1 Crônicas 15

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 En David maakte zich huizen in zijn stad; en hij bereidde der ark Gods een plaats, en spande een tent voor haar.
1 Davi fez também casas para si mesmo, na Cidade de Davi, e preparou um lugar para a arca de Deus e lhe armou uma tenda.
2 Toen zeide David: Niemand mag de ark Gods dragen, dan de Levieten; want die heeft de HEERE verkoren, om de ark Gods te dragen, en om Hem te dienen tot in der eeuwigheid.
2 Então ele disse: — Ninguém pode levar a arca de Deus, a não ser os levitas, porque o
3 Ook vergaderde David gans Israel te Jeruzalem, om de ark des HEEREN op te halen aan haar plaats, die hij haar bereid had.
3 Davi reuniu todo o Israel em Jerusalém, para trazer a arca do Senhor para o lugar que ele havia preparado para ela.
4 En David verzamelde de kinderen van Aaron en de Levieten.
4 Davi reuniu os filhos de Arão e os levitas.
5 Van de kinderen van Kehath was Uriel overste, en van zijn broederen waren honderd en twintig.
5 Dos filhos de Coate veio Uriel, o chefe, e seus irmãos, cento e vinte;
6 Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.
6 dos filhos de Merari veio Asaías, o chefe, e seus irmãos, duzentos e vinte;
7 Van de kinderen van Gersom was Joel overste, en van zijn broederen waren honderd en dertig.
7 dos filhos de Gérson veio Joel, o chefe, e seus irmãos, cento e trinta;
8 Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.
8 dos filhos de Elisafã veio Semaías, o chefe, e seus irmãos, duzentos;
9 Uit de kinderen van Hebron was Eliel overste, en zijn broederen waren tachtig.
9 dos filhos de Hebrom veio Eliel, o chefe, e seus irmãos, oitenta;
10 Uit de kinderen van Uzziel was Amminadab overste, en zijn broederen waren honderd en twaalf.
10 dos filhos de Uziel veio Aminadabe, o chefe, e seus irmãos, cento e doze.
11 En David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten Uriel, Asaja en Joel, Semaja, en Eliel, en Amminadab.
11 Davi chamou os sacerdotes Zadoque e Abiatar e os levitas Uriel, Asaías, Joel, Semaías, Eliel e Aminadabe
12 En hij zeide tot hen: Gijlieden zijt hoofden der vaderen onder de Levieten; heiligt u, gij en uw broeders, dat gij de ark des HEEREN, des Gods van Israel, opbrengt, ter plaatse, die ik voor haar bereid heb.
12 e lhes disse: — Vocês são os chefes das famílias dos levitas. Santifiquem a si mesmos e aos seus irmãos, para que possam trazer a arca do
13 Want omdat gijlieden ten eerste dit niet deedt, heeft de HEERE, onze God, onder ons een scheur gedaan, omdat wij Hem niet gezocht hebben naar het recht.
13 Pois, visto que vocês não a carregaram na primeira vez, o Senhor , nosso Deus, irrompeu contra nós, porque não o buscamos, segundo nos tinha sido ordenado.
14 Zo heiligden zich dan de priesters en Levieten, om de ark des HEEREN, des Gods van Israel, op te brengen.
14 Então os sacerdotes e os levitas se santificaram, para trazer a arca do Senhor , Deus de Israel.
15 En de kinderen der Levieten droegen de ark Gods op hun schouderen, met de draagbomen, die op hen waren, gelijk als Mozes geboden had naar het woord des HEEREN.
15 Os filhos dos levitas trouxeram a arca de Deus sobre os ombros pelos cabos, como Moisés havia ordenado, segundo a palavra do Senhor .
16 En David zeide tot de oversten der Levieten, dat zij hun broeders, de zangers, stellen zouden met muziekinstrumenten, met luiten, en harpen, en cimbalen, dat zij zich zouden doen horen, verheffende de stem met blijdschap.
16 Davi ordenou aos chefes dos levitas que constituíssem os seus irmãos, os cantores, para que, acompanhados por instrumentos musicais, liras, harpas e címbalos, se fizessem ouvir, levantando a voz com alegria.
