1 Reis 11

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 En de koning Salomo had veel vreemde vrouwen lief, en dat benevens de dochter van Farao: Moabietische, Ammonietische, Edomietische, Sidonische, Hethietische;
1 Além da filha de Faraó, Salomão amou muitas mulheres estrangeiras: moabitas, amonitas, edomitas, sidônias e heteias,
2 Van die volken, waarvan de HEERE gezegd had tot de kinderen Israels: Gijlieden zult tot hen niet ingaan, en zij zullen tot u niet inkomen; zij zouden zekerlijk uw hart achter hun goden neigen; aan deze hing Salomo met liefde.
2 mulheres das nações de que o Senhor tinha dito aos filhos de Israel: “Não casem com elas, nem casem elas com vocês, pois perverteriam o coração de vocês, para seguirem os seus deuses.” A estas Salomão se apegou pelo amor.
3 En hij had zevenhonderd vrouwen, vorstinnen, en driehonderd bijwijven; en zijn vrouwen neigden zijn hart.
3 Tinha setecentas mulheres que eram princesas e trezentas concubinas; e suas mulheres lhe perverteram o coração.
4 Want het geschiedde in den tijd van Salomo's ouderdom, dat zijn vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet volkomen was met den HEERE, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David.
4 Sendo já velho, suas mulheres lhe perverteram o coração para seguir outros deuses, e o coração dele não era fiel ao Senhor , seu Deus, como havia sido fiel o coração de Davi, seu pai.
5 Want Salomo wandelde Astoreth, den god der Sidoniers, na, en Milchom, het verfoeisel der Ammonieten.
5 Salomão seguiu Astarote, deusa dos sidônios, e Milcom, abominação dos amonitas.
6 Alzo deed Salomo dat kwaad was in de ogen des HEEREN; en volhardde niet den HEERE te volgen, gelijk zijn vader David.
6 Assim, Salomão fez o que era mau aos olhos do Senhor e não perseverou em seguir o Senhor , como Davi, seu pai, havia feito.
7 Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, op den berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel der kinderen Ammons.
7 Nesse tempo, sobre o monte que fica diante de Jerusalém, Salomão construiu um santuário a Quemos, abominação de Moabe, e a Moloque, abominação dos filhos de Amom.
8 En alzo deed hij voor al zijn vreemde vrouwen, die haar goden rookten en offerden.
8 Assim fez para todas as suas mulheres estrangeiras, as quais queimavam incenso e ofereciam sacrifícios aos seus deuses.
9 Daarom vertoornde Zich de HEERE tegen Salomo, omdat hij zijn hart geneigd had van den HEERE, den God Israels, Die hem tweemaal verschenen was.
9 O Senhor se indignou contra Salomão, por ter desviado o seu coração do Senhor , Deus de Israel, que lhe havia aparecido duas vezes
10 En hem van deze zaak geboden had, dat hij andere goden niet zou nawandelen; doch hij hield niet, wat de HEERE geboden had.
10 e ordenado que não seguisse outros deuses. Ele, porém, não guardou o que o Senhor lhe havia ordenado.
11 Daarom zeide de HEERE tot Salomo: Dewijl dit bij u geschied is, dat gij niet hebt gehouden Mijn verbond en Mijn inzettingen, die Ik u geboden heb; Ik zal gewisselijk dit koninkrijk van u scheuren, en datzelve uw knecht geven.
11 Por isso o Senhor disse a Salomão: — Já que você procedeu assim e não guardou a minha aliança, nem os meus estatutos que lhe ordenei, vou tirar o reino de você e dá-lo a um dos seus servos.
12 In uw dagen nochtans zal Ik dat niet doen, om uws vaders Davids wil, van de hand uws zoons zal Ik het scheuren.
12 No entanto, por amor a Davi, seu pai, não farei isso enquanto você estiver vivo, mas durante o reinado do seu filho.
13 Doch Ik zal het gehele koninkrijk niet afscheuren; een stam zal Ik uw zoon geven, om Mijns knechts Davids wil, en om Jeruzalems wil, dat Ik verkoren heb.
13 Todavia, não tirarei o reino todo; darei uma tribo a seu filho, por amor a Davi, meu servo, e por amor a Jerusalém, que escolhi.
14 Zo verwekte de HEERE Salomo een tegenpartijder, Hadad, den Edomiet; hij was van des konings zaad in Edom.
14 O Senhor levantou um adversário contra Salomão, a saber, Hadade, o edomita, que era da linhagem real de Edom.
15 Want het was geschied, als David in Edom was, toen Joab, de krijgsoverste, optoog, om de verslagenen te begraven, dat hij al wat mannelijk was in Edom sloeg;
15 Porque, quando Davi esteve em Edom, Joabe, o comandante do exército, que tinha ido sepultar os mortos, matou todos os homens em Edom.
