.
7 — Mas seja bondoso para os filhos de Barzilai, que é de Gileade, e deixe que eles comam à sua mesa, pois foram bons para mim quando eu estava fugindo do seu irmão Absalão. Davi continuou:
8 En zie, bij u is Simei, de zoon van Gera, de zoon van Jemini, uit Bahurim, die mij vloekte met een geweldigen vloek, ten dage als ik ging naar Mahanaim; doch hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan, en ik zwoer hem bij den HEERE, zeggende: Zo ik hem met het zwaard dode!
8 — E não esqueça Simei, filho de Gera, da cidade de Baurim, no território da tribo de Benjamim. Ele me amaldiçoou duramente no dia em que fui a Maanaim. Porém, quando eu me encontrei com ele perto do rio Jordão, jurei em nome do Senhor que não o mandaria matar.
9 Maar nu, houd hem niet onschuldig, dewijl gij een wijs man zijt; en gij zult weten, wat gij hem doen zult, opdat gij zijn grauwe haar met bloed in het graf doet dalen.
9 Mas você é um homem sábio e não deve deixar que ele fique sem castigo. Você sabe o que deve fazer para que ele morra.
10 En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids.
10 Davi morreu e foi sepultado ao lado dos seus antepassados na Cidade de Davi .
11 De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israel, zijn veertig jaren; zeven jaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren geregeerd.
11 Ele foi rei de Israel quarenta anos. Governou sete anos em Hebrom e trinta e três anos em Jerusalém.
12 En Salomo zat op den troon van zijn vader David; en zijn koninkrijk werd zeer bevestigd.
12 Salomão ficou no lugar de Davi, o seu pai, como rei, e o seu governo se fortaleceu muito.
13 Toen kwam Adonia, de zoon van Haggith, tot Bathseba, de moeder van Salomo; en zij zeide: Is uw komst vrede? En hij zeide: Vrede.
13 Então Adonias, filho de Hagite, foi visitar Bate-Seba, a mãe de Salomão. Ela perguntou: — A sua visita é de amigo? — É, sim! — respondeu ele.
14 Daarna zeide hij: Ik heb een woord aan u. En zij zeide: Spreek.
14 E continuou: — Eu quero lhe dizer uma coisa. — Diga! — disse ela.
15 Hij zeide dan: Gij weet, dat het koninkrijk mijn was, en het ganse Israel zijn aangezicht op mij gezet had, dat ik koning zijn zou; hoewel het koninkrijk omgewend en mijns broeders geworden is; want het is van den HEERE hem geworden.
15 E Adonias disse: — A senhora sabe que sou eu quem deveria ser o rei e que todos esperavam isso em Israel. Mas as coisas aconteceram de modo diferente, e o meu irmão se tornou rei porque essa era a vontade de Deus, o
16 En nu begeer ik van u een enige begeerte; wijs mijn aangezicht niet af. En zij zeide tot hem: Spreek.
16 Agora vou lhe fazer só um pedido e peço que a senhora me atenda. — O que você quer? — perguntou Bate-Seba.
17 En hij zeide: Spreek toch tot den koning Salomo, want hij zal uw aangezicht niet afwijzen, dat hij mij Abisag, de Sunamietische, ter vrouwe geve.
17 E ele disse: — Peça ao rei Salomão que me dê Abisague, a moça de Suném, para ser minha mulher. Eu sei que Salomão não deixará de atender um pedido seu.
18 En Bathseba zeide: Het is goed, ik zal den koning voor u aanspreken.
18 — Está bem! — respondeu ela. — Eu vou falar com o rei por você.
19 Zo kwam Bathseba tot den koning Salomo, om hem voor Adonia aan te spreken. En de koning stond op, haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijn troon, en deed een stoel voor de moeder des konings zetten; en zij zat aan zijn rechterhand.
19 Então Bate-Seba foi falar com o rei em favor de Adonias. Salomão se levantou para recebê-la e se inclinou diante dela. Depois sentou-se no seu trono e mandou que trouxessem um trono para Bate-Seba, e ela se sentou do lado direito do rei.
20 Toen zeide zij: Ik begeer van u een enige kleine begeerte, wijs mijn aangezicht niet af. En de koning zeide tot haar: Begeer, mijn moeder, want ik zal uw aangezicht niet afwijzen.
20 Aí Bate-Seba disse: — Tenho um pequeno pedido para lhe fazer. Por favor, não recuse. E o rei disse: — Pode pedir, minha mãe. Eu não recusarei.
21 En zij zeide: Laat Abisag, de Sunamietische, aan Adonia, uw broeder, ter vrouwe gegeven worden.
21 Bate-Seba disse: — Dê Abisague em casamento ao seu irmão Adonias.
22 Toen antwoordde de koning Salomo, en zeide tot zijn moeder: En waarom begeert gij Abisag, de Sunamietische, voor Adonia? Begeer ook voor hem het koninkrijk (want hij is mijn broeder, die ouder is dan ik ben), ja, voor hem, en voor Abjathar, den priester, en voor Joab, den zoon van Zeruja.
