1 Crônicas 12

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Dezen nu zijn het, die tot David kwamen naar Ziklag, toen hij nog besloten was voor het aangezicht van Saul, den zoon van Kis; zij waren ook onder de helden, die tot dien krijg hielpen.
1 Davi estava morando na cidade de Ziclague, para onde havia ido a fim de fugir do rei Saul. Ali foram juntar-se a ele alguns soldados corajosos e de confiança.
2 Gewapend met bogen, rechts en links met stenen werpende, en met pijlen schietende uit den boog; zij waren van de broederen van Saul, uit Benjamin.
2 Eles eram da tribo de Benjamim, como Saul era. Atiravam flechas com o arco e pedras com fundas , tanto com a mão direita como com a esquerda. Os soldados eram estes: Jeziel e Pelete, filhos de Azmavete; Beraca e Jeú, que era da cidade de Anatote; Ismaías, da cidade de Gibeão, soldado famoso e um dos líderes do grupo chamado “Os Trinta”; Jeremias, Jaaziel, Joanã e Jozabade, que era da cidade de Gedera; Eluzai, Jerimote, Bealias, Semarias e Sefatias, que era da cidade de Harife; Elcana, Issias, Azarel, Joezer e Jasobeão, que eram do grupo de famílias de Corá; Joela e Zebadias, filhos de Jeroão, da cidade de Gedor.
3 Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.
3 — ausente —
4 En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet;
4 — ausente —
5 Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;
5 — ausente —
6 Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;
6 — ausente —
7 En Joela en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.
7 — ausente —
8 Ook scheidden zich van de Gadieten af tot David, in die vesting naar de woestijn, kloeke helden, krijgslieden ten oorlog, toegerust met rondas en schild; en hun aangezichten waren aangezichten der leeuwen; en zij waren als de reeen op de bergen in snelheid.
8 São estes os nomes dos soldados corajosos e treinados da tribo de Gade que foram juntar-se ao exército de Davi quando ele estava na fortaleza do deserto. Eles sabiam lutar com escudo e lança e eram ferozes como os leões e ligeiros como as gazelas . Ézer, Obadias, Eliabe, Mismana, Jeremias, Atai, Eliel, Joanã, Elzabade, Jeremias e Macbanai.
9 Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde;
9 — ausente —
10 Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;
10 — ausente —
11 Attai de zesde; Eliel de zevende;
11 — ausente —
12 Johanan de achtste; Elzabad de negende;
12 — ausente —
13 Jirmeja de tiende; Machbannai de elfde.
13 — ausente —
14 Dezen waren van de kinderen van Gad, hoofden des heirs; een van de kleinsten was over honderd, en de grootste over duizend.
14 Alguns desses homens da tribo de Gade comandavam mil homens, e outros, cem.
15 Deze zelfden zijn het, die over de Jordaan gingen in de eerste maand, toen dezelve vol was aan al haar oevers; en zij verdreven al de inwoners der laagten, tegen het oosten en tegen het westen.
15 Certa vez, no primeiro mês do ano, quando o Jordão alaga as suas margens, eles atravessaram o rio e puseram em fuga o povo que morava nos vales, tanto no lado leste como no lado oeste do rio.
16 Er kwamen ook van de kinderen van Benjamin en Juda op de vesting tot David.
16 Também um grupo de homens das tribos de Benjamim e Judá foi até a fortaleza onde Davi estava.
17 En David ging uit hun tegemoet, en antwoordde, en zeide tot hen: Indien gijlieden ten vrede tot mij gekomen zijt, om mij te helpen, zo zal mijn hart tegelijk over ulieden zijn; maar indien het is, om mij aan mijn vijanden bedriegelijk over te leveren, daar toch geen wrevel in mijn handen is, de God onzer vaderen zie het, en straffe het!
17 Davi saiu para encontrar-se com eles e disse: — Se vocês vieram como amigos, para me ajudar, aceito de todo o coração que façam parte do meu grupo. Mas, se vieram para me trair e me entregar aos meus inimigos, embora eu não tenha cometido nenhum crime, o Deus dos nossos antepassados ficará sabendo e castigará vocês.
18 En de Geest toog Amasai aan, den overste der hoofdlieden, en hij zeide: Wij zijn uw, o David, en met u zijn wij, gij, zoon van Isai. Vrede, vrede zij u, en vrede uw helperen; want uw God helpt u. Toen nam David hen aan, en stelde hen tot hoofden der benden.
18 Então o Espírito de Deus tomou conta de Amasai, que depois veio a ser o comandante dos “Trinta”, e ele gritou: — Davi, filho de Jessé, nós somos seus! Tudo de bom para você e para aqueles que o ajudam! Deus está do seu lado! Então Davi os recebeu e os colocou como oficiais do seu exército.
19 Er vielen ook van Manasse tot David, toen hij met de Filistijnen kwam, om tegen Saul te strijden, alhoewel zij hen niet hielpen; want de vorsten der Filistijnen verlieten hem met raad, zeggende: Met gevaar van onze hoofden zou hij tot Saul, zijn heer, vallen.
19 Alguns soldados da tribo de Manassés passaram para o lado de Davi quando ele havia saído junto com os filisteus para lutar contra o rei Saul. Na verdade ele não ajudou os filisteus. Os seus governadores mandaram que Davi voltasse para Ziclague porque ficaram com medo que ele os entregasse ao seu antigo chefe, o rei Saul.
20 Toen hij naar Ziklag toog, vielen tot hem uit Manasse: Adnah, en Jozabad, en Jediael, en Michael, en Jozabad, en Elihu, en Zillethai; hoofden der duizenden, die in Manasse waren.
