1 Crônicas 7

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 De kinderen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier.
1 Os filhos de Issacar foram: Tola, Puá, Jasube e Sinrom, quatro ao todo.
2 De kinderen van Thola nu waren Uzzi, en Refaja, en Jeriel, en Jachmai, en Jibsam, en Samuel; hoofden van de huizen hunner vaderen, van Thola, kloeke helden in hun geslachten; hun getal was in de dagen van David twee en twintig duizend en zeshonderd.
2 Os filhos de Tola foram: Uzi, Refaías, Jeriel, Jamai, Ibsão e Samuel, chefes das suas famílias, descendentes de Tola; homens valentes nas suas gerações, cujo número, nos dias de Davi, foi de vinte e dois mil e setecentos.
3 En de kinderen van Uzzi waren Jizrahja; en de kinderen van Jizrahja waren Michael, en Obadja, en Joel, en Jisia; deze vijf waren al te zamen hoofden.
3 O filho de Uzi foi Izraías; e os filhos de Izraías foram: Micael, Obadias, Joel e Issias, cinco ao todo; todos eles chefes.
4 En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de hopen des krijgsheirs zes en dertig duizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen.
4 Tinham, nas suas gerações, segundo as suas famílias, em tropas de guerra, trinta e seis mil homens; pois tinham muitas mulheres e filhos.
5 En hun broeders, in alle huisgezinnen van Issaschar, kloeke helden, waren zeven en tachtig duizend, al dezelve in geslachtsregisters gesteld zijnde.
5 Seus irmãos, em todas as famílias de Issacar, homens valentes, foram oitenta e sete mil, todos registrados pelas suas genealogias.
6 De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie.
6 Os filhos de Benjamim foram: Belá, Bequer e Jediael, três ao todo.
7 En de kinderen van Bela waren Ezbon, en Uzzi, en Uzziel, en Jerimoth, en Iri; vijf hoofden in de huizen der vaderen, kloeke helden; die, in geslachtsregisters gesteld zijnde, waren twee en twintig duizend en vier en dertig.
7 Os filhos de Belá foram: Esbom, Uzi, Uziel, Jerimote e Iri; cinco ao todo; chefes das suas famílias, homens valentes, foram vinte e dois mil e trinta e quatro, registrados pelas suas genealogias.
8 De kinderen van Becher nu waren Zemira, en Joas, en Eliezer, en Eljoenai, en Omri, en Jeremoth, en Abija, en Anathoth, en Alemeth; deze allen waren kinderen van Becher.
8 Os filhos de Bequer foram: Zemira, Joás, Eliézer, Elioenai, Onri, Jerimote, Abias, Anatote e Alemete; todos filhos de Bequer.
9 Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.
9 O número deles, registrados pelas suas genealogias, segundo as suas gerações, chefes das suas famílias, homens valentes, vinte mil e duzentos.
10 De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
10 O filho de Jediael foi Bilã; os filhos de Bilã foram: Jeús, Benjamim, Eúde, Quenaana, Zetã, Társis e Aisaar.
11 Alle dezen waren kinderen van Jediael, tot hoofden der vaderen, kloeke helden, zeventien duizend en tweehonderd, uitgaande in het heir ten strijde.
11 Todos estes, filhos de Jediael, foram chefes das suas famílias, homens valentes, dezessete mil e duzentos, capazes de sair à guerra.
12 Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.
12 Supim e Hupim eram filhos de Ir; e Husim era filho de Aer.
13 De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
13 Os filhos de Naftali foram: Jaziel, Guni, Jezer e Salum, filhos de Bila.
14 De kinderen van Manasse waren Asriel, welken de vrouw van Gilead baarde; doch zijn bijwijf, de Syrische, baarde Machir, den vader van Gilead.
14 Os filhos de Manassés foram: Asriel, de sua concubina síria, que também deu à luz Maquir, pai de Gileade.
15 Machir nu nam tot een vrouw de zuster van Huppim en Suppim, en haar naam was Maacha; en de naam des tweeden was Zelafead. Zelafead nu had dochters.
15 Maquir tomou a irmã de Hupim e Supim por mulher. O nome dela era Maaca; o nome do irmão de Maquir era Zelofeade, o qual teve só filhas.
16 En Maacha, de huisvrouw van Machir, baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Peres, en de naams zijns broeders was Seres, en zijn zonen waren Ulam en Rekem.
16 Maaca, mulher de Maquir, teve um filho, a quem chamou Perez; irmão deste foi Seres. Os filhos de Perez foram Ulão e Requém.