22 — Por que é que a senhora está pedindo Abisague para Adonias? — perguntou Salomão. — A senhora deveria pedir que eu dê a ele também o reino. Afinal, Adonias é o meu irmão mais velho, e o sacerdote Abiatar e Joabe estão do lado dele!
23 En de koning Salomo zwoer bij den HEERE, zeggende: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, voorzeker Adonia zal dat woord tegen zijn leven gesproken hebben!
23 Aí Salomão jurou pelo Senhor Deus assim: — Que Deus me castigue, e em dobro, se eu não fizer Adonias pagar com a vida por ter feito esse pedido!
24 En nu, zo waarachtig als de HEERE leeft, Die mij bevestigd heeft, en mij heeft doen zitten op den troon van mijn vader David, en Die mij een huis gemaakt heeft, gelijk als Hij gesproken had; voorzeker, Adonia zal heden gedood worden!
24 O Senhor Deus me firmou no trono do meu pai Davi; ele cumpriu a sua promessa e deu o reino a mim e aos meus descendentes. Juro pelo Deus vivo que Adonias morrerá hoje mesmo!
25 En de koning Salomo zond door de hand van Benaja, den zoon van Jojada; die viel op hem aan, dat hij stierf.
25 Então o rei deu ordem a Benaías, e ele foi, atacou Adonias e o matou.
26 En tot Abjathar, den priester, zeide de koning: Ga naar Anathoth, op uw akkers; want gij zijt een man des doods; maar dezen dag zal ik u niet doden, omdat gij de ark des Heeren HEEREN voor het aangezicht van mijn vader David gedragen hebt, en omdat gij verdrukt zijt geweest, in alles, waarin mijn vader verdrukt was.
26 Depois o rei Salomão disse ao sacerdote Abiatar: — Vá para as suas terras em Anatote. Você merece morrer, mas eu não vou mandar matá-lo hoje porque você, quando estava com o meu pai Davi, era o encarregado da
27 Salomo dan verdreef Abjathar, dat hij des HEEREN priester niet ware, om te vervullen het woord des HEEREN, hetwelk Hij over het huis van Eli te Silo gesproken had.
27 Depois Salomão dispensou Abiatar do serviço de sacerdote de Deus e assim fez com que acontecesse o que o Senhor Deus tinha dito em Siló a respeito do sacerdote Eli e dos seus descendentes.
28 Als het gerucht tot Joab kwam (want Joab had zich gewend achter Adonia, hoewel hij zich niet had gewend achter Absalom), zo vluchtte Joab tot de tent des HEEREN, en vatte de hoornen des altaars.
28 Joabe soube do que aconteceu. (Ele havia passado para o lado de Adonias, porém não havia passado para o lado de Absalão.) Então fugiu para a Tenda da Presença do Deus e ficou segurando nas pontas do altar .
29 En het werd den koning Salomo aangezegd, dat Joab tot de tent des HEEREN gevloden was, en zie, hij is bij het altaar. Toen zond Salomo Benaja, den zoon van Jojada, zeggende: Ga heen, val op hem aan.
29 Contaram ao rei Salomão que Joabe havia fugido para a Tenda e estava ao lado do altar. Aí ele mandou um mensageiro perguntar a Joabe por que havia fugido para o altar. Joabe respondeu que havia fugido para o Senhor Deus porque estava com medo de Salomão. Então Salomão mandou que Benaías fosse matar Joabe.
30 En Benaja kwam tot de tent des HEEREN, en zeide tot hem: Zo zegt de koning: Kom uit. En hij zeide: Neen, maar hier zal ik sterven! En Benaja bracht het antwoord weder aan den koning, zeggende: Zo heeft Joab gesproken, en zo heeft hij mij geantwoord.
30 Benaías foi até a Tenda de Deus e disse a Joabe: — O rei mandou você sair daí. — Não saio! — respondeu Joabe. — Eu morrerei aqui. Então Benaías voltou e contou ao rei o que Joabe tinha dito.
31 En de koning zeide tot hem: Doe gelijk als hij gesproken heeft, en val op hem aan, en begraaf hem, opdat gij wegdoet, van mij en van mijns vaders huis, dat bloed, dat Joab zonder oorzaak vergoten heeft.
31 Aí Salomão ordenou: — Faça o que ele disse. Mate-o e sepulte-o. Assim nem eu nem os descendentes do meu pai Davi seremos mais considerados culpados pelo que Joabe fez quando matou homens inocentes.
32 Zo zal de HEERE zijn bloed op zijn hoofd doen wederkeren, omdat hij op twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, aangevallen is, en die met het zwaard gedood heeft, daar het mijn vader David niet wist, Abner, den zoon van Ner, den krijgsoverste van Israel, en Amasa, den zoon van Jether, den krijgsoverste van Juda.