20 São estes os soldados da tribo de Manassés que passaram para o lado de Davi quando ele estava voltando para lá: Adna, Jozabade, Jediael, Micael, Jozabade, Eliú e Ziletai. Em Manassés todos eles haviam sido comandantes de grupos de mil homens.
21 En dezen hielpen David mede tegen die benden; want alle dezen waren kloeke helden; en zij waren oversten in het heir.
21 Eles serviram Davi como oficiais das suas tropas porque eram soldados capazes. Mais tarde, eles foram oficiais do exército israelita.
22 Want er kwamen er te dier tijd dag bij dag tot David, om hem te helpen, tot een groot leger toe, als een leger Gods.
22 Quase todos os dias, novos homens vinham juntar-se ao grupo de Davi, e por isso em pouco tempo o seu exército ficou enorme. Da Da tribo de Simeão: sete mil e cem homens bem-treinados. Da tribo de Levi: quatro mil e seiscentos homens; seguidores de Joiada, descendente de Arão: três mil e setecentos homens; e Zadoque, um soldado jovem e capaz, veio com vinte e dois chefes do seu grupo de famílias. Da tribo de Benjamim, a tribo de Saul: só três mil homens, pois a maior parte do povo de Benjamim continuava fiel a Saul. Da tribo de Efraim: vinte mil e oitocentos homens valentes, que eram famosos nos seus grupos de famílias. Da tribo de Manassés do Oeste: dezoito mil homens que foram escolhidos para irem fazer Davi rei. Da tribo de Issacar: duzentos líderes e os homens comandados por eles. Esses líderes sabiam o que o povo de Israel devia fazer e a melhor ocasião para fazê-lo. Da tribo de Zebulom: cinquenta mil homens fiéis e de confiança, treinados para usar todos os tipos de armas e prontos para lutar. Da tribo de Naftali: mil líderes e mais trinta e sete mil homens armados com escudos e lanças. Da tribo de Dã: vinte e oito mil e seiscentos homens treinados. Da tribo de Aser: quarenta mil homens preparados para a batalha. Das tribos que ficavam a leste do rio Jordão, isto é, Rúben, Gade e Manassés do Leste: cento e vinte mil homens treinados para usar todos os tipos de armas.
23 En dit zijn de getallen der hoofden dergenen, die toegerust waren ten heire, die tot David te Hebron kwamen, om het koninkrijk van Saul tot hem te wenden, naar den mond des HEEREN:
23 — ausente —
24 Van de kinderen van Juda, die rondassen en spiesen droegen, waren zes duizend en achthonderd toegerust ten heire;
24 — ausente —
25 Van de kinderen van Simeon, kloeke helden ten heire, zeven duizend en honderd;
25 — ausente —
26 Van de kinderen van Levi, vier duizend en zeshonderd;
26 — ausente —
27 En Jehojada was overste der Aaronieten; en met hem waren er drie duizend en zevenhonderd.
27 — ausente —
28 En Zadok was een jongeling, een kloek held; en uit zijns vaders huis waren twee en twintig oversten;
28 — ausente —
29 En van de kinderen van Benjamin, de broederen van Saul, drie duizend; want tot nog toe waren er velen van hen, die het met het huis van Saul hielden;
29 — ausente —
30 En van de kinderen van Efraim, twintig duizend en achthonderd, kloeke helden, mannen van naam in het huis hunner vaderen;
30 — ausente —
31 En van den halven stam van Manasse achttien duizend, die met namen uitgedrukt zijn, dat zij kwamen, om David koning te maken;
31 — ausente —
32 En van de kinderen van Issaschar, die ervaren waren in het verstand van de tijden, om te weten wat Israel doen moest; hun hoofden waren tweehonderd, en alle hun broeders pasten op hun woord;
32 — ausente —
33 Uit Zebulon, uitgaande in het heir, toegerust ten strijde met alle krijgswapenen, vijftig duizend; en om een slagorde te houden met een onwankelbaar hart;
33 — ausente —
34 En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.
34 — ausente —
35 En uit de Danieten, ten strijde toegerust, acht en twintig duizend en zeshonderd;
35 — ausente —
36 En uit Aser, uitgaande in het heir, om krijgsorde te houden, waren veertig duizend;
36 — ausente —
37 En van gene zijde van de Jordaan, van de Rubenieten, en Gadieten, en den halven stam van Manasse, met allerlei krijgsgereedschap ten oorlog, honderd en twintigduizend.
37 — ausente —
38 Al deze krijgslieden, die zich in slagorde konden houden, kwamen met een volkomen hart te Hebron, om David koning te maken over gans Israel. En ook was al het overige van Israel een hart, om David tot koning te maken.
38 Todos esses soldados preparados para a batalha foram até Hebrom, resolvidos a fazerem Davi rei de todos os israelitas. Todo o resto do povo de Israel estava unido no mesmo propósito.
39 En zij waren daar bij David drie dagen lang, etende en drinkende; want hun broeders hadden voor hen wat toebereid.
39 Eles ficaram três dias ali com Davi, comendo e bebendo aquilo que os seus irmãos israelitas haviam preparado para eles.
40 En ook de naasten aan hen, tot aan Issaschar, en Zebulon, en Nafthali, brachten brood op ezelen, en op kemelen, en op muildieren, en op runderen, meelspijs, stukken vijgen, en stukken rozijnen, en wijn, en olie, en runderen, en klein vee in menigte; want er was blijdschap in Israel.
40 De bem longe, até das tribos de Issacar, Zebulom e Naftali, no Norte, vieram pessoas trazendo jumentos, camelos, mulas e bois carregados de comida, isto é, farinha de trigo, figos, passas, vinho e azeite. Também trouxeram gado e ovelhas para matar e comer. Tudo isso mostrava a alegria que havia em todo o país.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Crônicas 12, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.