1 Crônicas 23

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Toen nu David oud was en zat van dagen, maakte hij zijn zoon Salomo tot koning over Israel.
1 Quando já era bem velho, Davi constituiu o seu filho Salomão rei sobre Israel.
2 En hij vergaderde al de vorsten van Israel, ook de priesters en de Levieten.
2 Davi reuniu todos os chefes de Israel, bem como os sacerdotes e levitas.
3 En de Levieten werden geteld, van dertig jaren af en daarboven; en hun getal was, naar hun hoofden, aan mannen, acht en dertig duizend.
3 Foram contados os levitas de trinta anos para cima, e seu número, contados um por um, foi de trinta e oito mil homens.
4 Uit dezen waren er vier en twintig duizend om het werk van het huis des HEEREN aan te drijven; en zes duizend ambtlieden en rechters;
4 Destes, havia vinte e quatro mil para supervisionarem a obra da Casa do Senhor , seis mil oficiais e juízes,
5 En vier duizend poortiers, en vier duizend lofzangers des HEEREN, met instrumenten, die ik gemaakt heb, zeide David, om lof te zingen.
5 quatro mil porteiros e quatro mil para louvarem o Senhor com os instrumentos que Davi fez para esse fim.
6 En David verdeelde hen in verdelingen, naar de kinderen van Levi, Gerson, Kehath en Merari.
6 Davi os repartiu por turnos, segundo os filhos de Levi: Gérson, Coate e Merari.
7 Uit de Gersonieten waren Ladan en Simei.
7 Os filhos de Gérson foram: Ladã e Simei.
8 De kinderen van Ladan waren dezen: Jehiel, het hoofd, en Zetham, en Joel; drie.
8 Os filhos de Ladã foram: Jeiel, o chefe, Zetã e Joel, três ao todo.
9 De kinderen van Simei waren Selomith, en Haziel, en Haran, drie; dezen waren de hoofden der vaderen van Ladan.
9 Os filhos de Simei foram: Selomite, Haziel e Harã, três ao todo. Estes foram os chefes das famílias de Ladã.
10 De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.
10 Os filhos de Simei foram: Jaate, Ziza, Jeús e Berias. Estes foram os filhos de Simei, quatro ao todo.
11 En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.
11 Jaate era o chefe e Ziza era o segundo. Jeús e Berias não tiveram muitos filhos e por isso estes dois foram contados como uma só família.
12 De kinderen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziel; vier.
12 Os filhos de Coate foram: Anrão, Isar, Hebrom e Uziel, quatro ao todo.
13 De kinderen van Amram waren Aaron en Mozes. Aaron nu werd afgezonderd, dat hij heiligde de allerheiligste dingen, hij en zijn zonen, tot in eeuwigheid, om te roken voor het aangezicht des HEEREN, om Hem te dienen en om in Zijn Naam tot in eeuwigheid te zegenen.
13 Os filhos de Anrão foram: Arão e Moisés. Arão foi separado para servir no Santo dos Santos, ele e os seus filhos, para sempre, e para queimar incenso diante do Senhor , para o servir e para dar a bênção em seu nome, para sempre.
14 Aangaande nu Mozes, den man Gods, zijn kinderen werden genoemd onder den stam van Levi.
14 Quanto a Moisés, homem de Deus, seus filhos foram contados entre a tribo de Levi.
15 De kinderen van Mozes waren Gersom en Eliezer.
15 Os filhos de Moisés foram: Gérson e Eliézer.
16 Van de kinderen van Gersom was Sebuel het hoofd.
16 O filho de Gérson foi Sebuel, o chefe.
17 De kinderen van Eliezer nu waren dezen: Rehabja het hoofd; en Eliezer had geen andere kinderen, maar de kinderen van Rehabja vermeerderden ten hoogste.
17 O filho de Eliézer foi Reabias, o chefe; e ele não teve outros filhos; mas os filhos de Reabias se multiplicaram grandemente.
18 Van de kinderen van Jizhar was Selomith het hoofd.
18 Os filhos de Isar foram: Selomite, o chefe.
19 Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde.