32 O Senhor Deus castigará Joabe pelos assassinatos que cometeu sem o conhecimento do meu pai Davi. Sem o meu pai saber, Joabe matou dois homens que eram inocentes e que eram melhores do que ele: Abner, comandante do exército de Israel, e Amasa, comandante do exército de Judá.
33 Alzo zal hun bloed wederkeren op het hoofd van Joab, en op het hoofd van zijn zaad in eeuwigheid; maar David, en zijn zaad, en zijn huis, en zijn troon zal vrede hebben van den HEERE tot in eeuwigheid.
33 O castigo pelo assassinato desses dois homens cairá para sempre sobre Joabe e sobre os seus descendentes. Mas o Senhor sempre dará prosperidade aos descendentes de Davi que forem reis depois dele.
34 En Benaja, de zoon van Jojada, ging op, en viel op hem aan, en doodde hem; en hij werd begraven in zijn huis, in de woestijn.
34 Então Benaías foi até a Tenda de Deus e matou Joabe. Ele foi sepultado na sua propriedade, em campo aberto.
35 En de koning zette Benaja, den zoon van Jojada, in zijn plaats over het heir; en Zadok, den priester, zette de koning in de plaats van Abjathar.
35 O rei pôs Benaías como comandante do exército no lugar de Joabe e colocou o sacerdote Zadoque no lugar de Abiatar.
36 Daarna zond de koning, en riep Simei, en zeide tot hem: Bouw u een huis in Jeruzalem, en woon aldaar; en ga van daar niet uit herwaarts of derwaarts.
36 Depois o rei Salomão mandou buscar Simei e disse: — Faça uma casa para você aqui em Jerusalém. Fique morando nela e não saia da cidade.
37 Want het zal geschieden ten dage van uw uitgaan, als gij over de beek Kidron zult gaan, weet voorzeker, dat gij den dood sterven zult; uw bloed zal op uw hoofd zijn.
37 E fique sabendo que, no dia em que você sair e atravessar o ribeirão Cedrom, você será morto, e a culpa será somente sua.
38 En Simei zeide tot den koning: Dat woord is goed; gelijk als mijn heer de koning gesproken heeft, alzo zal uw knecht doen. En Simei woonde te Jeruzalem vele dagen.
38 — Está bem, ó rei! — respondeu Simei. — Eu prometo fazer o que o senhor está mandando. E ele ficou morando em Jerusalém por muito tempo.
39 Doch het geschiedde met het einde van drie jaren, dat twee knechten van Simei wegliepen tot Achis, den zoon van Maacha, den koning van Gath; en men gaf het Simei te kennen, zeggende: Zie, uw knechten zijn in Gath.
39 Acontece que, três anos depois, dois escravos de Simei fugiram e foram procurar refúgio com o governador da cidade de Gate, que era Aquis, filho de Maacá.
40 Toen maakte zich Simei op, en zadelde zijn ezel, en toog heen naar Gath tot Achis, om zijn knechten te zoeken; zo toog Simei heen, en bracht zijn knechten van Gath.
40 Simei ficou sabendo; por isso, selou o seu jumento e foi até Gate falar com Aquis a fim de procurar os seus escravos. Ele os achou e os levou de volta para casa.
41 En het werd Salomo aangezegd, dat Simei uit Jeruzalem naar Gath getogen, en wedergekomen was.
41 Quando Salomão soube do que Simei havia feito,
42 Toen zond de koning, en riep Simei, en zeide tot hem: Heb ik u niet beedigd bij den HEERE, en tegen u betuigd, zeggende: Ten dage van uw uitgaan, als gij zult herwaarts of derwaarts gaan, weet voorzeker, dat gij den dood zult sterven? En gij zeidet tot mij: Dat woord is goed, dat ik gehoord heb.
42 mandou buscá-lo e disse: — Eu fiz você jurar em nome do
43 Waarom dan hebt gij den eed des HEEREN niet gehouden, en het gebod, dat ik over u geboden had?
43 Então por que é que você quebrou o seu juramento feito em nome do Senhor e desobedeceu à minha ordem?
44 Verder zeide de koning tot Simei: Gij weet al de boosheid, die uw hart weet, die gij aan mijn vader David gedaan hebt; daarom heeft de HEERE uw boosheid op uw hoofd doen wederkeren.
44 Você sabe muito bem de todo o mal que fez a Davi, meu pai. O Senhor Deus fará com que a sua maldade caia sobre você mesmo,
45 Maar de koning Salomo is gezegend; en de troon van David zal bevestigd zijn voor het aangezicht des HEEREN tot in eeuwigheid.
45 porém me abençoará e fará com que o reino de Davi fique seguro para sempre.
46 En de koning gebood Benaja, den zoon van Jojada; die ging uit, en viel op hem aan, dat hij stierf. Alzo is het koninkrijk bevestigd in de hand van Salomo.
46 Aí o rei deu ordem a Benaías, e ele saiu, atacou Simei e o matou. E assim Salomão controlou completamente a situação do seu governo.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Reis 2, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.