1 Reis 15

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 In het achttiende jaar nu van den koning Jerobeam, den zoon van Nebat, werd Abiam koning over Juda.
1 No décimo oitavo ano do reinado de Jeroboão, filho de Nebate, Abias começou a reinar sobre Judá.
2 Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Maacha, een dochter van Abisalom.
2 Ele reinou três anos em Jerusalém. A mãe dele se chamava Maaca e era filha de Absalão.
3 En hij wandelde in al de zonden zijns vaders, die hij voor hem gedaan had; en zijn hart was niet volkomen met den HEERE, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David.
3 Abias andou em todos os pecados que seu pai havia cometido antes dele, e o seu coração não foi fiel ao Senhor , seu Deus, como havia sido fiel o coração de Davi, seu pai.
4 Maar om Davids wil, gaf de HEERE, zijn God, hem een lamp in Jeruzalem, verwekkende zijn zoon na hem, en bevestigende Jeruzalem.
4 Mas, por amor a Davi, o Senhor , seu Deus, lhe deu uma lâmpada em Jerusalém, levantando seu filho depois dele e dando estabilidade a Jerusalém.
5 Omdat David gedaan had wat recht was in de ogen des HEEREN, en niet geweken was van alles, wat Hij hem geboden had, al de dagen zijns levens, dan alleen in de zaak van Uria, den Hethiet.
5 Porque Davi fez o que era reto aos olhos do Senhor e não se desviou em nada daquilo que o Senhor lhe havia ordenado, em todos os dias da sua vida, a não ser no caso de Urias, o heteu.
6 En er was krijg geweest tussen Rehabeam en tussen Jerobeam, al de dagen zijns levens.
6 Roboão e Jeroboão estiveram sempre em guerra.
7 Het overige nu der geschiedenissen van Abiam, en alles, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? Er was ook krijg tussen Abiam en tussen Jerobeam.
7 Quanto aos demais atos de Abias e a tudo o que fez, não está tudo escrito no Livro da História dos Reis de Judá? Também houve guerra entre Abias e Jeroboão.
8 En Abiam ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en Asa, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.
8 Abias morreu, e eles o sepultaram na Cidade de Davi. E Asa, seu filho, reinou em seu lugar.
9 In het twintigste jaar van Jerobeam, den koning van Israel, werd Asa koning over Juda.
9 No vigésimo ano do reinado de Jeroboão, rei de Israel, Asa começou a reinar sobre Judá.
10 En hij regeerde een en veertig jaren te Jeruzalem, en de naam zijner moeder was Maacha, een dochter van Abisalom.
10 Ele reinou quarenta e um anos em Jerusalém. A mãe dele se chamava Maaca, e era filha de Absalão.
11 En Asa deed wat recht was in de ogen des HEEREN, gelijk zijn vader David.
11 Asa fez o que era reto aos olhos do Senhor , como Davi, seu pai.
12 Want hij nam weg de schandjongens uit het land, en deed weg al de drekgoden, die zijn vaders gemaakt hadden.
12 Porque tirou da terra os prostitutos cultuais e removeu todos os ídolos que seus pais fizeram.
13 Ja, zelfs zijn moeder Maacha zette hij ook af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijken afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa uit haar afgrijselijken afgod, en verbrandde hem aan de beek Kidron.
13 Ele depôs também Maaca, sua mãe, da dignidade de rainha-mãe, porque ela havia feito uma abominável imagem para servir de poste da deusa Aserá. O rei Asa destruiu essa imagem e a queimou no vale do Cedrom.
14 De hoogten werden wel niet weggenomen; nochtans was het hart van Asa volkomen met den HEERE, al zijn dagen.
14 Os lugares altos, porém, não foram destruídos. No entanto, o coração de Asa foi fiel ao Senhor durante toda a sua vida.
15 En hij bracht in het huis des HEEREN de geheiligde dingen zijns vaders, en zijn geheiligde dingen, zilver, en goud, en vaten.
15 Ele trouxe à Casa do Senhor as coisas consagradas por seu pai e as coisas que ele mesmo havia consagrado: prata, ouro e utensílios.
16 En er was krijg tussen Asa en tussen Baesa, den koning van Israel, al hun dagen.
16 Asa e Baasa, rei de Israel, estiveram sempre em guerra.
17 Want Baesa, de koning van Israel, toog op tegen Juda, en bouwde Rama; opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, den koning van Juda.
17 Porque Baasa, rei de Israel, invadiu Judá e começou a edificar a cidade de Ramá, para impedir a entrada e a saída do território de Asa, rei de Judá.
18 Toen nam Asa al het zilver en goud, dat overgebleven was in de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings, en gaf ze in de hand zijner knechten; en de koning Asa zond ze tot Benhadad, den zoon van Tabrimmon, den zoon van Hezion, den koning van Syrie, die te Damaskus woonde, zeggende:
18 Então Asa pegou toda a prata e ouro restantes nos tesouros da Casa do Senhor e os tesouros do palácio real e os entregou aos seus servos. E o rei Asa os enviou a Ben-Hadade, filho de Tabrimom, filho de Heziom, rei da Síria, que morava em Damasco, dizendo:
19 Er is een verbond tussen mij en tussen u, tussen mijn vader en tussen uw vader; zie, ik zend u een geschenk, zilver en goud; ga heen, maak uw verbond te niet met Baesa, den koning van Israel, dat hij aftrekke van tegen mij.
