1 Reis 21

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Het geschiedde nu na deze dingen, alzo Naboth, en Jizreeliet, een wijngaard had, die te Jizreel was, bij het paleis van Achab, den koning van Samaria.
1 Depois disso, aconteceu o seguinte: Acabe, rei de Samaria , tinha um palácio em Jezreel. Perto desse palácio havia uma plantação de uvas que pertencia a um homem chamado Nabote.
2 Dat Achab sprak tot Naboth, zeggende: Geef mij uw wijngaard, opdat hij mij zij tot een kruidhof, dewijl hij nabij mijn huis is; en ik zal u daarvoor geven een wijngaard, die beter is dan die; of, zo het goed in uw ogen is, zal ik u in geld deszelfs waarde geven.
2 Certo dia Acabe disse a Nabote: — Dê-me a sua plantação de uvas. Ela fica perto do meu palácio, e eu quero aproveitar o terreno para fazer uma horta. Em troca, eu lhe darei uma plantação de uvas melhor do que a sua ou, se você preferir, eu pagarei um preço justo por ela.
3 Maar Naboth zeide tot Achab: Dat late de HEERE verre van mij zijn, dat ik u de erve mijner vaderen geven zou!
3 — Esta plantação de uvas é uma herança dos meus antepassados! — respondeu Nabote. — Que o Senhor Deus me livre de entregá-la ao senhor!
4 Toen kwam Achab in zijn huis, gemelijk en toornig over het woord, dat Naboth, de Jizreeliet, tot hem gesproken had, en gezegd: Ik zal de erve mijner vaderen niet geven. En hij legde zich neder op zijn bed, en keerde zijn aangezicht om, en at geen brood.
4 Acabe foi para casa aborrecido e com raiva por causa do que Nabote tinha dito. Ele se deitou na cama, virado para a parede, e não quis comer nada.
5 Maar Izebel, zijn huisvrouw, kwam tot hem, en sprak tot hem: Wat is dit, dat uw geest dus gemelijk is, en dat gij geen brood eet?
5 Então a sua esposa Jezabel foi falar com ele e perguntou: — Por que você está assim aborrecido? Por que não quer comer?
6 En hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth, den Jizreeliet, gesproken en hem gezegd heb: Geef mij uw wijngaard om geld, of, zo het u behaagt, zal ik u een wijngaard in zijn plaats geven; maar hij heeft gezegd: Ik zal u mijn wijngaard niet geven.
6 Ele respondeu: — É por causa do que Nabote me falou. Eu lhe disse que queria comprar a sua plantação de uvas ou então, se ele preferisse, eu lhe daria outra em troca. Mas Nabote me disse que não me daria a sua plantação.
7 Toen zeide Izebel, zijn huisvrouw, tot hem: Zoudt gij nu het koninkrijk over Israel regeren? Sta op, eet brood, en uw hart zij vrolijk; ik zal u den wijngaard van Naboth, den Jizreeliet, geven.
7 Então Jezabel disse a Acabe, o seu marido: — Afinal de contas, você é o rei ou não é? Levante-se, anime-se e coma! Eu darei a você a plantação de uvas de Nabote, o homem de Jezreel!
8 Zij dan schreef brieven in den naam van Achab, en verzegelde ze met zijn signet; en zond de brieven tot de oudsten en tot de edelen, die in zijn stad waren, wonende met Naboth.
8 Então ela escreveu algumas cartas em nome de Acabe e carimbou-as com o anel-sinete dele e as mandou para as autoridades e para os líderes de Jezreel.
9 En zij schreef in die brieven, zeggende: Roept een vasten uit, en zet Naboth in de hoogste plaats des volks;
9 As cartas diziam o seguinte: “Mandem avisar que vai haver um dia de jejum, reúnam todo o povo e ponham Nabote no lugar de honra.
10 En zet tegenover hem twee mannen, zonen Belials, die tegen hem getuigen, zeggende: Gij hebt God en den koning gezegend; en voert hem uit, en stenigt hem, dat hij sterve.
10 Ponham sentados na frente dele dois homens de mau caráter para acusarem Nabote de ter amaldiçoado a Deus e ao rei. Depois levem Nabote para fora da cidade e o matem a pedradas.”
11 En de mannen zijner stad, die oudsten en die edelen, die in zijn stad woonden, deden gelijk als Izebel tot hen gezonden had; gelijk als geschreven was in de brieven, die zij tot hen gezonden had.
11 Os líderes e as autoridades de Jezreel fizeram o que Jezabel havia ordenado.
12 Zij riepen een vasten uit; en zij zetten Naboth in de hoogste plaats des volks.
12 Eles mandaram avisar que ia haver um dia de jejum, reuniram o povo e puseram Nabote no lugar de honra.
13 Toen kwamen de twee mannen, zonen Belials, en zetten zich tegenover hem; en de mannen Belials getuigden tegen hem, tegen Naboth, voor het volk, zeggende: Naboth heeft God en den koning gezegend. En zij voerden hem buiten de stad, en stenigden hem met stenen, dat hij stierf.
13 Então, diante do povo, os dois homens de mau caráter acusaram Nabote de haver amaldiçoado a Deus e ao rei. E assim ele foi levado para fora da cidade e morto a pedradas.
14 Daarna zonden zij tot Izebel, zeggende: Naboth is gestenigd en is dood.
14 Depois mandaram dizer a Jezabel: — Nabote foi morto a pedradas.
15 Het geschiedde nu, toen Izebel hoorde, dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izebel tot Achab zeide: Sta op, bezit den wijngaard van Naboth, den Jizreeliet, erfelijk, dien hij u weigerde om geld te geven; want Naboth leeft niet, maar is dood.