16 Want Joab bleef aldaar zes maanden, met het ganse Israel, totdat hij al wat mannelijk was in Edom uitgeroeid had.
16 Porque Joabe ficou ali seis meses com todo o Israel, até que eliminou todos os homens em Edom.
17 Doch Hadad was ontvloden, hij en enige Edomietische mannen uit zijns vaders knechten met hem, om in Egypte te komen; Hadad nu was een klein jongsken.
17 Porém Hadade fugiu para o Egito na companhia de alguns homens edomitas, dos servos de seu pai. Na ocasião, Hadade era ainda muito jovem.
18 En zij maakten zich op van Midian, en kwamen tot Paran, en kwamen in Egypte tot Farao, den koning van Egypte, die hem een huis gaf, en hem voeding toezeide, en hem een land gaf.
18 Partiram de Midiã e foram até Parã, de onde levaram consigo alguns homens e chegaram ao Egito, a Faraó, rei do Egito, que deu a Hadade uma casa, e lhe prometeu sustento, e lhe deu terras.
19 En Hadad vond grote genade in de ogen van Farao, zodat hij hem tot een vrouw gaf de zuster zijner huisvrouw, de zuster van Tachpenes, de koningin.
19 Hadade encontrou favor aos olhos de Faraó, tanto que este lhe deu por mulher a irmã de sua própria mulher,
20 En de zuster van Tachpenes baarde hem zijn zoon Genubath, denwelken Tachpenes optoog in het huis van Farao; zodat Genubath in het huis van Farao was, onder de zonen van Farao.
20 a irmã de Tafnes, a rainha. A irmã de Tafnes deu-lhe à luz seu filho Genubate, que foi criado por Tafnes na casa de Faraó, onde Genubate ficou entre os filhos de Faraó.
21 Toen nu Hadad in Egypte hoorde, dat David met zijn vaderen ontslapen, en dat Joab, de krijgsoverste, dood was, zeide Hadad tot Farao: Laat mij gaan, dat ik in mijn land trekke.
21 Quando Hadade soube no Egito que Davi tinha morrido e que Joabe, comandante do exército, estava morto, disse a Faraó: — Deixe-me voltar para a minha terra.
22 Doch Farao zeide: Maar wat ontbreekt u bij mij, dat, zie, gij in uw land zoekt te trekken? En hij zeide: Niets, maar laat mij evenwel gaan.
22 Então Faraó lhe perguntou: — Mas o que lhe falta comigo, para que você queira voltar para a sua terra? Hadade respondeu: — Não me falta nada; mas deixe-me ir.
23 Ook verwekte God hem een wederpartijder, Rezon, den zoon van Eljada, die gevloden was van zijn heer Hadad-ezer, den koning van Zoba,
23 Deus levantou mais um adversário contra Salomão, a saber, Rezom, filho de Eliada, que havia fugido de seu senhor Hadadezer, rei de Zobá.
24 Tegen welken hij ook mannen vergaderd had, en werd overste ener bende, als David die doodde; en getrokken zijnde naar Damaskus, woonden zij aldaar, en regeerden in Damaskus.
24 Ele ajuntou homens e se fez chefe de um bando. Depois do morticínio feito por Davi, eles se foram para Damasco, onde habitaram e fizeram de Rezom o seu rei.
25 En hij was Israels tegenpartijder al de dagen van Salomo, en dat benevens het kwaad, dat Hadad deed; want hij had een afkeer van Israel, en hij regeerde over Syrie.
25 Este foi adversário de Israel durante toda a vida de Salomão, e lhe fez mal, como Hadade havia feito. Rezom detestava Israel e reinava sobre a Síria.
26 Daartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet van Zereda, Salomo's knecht (wiens moeders naam was Zerua, een weduwvrouw), hief ook de hand op tegen den koning.
26 Jeroboão, filho de Nebate, efraimita de Zereda, servo de Salomão, e cuja mãe era uma viúva chamada Zerua, revoltou-se contra o rei.
27 Dit is nu de zaak, waarom hij de hand tegen den koning ophief. Salomo bouwde Millo, en sloot de breuk der stad van zijn vader David toe.
27 Esta foi a causa por que levantou a sua mão contra o rei: Salomão estava edificando Milo e reparando as brechas da cidade de seu pai Davi.
28 En de man Jerobeam was een dapper held. Toen Salomo dezen jongeling zag, dat hij arbeidzaam was, zo stelde hij hem over al den last van het huis van Jozef.
28 Jeroboão era um homem valente e capaz. Quando Salomão viu que ele era um jovem que fazia bem o seu trabalho, ele o encarregou de todos os trabalhadores forçados da casa de José.
