1 Reis 14

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Te dierzelfder tijd was Abia, de zoon van Jerobeam, krank.
1 Naquele tempo, Abias, filho de Jeroboão, adoeceu.
2 En Jerobeam zeide tot zijn huisvrouw: Maak u nu op, en verstel u, dat men niet merkte, dat gij Jerobeams huisvrouw zijt, en ga heen naar Silo, zie, daar is de profeet Ahia, die van mij gesproken heeft, dat ik koning zou zijn over dit volk.
2 Então Jeroboão disse à sua mulher: — Levante-se, ponha um disfarce para que não saibam que você é a mulher de Jeroboão e vá até Siló. Eis que lá está o profeta Aías, que disse a meu respeito que eu seria rei sobre este povo.
3 En neem in uw hand tien broden, en koeken, en een kruik honig, en ga tot hem; hij zal u te kennen geven, wat dezen jongen geschieden zal.
3 Leve com você dez pães, alguns bolos e um pote de mel e vá falar com ele. Ele lhe dirá o que vai acontecer com este menino.
4 En Jerobeams huisvrouw deed alzo, en maakte zich op, en ging naar Silo, en kwam in het huis van Ahia. Ahia nu kon niet zien, want zijn ogen stonden stijf vanwege zijn ouderdom.
4 A mulher de Jeroboão fez o que lhe foi pedido: levantou-se, foi até Siló e entrou na casa de Aías. Este já não podia ver, porque os seus olhos já não se moviam, por causa da velhice.
5 Maar de HEERE zeide tot Ahia: Zie, Jerobeams huisvrouw komt, om een zaak van u te vragen, aangaande haar zoon, want hij is krank; zo en zo zult gij tot haar spreken, en het zal zijn, als zij inkomt, dat zij zich vreemd aanstellen zal.
5 Porém o Senhor disse a Aías: — Eis que a mulher de Jeroboão está vindo para lhe perguntar a respeito do filho dela, que está doente. Assim e assim você deve falar com ela. Ao chegar, ela vai estar disfarçada.
6 En het geschiedde, als Ahia het geruis harer voeten hoorde, toen zij ter deure inkwam, dat hij zeide: Kom in, gij huisvrouw van Jerobeam! Waarom stelt gij u dus vreemd aan? Want ik ben tot u gezonden met een harde boodschap.
6 Quando ela estava entrando pela porta, Aías ouviu o ruído de seus pés e disse: — Entre, mulher de Jeroboão. Por que você veio disfarçada? Estou encarregado de lhe dar más notícias.
7 Ga heen, zeg Jerobeam: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Daarom, dat Ik u verheven heb uit het midden des volks, en u tot een voorganger over Mijn volk Israel gesteld heb;
7 Vá e diga a Jeroboão: Assim diz o Senhor , Deus de Israel: “Eu tirei você do meio do povo e fiz com que você se tornasse chefe sobre o meu povo de Israel.
8 En het koninkrijk van het huis van David gescheurd, en dat u gegeven heb, en gij niet geweest zijt, gelijk Mijn knecht David, die Mijn geboden hield, en die Mij met zijn ganse hart navolgde, om te doen alleen wat recht is in Mijn ogen;
8 Tirei o reino da casa de Davi e o entreguei a você. Mas você não foi como o meu servo Davi, que guardou os meus mandamentos e me seguiu de todo o coração, fazendo somente o que é reto aos meus olhos.
9 Maar kwaad gedaan hebt, doende des meer dan allen, die voor u geweest zijn, en henengegaan zijt, en hebt u andere goden en gegotene beelden gemaakt, om Mij tot toorn te verwekken, en hebt Mij achter uw rug geworpen;
9 Pelo contrário, você fez o mal, pior do que todos os reis que vieram antes de você. Fez outros deuses e imagens de fundição, para provocar-me à ira, e me virou as costas.
10 Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien, wat mannelijk is, den beslotene en verlatene in Israel; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.
10 Portanto, eis que trarei o mal sobre a casa de Jeroboão, e eliminarei de Jeroboão todo e qualquer indivíduo do sexo masculino, tanto o escravo como o livre, e lançarei fora os descendentes da casa de Jeroboão como se lança fora o esterco, até que, de todo, ela se acabe.
11 Die van Jerobeam in de stad sterft, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten; want de HEERE heeft het gesproken.
11 Se alguém da casa de Jeroboão morrer na cidade, os cães o comerão; e se alguém morrer no campo, as aves do céu o comerão, porque o Senhor o disse.”
12 Gij dan maak u op, ga naar uw huis; als uw voeten in de stad zullen gekomen zijn, zo zal het kind sterven.
12 — Quanto a você, mulher de Jeroboão, levante-se e volte para casa. Quando você puser os pés na cidade, o menino morrerá.
13 En gans Israel zal hem beklagen, en hem begraven; want deze alleen van Jerobeam zal in het graf komen, omdat in hem wat goeds voor den HEERE, den God Israels, in het huis van Jerobeam gevonden is.
13 Todo o Israel o pranteará e o sepultará. Ele será o único da casa de Jeroboão que será sepultado, porque nele se achou alguma coisa boa para com o Senhor , Deus de Israel, na casa de Jeroboão.
14 Doch de HEERE zal Zich een koning verwekken over Israel, die het huis van Jerobeam ten zelfden dage uitroeien zal; maar wat zal het ook nu zijn?
