1 Crônicas 19

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 En het geschiedde na dezen, dat Nahas, de koning der kinderen Ammons, stierf, en zijn zoon werd koning in zijn plaats.
1 Depois disto, morreu Naás, rei dos filhos de Amom; e seu filho reinou em seu lugar.
2 Toen zeide David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, den zoon van Nahas; want zijn vader heeft weldadigheid aan mij gedaan. Daarom zond David boden, om hem te troosten over zijn vader. Toen de knechten van David in het land der kinderen Ammons tot Hanun kwamen, om hem te troosten,
2 Então, disse Davi: Usarei de bondade para com Hanum, filho de Naás, porque seu pai usou de bondade para comigo. Pelo que Davi enviou mensageiros para o consolar acerca de seu pai; e vieram os servos de Davi à terra dos filhos de Amom, a Hanum, para o consolarem.
3 Zo zeiden de vorsten der kinderen Ammons tot Hanun: Eert David uw vader in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Zijn niet zijn knechten tot u gekomen, om te doorzoeken, en om om te keren, en om het land te verspieden?
3 Disseram os príncipes dos filhos de Amom a Hanum: Pensas que, por te haver Davi mandado consoladores, está honrando a teu pai? Não vieram seus servos a ti para reconhecerem, destruírem e espiarem a terra?
4 Daarom nam Hanun de knechten van David, en hij beschoor hen, en sneed hun klederen half af tot aan de heupen, en liet hen henengaan.
4 Tomou, então, Hanum os servos de Davi, e rapou-os, e lhes cortou metade das vestes até às nádegas, e os despediu.
5 Zij nu gingen henen, en men boodschapte David van deze mannen; en hij zond hun tegemoet; want die mannen waren zeer beschaamd. De koning dan zeide: Blijft te Jericho, totdat ulieder baard weder gewassen zij; komt dan wederom.
5 Foram-se alguns e avisaram a Davi acerca destes homens; então, enviou mensageiros a encontrá-los, porque estavam sobremaneira envergonhados. Mandou o rei dizer-lhes: Deixai-vos estar em Jericó, até que vos torne a crescer a barba; e, então, vinde.
6 Toen de kinderen Ammons zagen, dat zij zich stinkende gemaakt hadden bij David, zo zond Hanun en de kinderen Ammons duizend talenten zilvers, om zich wagenen en ruiters te huren uit Mesopotamie, en uit Syrie-Maacha, en uit Zoba;
6 Vendo, pois, os filhos de Amom que se haviam tornado odiosos a Davi, então, Hanum e os filhos de Amom tomaram mil talentos de prata, para alugarem para si carros e cavaleiros da Mesopotâmia, e dos siros de Maaca, e de Zoba.
7 Zodat zij zich huurden twee en dertig duizend wagenen; en de koning van Maacha en zijn volk kwamen en legerden zich voor Medeba; ook vergaderden de kinderen Ammons uit hun steden, en zij kwamen ten strijde.
7 Alugaram para si trinta e dois mil carros, o rei de Maaca e a sua gente, e eles vieram e se acamparam diante de Medeba; também os filhos de Amom se ajuntaram das suas cidades e vieram para a guerra.
8 Toen het David hoorde, zo zond hij Joab en het ganse heir met de helden.
8 O que ouvindo Davi, enviou contra eles a Joabe com todo o exército dos valentes.
9 Als de kinderen Ammons uitgetogen waren, zo stelden zij de slagorde voor de poort der stad; maar de koningen, die gekomen waren, die waren bijzonder in het veld.
9 Saíram os filhos de Amom e ordenaram a batalha à entrada da porta da cidade; porém os reis que vieram estavam à parte, no campo.
10 Toen Joab zag, dat de spits der slagorde van voren en van achteren tegen hem was, zo verkoos hij enigen uit alle uitgelezenen in Israel, en hij stelde hen in orde tegen de Syriers aan.
10 Vendo, pois, Joabe que estava preparada contra ele a batalha, tanto pela frente como pela retaguarda, escolheu dentre todos o que havia de melhor em Israel e os formou em linha contra os siros;
11 En het overige des volks gaf hij in de hand van zijn broeder Abisai, en zij stelden hen in orde tegen de kinderen Ammons aan.
11 e o resto do povo entregou a Abisai, seu irmão, e puseram-se em linha contra os filhos de Amom.
12 En hij zeide: Indien mij de Syriers te sterk worden, zo zult gij mij komen verlossen; en indien de kinderen Ammons u te sterk worden, zo zal ik u verlossen.
12 Disse Joabe: Se os siros forem mais fortes do que eu, tu me virás em socorro; e, se os filhos de Amom forem mais fortes do que tu, eu irei ao teu socorro.
13 Wees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk, en voor de steden onzes Gods; de HEERE nu doe, wat goed is in Zijn ogen.
13 Sê forte, pois; pelejemos varonilmente pelo nosso povo e pelas cidades de nosso Deus; e faça o Senhor o que bem lhe parecer.
14 Toen naderde Joab en het volk, dat bij hem was, ten strijde voor het aangezicht der Syriers; en zij vloden voor zijn aangezicht.
14 Então, avançou Joabe com o povo que estava com ele, e travaram peleja contra os siros; e estes fugiram de diante dele.
15 Toen de kinderen Ammons zagen, dat de Syriers vloden, zo vloden zij ook voor het aangezicht van Abisai, zijn broeder, en zij kwamen in de stad; en Joab kwam te Jeruzalem.
15 Vendo os filhos de Amom que os siros fugiam, também eles fugiram de diante de Abisai, irmão de Joabe, e entraram na cidade; voltou Joabe dos filhos de Amom e tornou a Jerusalém.
16 Als de Syriers zagen, dat zij voor het aangezicht van Israel geslagen waren, zo zonden zij boden, en brachten de Syriers uit, die aan gene zijde der rivier woonden; en Sofach, de krijgsoverste van Hadar-ezer, toog voor hun aangezicht heen.
16 Vendo, pois, os siros que tinham sido desbaratados diante de Israel, enviaram mensageiros e fizeram sair os siros que habitavam do lado dalém do rio; Sofaque, capitão do exército de Hadadezer, marchava adiante deles.
17 Toen het David werd aangezegd, zo vergaderde hij gans Israel, en hij toog over de Jordaan, en hij kwam tot hen, en hij stelde de slagorde tegen hen. Als David de slagorde tegen de Syriers gesteld had, zo streden zij met hem.
17 Informado Davi, ajuntou a todo o Israel, passou o Jordão, veio ter com eles e ordenou contra eles a batalha; e, tendo Davi ordenado a batalha contra os siros, pelejaram estes contra ele.
18 Doch de Syriers vloden voor het aangezicht van Israel, en David versloeg van de Syriers zeven duizend wagenen, en veertig duizend mannen te voet; daartoe doodde hij Sofach, den krijgsoverste.
18 Porém os siros fugiram de diante de Israel, e Davi matou dentre os siros os homens de sete mil carros e quarenta mil homens de pé; a Sofaque, chefe do exército, matou.
19 Toen de knechten van Hadar-ezer zagen, dat zij geslagen waren, voor het aangezicht van Israel, zo maakten zij vrede met David, en dienden hem; en de Syriers wilden de kinderen Ammons niet meer verlossen.
19 Vendo, pois, os servos de Hadadezer que foram feridos diante de Israel, fizeram paz com Davi e o serviram; e os siros nunca mais quiseram socorrer aos filhos de Amom.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Crônicas 19, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.