19 Os filhos de Hebrom foram: Jerias, o chefe, Amarias, o segundo, Jaaziel, o terceiro, e Jecameão, o quarto.
20 Aangaande de kinderen van Uzziel: Micha was het hoofd, en Jissia de tweede.
20 Os filhos de Uziel foram: Mica, o chefe, e Issias, o segundo.
21 De kinderen van Merari waren Maheli en Musi; de kinderen van Maheli waren Eleazar en Kis.
21 Os filhos de Merari foram: Mali e Musi. Os filhos de Mali foram: Eleazar e Quis.
22 En Eleazar stierf, en hij had geen zonen, maar dochters; en de kinderen van Kis, haar broeders, namen ze.
22 Eleazar morreu e não teve filhos, porém filhas; e os filhos de Quis, seus parentes, casaram com elas.
23 De kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jeremoth; drie.
23 Os filhos de Musi foram: Mali, Éder e Jerimote, três ao todo.
24 Dit zijn de kinderen van Levi, naar het huis hunner vaderen, de hoofden der vaderen, naar hun gerekenden in het getal der namen naar hun hoofden, doende het werk van den dienst van het huis des HEEREN van twintig jaren oud en daarboven.
24 Estes foram os filhos de Levi, segundo as suas famílias e chefes delas, segundo foram contados nominalmente, um por um, de vinte anos para cima, encarregados do ministério da Casa do Senhor .
25 Want David had gezegd: De HEERE, de God Israels, heeft Zijn volk rust gegeven, en Hij zal te Jeruzalem wonen tot in eeuwigheid.
25 Porque Davi disse: — O
26 En ook aangaande de Levieten, dat zij den tabernakel, noch enig van deszelfs gereedschap, tot deszelfs dienst behorende, niet meer zouden dragen.
26 Assim, os levitas já não precisarão levar o tabernáculo e nenhum dos utensílios para o seu ministério.
27 Want naar de laatste woorden van David werden de kinderen van Levi geteld, van twintig jaren oud en daarboven;
27 Porque, segundo as últimas palavras de Davi, foram contados os filhos de Levi de vinte anos para cima.
28 Omdat hun standplaats was aan de hand der zonen van Aaron in den dienst van het huis des HEEREN, over de voorhoven, en over de kameren, en over de reiniging van alle heilige dingen, en het werk van den dienst van het huis Gods;
28 O serviço deles era ajudar os filhos de Arão no ministério da Casa do Senhor , nos átrios e nas câmaras, na purificação de todas as coisas sagradas e na obra do ministério da Casa de Deus,
29 Te weten tot het brood der toerichting, en tot de meelbloem ten spijsoffer, en tot ongezuurde vladen, en tot de pannen, en tot het gerooste, en tot alle mate en afmeting;
29 a saber, cuidar dos pães da proposição, da melhor farinha para a oferta de cereais, dos bolos sem fermento, das ofertas assadas e das misturadas com azeite, bem como dos pesos e das medidas.
30 En om alle morgens te staan, om den HEERE te loven en te prijzen; en desgelijks des avonds;
30 Deviam estar presentes todas as manhãs e todas as tardes para darem graças ao Senhor e o louvarem,
31 En tot al het offeren der brandofferen des HEEREN, op de sabbatten, op de nieuwe maanden, en op de gezette hoogtijden in getal, naar de wijze onder hen, geduriglijk, voor het aangezicht des HEEREN;
31 e sempre que fossem oferecidos os holocaustos do Senhor , nos sábados, nas Festas da Lua Nova e nas festas fixas, diante do Senhor , segundo o número determinado.
32 En dat zij de wacht van de tent der samenkomst zouden waarnemen, en de wacht des heiligdoms, en de wacht der zonen van Aaron, hun broederen, in den dienst van het huis des HEEREN.
32 Os filhos de Levi deviam cuidar da tenda do encontro e do santuário e deviam ajudar os filhos de Arão, seus irmãos, no ministério da Casa do Senhor .

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Crônicas 23, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.