15 Logo que Jezabel recebeu o recado, disse a Acabe: — Nabote morreu. Agora vá e tome posse da plantação de uvas que ele não quis vender a você.
16 En het geschiedde, als Achab hoorde, dat Naboth dood was, dat Achab opstond, om naar den wijngaard van Naboth, den Jizreeliet, af te gaan, om dien erfelijk te bezitten.
16 Logo que soube que Nabote estava morto, Acabe foi até a plantação de uvas e tomou posse dela.
17 Doch het woord des HEEREN geschiedde tot Elia, den Thisbiet, zeggende:
17 Então o Senhor Deus disse a Elias, o profeta de Tisbé:
18 Maak u op, ga henen af, Achab, den koning van Israel, tegemoet, die in Samaria is; zie hij is in den wijngaard van Naboth, waarhenen hij afgegaan is, om dien erfelijk te bezitten.
18 — Vá falar com Acabe, rei de Israel, que mora na cidade de Samaria. Você o achará em Jezreel, na plantação de uvas de Nabote. Ele foi até lá para tomar posse dela.
19 En gij zult tot hem spreken, zeggende: Alzo zegt de HEERE: Hebt gij doodgeslagen, en ook een erfelijke bezitting ingenomen? Daartoe zult gij tot hem spreken, zeggende: Alzo zegt de HEERE: In plaats dat de honden het bloed van Naboth gelekt hebben, zullen de honden uw bloed lekken, ja het uwe!
19 Diga a Acabe que eu, o Senhor , estou dizendo a ele: “Você mata o homem e ainda fica com a propriedade dele?” Diga a Acabe que o que eu estou dizendo é isto: “No mesmo lugar onde os cachorros lamberam o sangue de Nabote, eles lamberão o seu próprio sangue.”
20 En Achab zeide tot Elia: Hebt gij mij gevonden, o, mijn vijand? En hij zeide: Ik heb u gevonden, overmits gij uzelven verkocht hebt, om te doen dat kwaad is in de ogen des HEEREN.
20 Quando Acabe viu Elias, perguntou: — Você já me achou, meu inimigo? Elias respondeu: — Achei, sim, porque você se entregou completamente a fazer o que o
21 Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uw nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uitroeien, wat mannelijk is, mitsgaders den beslotene en verlatene in Israel.
21 Por isso, ele lhe diz: “Eu vou fazer com que a desgraça caia sobre você. Vou acabar com você e vou me livrar de todos os homens da sua família, tanto os jovens como os velhos.
22 En Ik zal uw huis maken gelijk het huis van Jerobeam, den zoon van Nebat, en gelijk het huis van Baesa, den zoon van Ahia; om de terging, waarmede gij Mij getergd hebt, en dat gij Israel hebt doen zondigen.
22 Vou fazer com a sua família o mesmo que fiz com a família do rei Jeroboão, filho de Nebate, e com a família de Baasa, filho de Aías. Pois você levou o povo de Israel a pecar, e isso me provocou e me fez ficar irado .”
23 Verder ook over Izebel sprak de HEERE, zeggende: De honden zullen Izebel eten, aan den voorwal van Jizreel.
23 Elias continuou, dizendo: — E, quanto a Jezabel, o
24 Die van Achab sterft in de stad, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten.
24 Os parentes dela que morrerem na cidade serão comidos pelos cachorros, e os que morrerem no campo serão comidos pelos urubus.
25 Doch er was niemand geweest gelijk Achab, die zichzelven verkocht had, om te doen dat kwaad is in de ogen des HEEREN, dewijl Izebel, zijn huisvrouw, hem ophitste.
25 (Não houve ninguém que tivesse se entregado tão completamente a fazer coisas erradas, que não agradam ao Senhor , como fez Acabe. E tudo ele fez por sugestão da sua esposa Jezabel.
26 En hij deed zeer gruwelijk, wandelende achter de drekgoden; naar alles, wat de Amorieten gedaan hadden, die God voor het aangezicht van de kinderen Israels uit de bezitting verdreven had.
26 Acabe cometeu os pecados mais vergonhosos, adorando ídolos, como haviam feito os amorreus, o povo que o Senhor havia expulsado do país conforme o povo de Israel tinha ido avançando.)
27 Het geschiedde nu, als Achab deze woorden hoorde, dat hij zijn klederen scheurde, en een zak om zijn vlees legde, en vastte; hij lag ook neder in den zak, en ging langzaam.
27 Quando Elias acabou de falar, Acabe rasgou as suas roupas, jogou-as longe e vestiu uma roupa de pano grosseiro. Ele não comia nada, dormia em cima de panos grosseiros e andava triste e abatido.
28 En het woord des HEEREN geschiedde tot Elia, den Thisbiet, zeggende:
28 Então o Senhor Deus disse ao profeta Elias:
29 Hebt gij gezien, dat Achab zich vernedert voor Mijn aangezicht? Daarom dewijl hij zich vernedert voor Mijn aangezicht, zo zal Ik dat kwaad in zijn dagen niet brengen; in de dagen zijns zoons zal Ik dat kwaad over zijn huis brengen.
29 — Você viu como Acabe se tem humilhado diante de mim? Já que ele está fazendo isso, não será durante a vida dele que vou trazer a desgraça que prometi. Será durante a vida do filho dele que eu vou fazer cair a desgraça sobre a família de Acabe.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Reis 21, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.