17 Zo stelden dan de Levieten Heman, den zoon van Joel, en uit zijn broederen Asaf, den zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hun broederen, Ethan, den zoon van Kusaja;
17 Assim, os levitas designaram Hemã, filho de Joel; e dos irmãos dele, Asafe, filho de Berequias; e dos filhos de Merari, irmãos deles, Etã, filho de Cusaías.
18 En met hen hun broeders van de tweede orde: Zecharja, Ben en Jaaziel, en Semiramoth, en Jehiel, en Unni, Eliab, en Benaja, en Maaseja, en Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiel, de poortiers.
18 E com eles os seus irmãos da segunda ordem: Zacarias, Bene, Jaaziel, Semiramote, Jeiel, Uni, Eliabe, Benaia, Maaseias, Matitias, Elifeleu e Micneias e os porteiros Obede-Edom e Jeiel.
19 De zangers nu, Heman, Asaf en Ethan, lieten zich horen met koperen cimbalen;
19 Assim, os cantores Hemã, Asafe e Etã se faziam ouvir com címbalos de bronze;
20 En Zecharja, en Aziel, en Semiramoth, en Jehiel, en Unni, en Eliab, en Maaseja, en Benaja, met luiten op Alamoth.
20 Zacarias, Aziel, Semiramote, Jeiel, Uni, Eliabe, Maaseias e Benaia, com liras, em voz de soprano;
21 En Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiel, en Azazja, met harpen op de Scheminith, om den toon te versterken.
21 Matitias, Elifeleu, Micneias, Obede-Edom, Jeiel e Azazias, com harpas, em voz de baixo, para conduzir o canto.
22 En Chenanja, de overste der Levieten, was over het opheffen; hij onderwees hen in het opheffen; want hij was verstandig.
22 Quenanias, chefe dos levitas músicos, tinha o encargo de dirigir o canto, porque era perito nisso.
23 En Berechja en Elkana waren poortiers der ark.
23 Berequias e Elcana eram porteiros da arca.
24 En Sebanja, en Josafat, en Nethaneel, en Amasai, en Zecharja, en Benaja, en Eliezer, de priesters, trompetten met trompetten voor de ark Gods; en Obed-Edom en Jehia waren poortiers der ark.
24 Sebanias, Josafá, Natanael, Amasai, Zacarias, Benaia e Eliézer, os sacerdotes, tocavam as trombetas diante da arca de Deus; Obede-Edom e Jeías eram porteiros da arca.
25 Het geschiedde nu, dat David en de oudsten van Israel, en de oversten der duizenden, henengingen, om de ark des verbonds des HEEREN op te halen, uit het huis van Obed-Edom, met vreugde;
25 Davi, os anciãos de Israel e os capitães de milhares foram, com alegria, buscar a arca da aliança do Senhor na casa de Obede-Edom.
26 Zo geschiedde het, doordien dat God de Levieten hielp, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, dat zij zeven varren en zeven rammen offerden.
26 E visto que Deus ajudou os levitas que levavam a arca da aliança do Senhor , ofereceram em sacrifício sete novilhos e sete carneiros.
27 David nu was gekleed met een mantel van fijn linnen; ook al de Levieten, die de ark droegen, en de zangers, en Chenanja, de overste van het opheffen der zangers; ook had David een lijfrok aan van linnen.
27 Davi estava vestido com um manto de linho fino, bem como todos os levitas que levavam a arca, os cantores e Quenanias, chefe dos que levavam a arca e dos cantores; Davi vestia também uma estola sacerdotal de linho.
28 Alzo bracht gans Israel de ark des verbonds des HEEREN op, met gejuich, en met geluid der bazuin, en met trompetten, en met cimbalen, makende geluid met luiten en met harpen.
28 Assim, todo o Israel levou a arca da aliança do Senhor , com júbilo e ao som de clarins, trombetas e címbalos, fazendo ressoar harpas e liras.
29 Het geschiedde nu, toen de ark des verbonds des HEEREN tot aan de stad Davids gekomen was, dat Michal, de dochter van Saul, door een venster keek, en den koning David zag, springende en spelende; zo verachtte zij hem in haar hart.
29 Quando a arca da aliança do Senhor estava entrando na Cidade de Davi, Mical, filha de Saul, olhou pela janela. E, ao ver o rei Davi dançando e se alegrando, ela o desprezou em seu coração.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Crônicas 15, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.