29 Het geschiedde nu te dier tijd, als Jerobeam uit Jeruzalem uitging, dat de profeet Ahia, de Siloniet, hem op den weg vond, en hij zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alleen op het veld waren;
29 Aconteceu que, nesse tempo, quando Jeroboão estava saindo de Jerusalém, o profeta Aías, de Siló, o encontrou no caminho. O profeta estava usando uma capa nova, e os dois estavam sozinhos no campo.
30 Zo vatte Ahia het nieuwe kleed, dat aan hem was, en scheurde het, in twaalf stukken.
30 Aías pegou a capa nova que estava usando, rasgou-a em doze pedaços
31 En hij zeide tot Jerobeam: Neem u tien stukken; want alzo zegt de HEERE, de God Israels: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven.
31 e disse a Jeroboão: — Pegue dez pedaços, porque assim diz o
32 Maar een stam zal hij hebben, om Mijns knechts Davids wil, en om Jeruzalems wil, de stad, die Ik verkoren heb uit alle stammen van Israel.
32 Porém ele terá uma tribo, por amor a Davi, meu servo, e por amor a Jerusalém, a cidade que escolhi de todas as tribos de Israel.
33 Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, den god der Sidoniers, Kamos, den god der Moabieten, en Milchom, den god der kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David.
33 Porque Salomão me abandonou e se inclinou diante de Astarote, deusa dos sidônios, diante de Quemos, deus de Moabe, e diante de Milcom, deus dos filhos de Amom. Ele não andou nos meus caminhos para fazer o que é reto aos meus olhos, a saber, para guardar os meus estatutos e os meus juízos, como fez Davi, seu pai.
34 Doch niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen zijns levens, om Mijns knechts Davids wil, dien Ik verkoren heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen gehouden heeft.
34 Porém não vou tirar de Salomão o reino todo; pelo contrário, farei com que ele governe durante todos os dias da sua vida, por amor a Davi, meu servo, que escolhi e que guardou os meus mandamentos e os meus estatutos.
35 Maar uit de hand zijns zoons zal Ik het koninkrijk nemen; en Ik zal u daarvan tien stammen geven.
35 Mas da mão do filho de Salomão tomarei o reino, a saber, as dez tribos, e as darei a você.
36 En zijn zoon zal Ik een stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij verkoren heb, om Mijn Naam daar te stellen.
36 E ao filho dele darei uma tribo, para que Davi, meu servo, tenha sempre uma lâmpada diante de mim em Jerusalém, a cidade que escolhi para pôr ali o meu nome.
37 Zo zal Ik u nemen, en gij zult regeren over al wat uw ziel zal begeren; en gij zult koning zijn over Israel.
37 Quanto a você, eu o tomarei e você reinará sobre tudo o que desejar a sua alma; e você será rei sobre Israel.
38 En het zal geschieden, zo gij horen zult al wat Ik u zal gebieden, en in Mijn wegen zult wandelen, en doen wat recht in Mijn ogen is, houdende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als Mijn knecht David gedaan heeft; dat Ik met u zal zijn, en u een bestendig huis bouwen, gelijk als Ik David gebouwd heb, en zal u Israel geven.
38 Se você ouvir tudo o que eu lhe ordenar, e andar nos meus caminhos, e fizer o que é reto aos meus olhos, guardando os meus estatutos e os meus mandamentos, como fez Davi, meu servo, eu estarei com você, e lhe edificarei uma casa estável, como edifiquei para Davi, e darei Israel a você.
39 En Ik zal om diens wil het zaad van David verootmoedigen; nochtans niet altijd.
39 Por causa disso, afligirei a descendência de Davi, mas não para sempre.”
40 Daarom zocht Salomo Jerobeam te doden; maar Jerobeam maakte zich op, en vlood in Egypte, tot Sisak, den koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Salomo stierf.
40 Salomão tentou matar Jeroboão, mas este se levantou e fugiu para o Egito, para junto de Sisaque, rei do Egito; e ali permaneceu até a morte de Salomão.
41 Het overige nu der geschiedenissen van Salomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijn wijsheid, is dat niet geschreven in het boek der geschiedenissen van Salomo?
41 Quanto aos demais atos de Salomão, a tudo o que fez e à sua sabedoria, não está tudo escrito no Livro da História de Salomão?
42 De tijd nu, dien Salomo te Jeruzalem over het ganse Israel regeerde, was veertig jaar.
42 O tempo que Salomão reinou sobre todo o Israel, em Jerusalém, foi de quarenta anos.
43 Daarna ontsliep Salomo met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van zijn vader David; en Rehabeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
43 Salomão morreu e foi sepultado na Cidade de Davi, seu pai, e Roboão, seu filho, reinou em seu lugar.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Reis 11, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.