19 — Que haja uma aliança entre mim e você, como houve entre o meu pai e o seu pai. Eis que estou lhe enviando um presente, prata e ouro. Vá e anule a sua aliança com Baasa, rei de Israel, para que ele se retire do meu território.
20 En Benhadad hoorde naar den koning Asa, en zond de oversten der heiren, die hij had, tegen de steden van Israel; en sloeg Ijon, en Dan, en Abel Beth-Maacha, en het ganse Cinneroth, met het ganse land Nafthali.
20 Ben-Hadade deu ouvidos ao rei Asa e enviou os capitães dos seus exércitos contra as cidades de Israel. Eles conquistaram Ijom, Dã, Abel-Bete-Maaca e toda a região de Quinerete, com toda a terra de Naftali.
21 En het geschiedde, als Baesa zulks hoorde, dat hij afliet van Rama te bouwen, en hij bleef te Thirza.
21 Quando Baasa soube disso, deixou de edificar Ramá e ficou em Tirza.
22 Toen liet de koning Asa door gans Juda uitroepen (niemand was vrij), dat zij de stenen van Rama, en het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmede Baesa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmede Geba-Benjamins, en Mizpa.
22 Então o rei Asa fez apregoar por toda a região de Judá que todos, sem exceção, deviam ajudar a trazer de Ramá as pedras e a madeira que Baasa havia usado para edificá-la. Com elas o rei Asa edificou Geba de Benjamim e Mispa.
23 Het overige nu van alle geschiedenissen van Asa, en al zijn macht, en al wat hij gedaan heeft, en de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? Doch in den tijd zijns ouderdoms werd hij krank aan zijn voeten.
23 Quanto aos demais atos de Asa, a todo o seu poder, a tudo o que fez e às cidades que edificou, não está tudo escrito no Livro da História dos Reis de Judá? Porém, no tempo da sua velhice, foi atacado por uma doença nos pés.
24 En Asa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven met zijn vaderen, in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats.
24 Asa morreu e foi sepultado na Cidade de Davi, seu pai. E Josafá, seu filho, reinou em seu lugar.
25 Nadab nu, de zoon van Jerobeam, werd koning over Israel, in het tweede jaar van Asa, den koning van Juda; en hij regeerde twee jaren over Israel.
25 Nadabe, filho de Jeroboão, começou a reinar sobre Israel no segundo ano do reinado de Asa, rei de Judá, e reinou sobre Israel dois anos.
26 En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en wandelde in den weg zijns vaders, en in zijn zonde, waarmede hij Israel had doen zondigen.
26 Fez o que era mau aos olhos do Senhor e andou nos caminhos de seu pai e no pecado que seu pai levou Israel a cometer.
27 En Baesa, de zoon van Ahia, van het huis van Issaschar, maakte een verbintenis tegen hem, en Baesa sloeg hem te Gibbethon, hetwelk der Filistijnen is, als Nadab en gans Israel Gibbethon belegerden.
27 Baasa, filho de Aías, da casa de Issacar, conspirou contra ele e o matou em Gibetom, que era dos filisteus, quando Nadabe e todo o Israel cercavam Gibetom.
28 En Baesa doodde hem, in het derde jaar van Asa, den koning van Juda, en werd koning in zijn plaats.
28 No terceiro ano do reinado de Asa, rei de Judá, Baasa matou Nadabe e passou a reinar em seu lugar.
29 Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het ganse huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst van Zijn knecht Ahia, den Siloniet;
29 Logo que começou a reinar, matou toda a descendência de Jeroboão. Não deixou ninguém com vida; exterminou todos, segundo a palavra do Senhor , anunciada por meio do seu servo Aías, de Siló,
30 Om de zonden van Jerobeam, die zondigde, en die Israel zondigen deed, en om zijn terging, waarmede hij den HEERE, den God Israels, getergd had.
30 por causa dos pecados que Jeroboão havia cometido e pelos que havia levado Israel a cometer, por causa da provocação com que havia irritado o Senhor , Deus de Israel.
31 Het overige nu der geschiedenissen van Nadab, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
31 Quanto aos demais atos de Nadabe e a tudo o que fez, não está tudo escrito no Livro da História dos Reis de Israel?
32 En er was oorlog tussen Asa en tussen Baesa, den koning van Israel, al hun dagen.
32 Asa e Baasa, rei de Israel, estiveram sempre em guerra.
33 In het derde jaar van Asa, koning van Juda, werd Baesa, de zoon van Ahia, koning over gans Israel, te Thirza, en regeerde vier en twintig jaren.
33 No terceiro ano do reinado de Asa, rei de Judá, Baasa, filho de Aías, começou a reinar sobre todo o Israel, em Tirza, e reinou vinte e quatro anos.
34 En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en wandelde in den weg van Jerobeam, en in zijn zonde, waarmede hij Israel had doen zondigen.
34 Fez o que era mau aos olhos do Senhor e andou no caminho de Jeroboão e no seu pecado, o qual havia feito Israel cometer.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Reis 15, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.