14 O Senhor , porém, levantará para si um rei sobre Israel, que eliminará, no seu dia, a casa de Jeroboão. Quando será? Já está acontecendo.
15 De HEERE zal ook Israel slaan, gelijk een riet in het water omgedreven wordt, en zal Israel uitrukken uit dit goede land, dat Hij hun vaderen gegeven heeft, en zal hen verstrooien op gene zijde der rivier; daarom dat zij hun bossen gemaakt hebben, den HEERE tot toorn verwekkende.
15 O Senhor ferirá Israel para que se agite como a cana se agita nas águas. Vai arrancar Israel desta boa terra que ele deu aos seus pais e o espalhará para além do Eufrates, porque fizeram postes da deusa Aserá, provocando o Senhor à ira.
16 En Hij zal Israel overgeven, om Jerobeams zonden wil, die gezondigd heeft, en die Israel heeft doen zondigen.
16 Entregará Israel por causa dos pecados que Jeroboão cometeu e pelos que fez Israel cometer.
17 Toen maakte zich Jerobeams vrouw op, en ging heen, en kwam te Thirza; als zij nu op den dorpel van het huis kwam, zo stierf de jongeling.
17 Então a mulher de Jeroboão se levantou, foi e chegou a Tirza. Quando ela chegou à soleira da porta, o menino morreu.
18 En zij begroeven hem, en gans Israel beklaagde hem; naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst van Zijn knecht Ahia, den profeet.
18 Sepultaram-no, e todo o Israel o pranteou, segundo a palavra do Senhor , anunciada por meio do profeta Aías, seu servo.
19 Het overige nu der geschiedenissen van Jerobeam, hoe hij gekrijgd, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
19 Quanto aos demais atos de Jeroboão, como guerreou e como reinou, está tudo escrito no Livro da História dos Reis de Israel.
20 De dagen nu, die Jerobeam heeft geregeerd, zijn twee en twintig jaren; en hij ontsliep met zijn vaderen, en Nadab, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.
20 Foi de vinte e dois anos o tempo que Jeroboão reinou. Ele morreu, e Nadabe, seu filho, reinou em seu lugar.
21 Rehabeam nu, de zoon van Salomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehabeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die de HEERE verkoren had uit al de stammen van Israel, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Naama, de Ammonietische.
21 Roboão, filho de Salomão, reinou em Judá. Ele tinha quarenta e um anos de idade quando começou a reinar e reinou dezessete anos em Jerusalém, na cidade que o Senhor havia escolhido de todas as tribos de Israel, para estabelecer ali o seu nome. A mãe de Roboão se chamava Naamá, e era amonita.
22 En Juda deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en zij verwekten Hem tot ijver, meer dan al hun vaderen gedaan hadden, met hun zonden, die zij zondigden.
22 Judá fez o que era mau aos olhos do Senhor , e, com os pecados que cometeu, despertou o seu ciúme, mais do que os seus pais haviam feito.
23 Want ook zij bouwden zich hoogten, en opgerichte beelden, en bossen, op allen hogen heuvel, en onder allen groenen boom.
23 Porque também os de Judá edificaram altos, estátuas, colunas e postes da deusa Aserá sobre todas as colinas e debaixo de todas as árvores frondosas.
24 Er waren ook schandjongens in het land; zij deden naar al de gruwelen der heidenen, die de HEERE van het aangezicht der kinderen Israels uit de bezitting verdreven had.
24 Havia também na terra prostitutos cultuais. Fizeram segundo todas as coisas abomináveis das nações que o Senhor havia expulsado de diante dos filhos de Israel.
25 Het geschiedde nu in het vijfde jaar van den koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, optoog tegen Jeruzalem.
25 No quinto ano do reinado de Roboão, Sisaque, rei do Egito, atacou Jerusalém.
26 En hij nam de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings weg, ja, hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had.
26 Levou embora os tesouros da Casa do Senhor e os tesouros do palácio real. Levou tudo, inclusive todos os escudos de ouro que Salomão tinha feito.
27 En de koning Rehabeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten der trawanten, die de deur van het huis des konings bewaarden.
27 Em lugar destes, o rei Roboão fez escudos de bronze e os entregou nas mãos dos capitães da guarda, que guardavam o portão do palácio real.
28 En het geschiedde, zo wanneer de koning in het huis des HEEREN ging, dat de trawanten dezelve droegen, en die wederbrachten in der trawanten wachtkamer.
28 Toda vez que o rei entrava na Casa do Senhor , os da guarda usavam os escudos e depois os devolviam à câmara da guarda.
29 Het overige nu der geschiedenissen van Rehabeam, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
29 Quanto aos demais atos de Roboão e a tudo o que ele fez, não está tudo escrito no Livro da História dos Reis de Judá?
30 En er was krijg tussen Rehabeam en tussen Jerobeam, al hun dagen.
30 Roboão e Jeroboão estiveram sempre em guerra.
31 En Rehabeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en de naam zijner moeder was Naama, de Ammonietische; en zijn zoon Abiam regeerde in zijn plaats.
31 Roboão morreu e foi sepultado nos túmulos de seus pais, na Cidade de Davi. A mãe dele se chamava Naamá, e era amonita. E Abias, filho de Roboão, reinou em seu lugar.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Reis 14, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.