17 De kinderen van Ulam nu waren Bedan; dezen zijn de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse.
17 O filho de Ulão foi Bedã. Tais foram os filhos de Gileade, filho de Maquir, filho de Manassés.
18 Belangende nu zijn zuster Molecheth, zij baarde Ishod, en Abiezer, en Mahela.
18 Sua irmã Hamolequete deu à luz Isode, Abiezer e Macla.
19 De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.
19 Os filhos de Semida foram: Aiã, Siquém, Liqui e Anião.
20 En de kinderen van Efraim waren Suthelah; en zijn zoon was Bered; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Elada; en zijn zoon Tahath;
20 O filho de Efraim foi Sutela, de quem foi filho Berede, de quem foi filho Taate, de quem foi filho Eleada, de quem foi filho Taate,
21 En zijn zoon was Zabad; en zijn zoon Suthelah, en Ezer, en Elad. En de mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen.
21 de quem foi filho Zabade, de quem foi filho Sutela; e ainda Ézer e Eleade, mortos pelos homens de Gate, naturais da terra, pois eles foram roubar o gado destes.
22 Daarom droeg Efraim, hun vader, vele dagen leed; en zijn broeders kwamen om hem te troosten.
22 Efraim, seu pai, chorou por eles muitos dias, e os irmãos dele foram consolá-lo.
23 Daarna ging hij in tot zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Beria, omdat zij in ellende was in zijn huis.
23 Depois, teve relações com sua mulher, ela ficou grávida e teve um filho, a quem ele chamou Berias, por causa da desgraça que sua família havia sofrido.
24 Zijn dochter nu was Seera, die bouwde het lage en het hoge Beth-horon, en Uzzen-Seera.
24 Sua filha foi Seerá, que edificou Bete-Horom-de-Baixo e Bete-Horom-de-Cima, bem como Uzém-Seerá.
25 En Refah was zijn zoon, en Resef; en zijn zoon was Telah; en zijn zoon Tahan;
25 O filho de Berias foi Refa, de quem foi filho Resefe, de quem foi filho Tela, de quem foi filho Taã,
26 Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama;
26 de quem foi filho Ladã, de quem foi filho Amiúde, de quem foi filho Elisama,
27 Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua.
27 de quem foi filho Num, de quem foi filho Josué.
28 En hun bezitting en hun woning was Beth-El, en haar onderhorige plaatsen; en tegen het oosten Naaran, en tegen het westen Gezer en haar onderhorige plaatsen; en Sichem en haar onderhorige plaatsen, tot Gaza toe, en haar onderhorige plaatsen.
28 A propriedade e habitação deles foram: Betel e as suas aldeias; ao leste, Naarã; e, a oeste, Gezer e as suas aldeias, Siquém e as suas aldeias, até Aia e as suas aldeias;
29 En aan de zijden der kinderen van Manasse was Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, Thaanach en haar onderhorige plaatsen, Megiddo en haar onderhorige plaatsen, Dor en haar onderhorige plaatsen. In deze hebben de kinderen van Jozef, den zoon van Israel, gewoond.
29 do lado dos filhos de Manassés, Bete-Seã e as suas aldeias, Taanaque e as suas aldeias, Megido e as suas aldeias, Dor e as suas aldeias; nestas, habitaram os filhos de José, filho de Israel.
30 De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zuster.
30 Os filhos de Aser foram: Imna, Isvá, Isvi e Berias e Sera, irmã deles.
31 De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.
31 Os filhos de Berias foram: Héber e Malquiel; este foi o pai de Birzavite.
32 En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hunlieder zuster.
32 Héber gerou Jaflete, Somer, Hotão e Suá, irmã deles.
33 De kinderen van Jaflet nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath; dit waren de kinderen van Jaflet.
33 Os filhos de Jaflete foram: Pasaque, Bimal e Asvate; estes foram os filhos de Jaflete.
34 En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.
34 Os filhos de Semer foram: Aí, Roga, Jeubá e Arã.
35 En de kinderen van zijn broeder Helem waren Zofah, en Jimna, en Seles, en Amal.
35 Os filhos de seu irmão Helém foram: Zofa, Imna, Seles e Amal.
36 De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,
36 Os filhos de Zofa foram: Sua, Harnefer, Sual, Beri, Inra,
37 Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.
37 Bezer, Hode, Sama, Silsa, Itrã e Beera.
38 De kinderen van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara.
38 Os filhos de Jéter foram: Jefoné, Pispa e Ara.
39 En de kinderen van Ulla waren Arah, en Hanniel, en Rizja.
39 Os filhos de Ula foram: Ara, Haniel e Rizia.
40 Deze allen waren kinderen van Aser, hoofden der vaderlijke huizen, uitgelezene kloeke helden, hoofden der vorsten; en zij werden in geslachtsregisters geteld ten heire in den krijg; hun getal was zes en twintig duizend mannen.
40 Todos estes foram filhos de Aser, chefes das famílias, escolhidos, homens valentes, chefes de príncipes, registrados nas suas genealogias para o serviço na guerra; seu número foi de vinte e seis mil homens.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Crônicas 7, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.