1 Crônicas 11

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Toen vergaderde zich gans Israel tot David naar Hebron, zeggende: Zie, wij zijn uw gebeente en uw vlees.
1 Então, todo o Israel se ajuntou a Davi, em Hebrom, dizendo: Somos do mesmo povo de que tu és.
2 Zelfs ook te voren, toen Saul nog koning was, hebt gij Israel uitgeleid en ingeleid; ook heeft de HEERE, uw God, tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israel weiden, en gij zult voorganger zijn van Mijn volk Israel.
2 Outrora, sendo Saul ainda rei, eras tu que fazias saídas e entradas militares com Israel; também o Senhor , teu Deus, te disse: Tu apascentarás o meu povo de Israel, serás chefe sobre o meu povo de Israel.
3 Ook kwamen alle oudsten in Israel tot den koning van Hebron, en David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des HEEREN; en zij zalfden David ten koning over Israel, naar het woord des HEEREN, door den dienst van Samuel.
3 Assim, pois, todos os anciãos de Israel vieram ter com o rei em Hebrom; e Davi fez com eles aliança em Hebrom, perante o Senhor . Ungiram Davi rei sobre Israel, segundo a palavra do Senhor por intermédio de Samuel.
4 En David toog henen, en gans Israel, naar Jeruzalem, welke is Jebus; want daar waren de Jebusieten, de inwoners des lands.
4 Partiu Davi e todo o Israel para Jerusalém, que é Jebus, porque ali estavam os jebuseus que habitavam naquela terra.
5 En de inwoners van Jebus zeiden tot David: Gij zult hier niet inkomen. David dan nog won den burg Sion, welke is de stad Davids.
5 Disseram os moradores de Jebus a Davi: Tu não entrarás aqui. Porém Davi tomou a fortaleza de Sião; esta é a Cidade de Davi.
6 Want David zeide: Al wie de Jebusieten het eerst slaat, zal tot een hoofd, en tot een overste worden. Toen beklom Joab, de zoon van Zeruja, dien het eerst; daarom werd hij tot een hoofd.
6 Porque disse Davi: Qualquer que primeiro ferir os jebuseus será chefe e comandante. Então, Joabe, filho de Zeruia, subiu primeiro e foi feito chefe.
7 David nu woonde op den burg; daarom heet men dien de stad Davids.
7 Assim, habitou Davi na fortaleza, pelo que se chamou a Cidade de Davi.
8 En hij bouwde de stad rondom, van Millo af, en rondom henen; en Joab vernieuwde het overige der stad.
8 E foi edificando a cidade em redor, desde Milo, completando o circuito; e Joabe renovou o resto da cidade.
9 En David ging geduriglijk voort, en werd groot, want de HEERE der heirscharen was met hem.
9 Ia Davi crescendo em poder cada vez mais, porque o Senhor dos Exércitos era com ele.
10 Dezen nu waren de hoofden der helden, die David had, die zich dapper bij hem gedragen hebben in zijn koninkrijk bij geheel Israel, om hem koning te maken, naar het woord des HEEREN over Israel.
10 São estes os principais valentes de Davi, que o apoiaram valorosamente no seu reino, com todo o Israel, para o fazerem rei, segundo a palavra do Senhor , no tocante a esse povo.
11 Dezen nu zijn van het getal der helden, die David had: Jasobam, de zoon van Hachmoni, was het hoofd der dertigen, die zijn spies tegen driehonderd opheffende, hen op eenmaal versloeg.
11 Eis a lista dos valentes de Davi: Jasobeão, hacmonita, o principal dos trinta, o qual, brandindo a sua lança contra trezentos, de uma vez os feriu.
12 En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, de Ahohiet; hij was onder die drie helden.
12 Depois dele, Eleazar, filho de Dodô, o aoíta; ele estava entre os três valentes.
13 Hij was met David te Pas-Dammim, als de Filistijnen daar ten strijde vergaderd waren, en het stuk des akkers vol gerst was, en het volk voor het aangezicht der Filistijnen vlood;
13 Este se achou com Davi em Pas-Damim, quando se ajuntaram ali os filisteus à peleja, onde havia um pedaço de terra cheio de cevada; e o povo fugiu de diante dos filisteus.
14 En zij stelden zich in het midden van dat stuk, en beschermden het, en zij sloegen de Filistijnen; en de HEERE verloste hen door een grote verlossing.
14 Puseram-se no meio daquele terreno, e o defenderam, e feriram os filisteus; e o Senhor efetuou grande livramento.
15 En drie uit de dertig hoofden togen af naar den rotssteen tot David in de spelonk van Adullam; en het leger der Filistijnen had zich gelegerd in het dal Refaim.
15 Três dos trinta cabeças desceram à penha, indo ter com Davi à caverna de Adulão; e o exército dos filisteus se acampara no vale dos Refains.
16 En David was toen in de vesting en de bezetting der Filistijnen was toen te Bethlehem.
16 Davi estava na fortaleza, e a guarnição dos filisteus, em Belém.
17 En David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die onder de poort is?
17 Suspirou Davi e disse: Quem me dera beber água do poço que está junto à porta de Belém!
18 Toen braken die drie door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die onder de poort is, en zij droegen het en brachten het tot David. Doch David wilde het niet drinken, maar hij goot het uit voor den HEERE;
18 Então, aqueles três romperam pelo acampamento dos filisteus, e tiraram água do poço junto à porta de Belém, e tomaram-na, e a levaram a Davi; ele não a quis beber, mas a derramou como libação ao Senhor .
19 En hij zeide: Dat late mijn God verre van mij zijn, van zulks te doen! Zou ik het bloed dezer mannen drinken? Met gevaar huns levens, ja, met gevaar huns levens hebben zij dat gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden.
19 E disse: Longe de mim, ó meu Deus, fazer tal coisa; beberia eu o sangue dos homens que lá foram com perigo de sua vida? Pois, com perigo de sua vida, a trouxeram. De maneira que não a quis beber. São essas as coisas que fizeram os três valentes.
20 Abisai nu, de broeder van Joab, was ook het hoofd van drie; en hij, verheffende zijn spies tegen driehonderd, versloeg hen; alzo had hij een naam onder die drie.
20 Também Abisai, irmão de Joabe, era cabeça dos trinta, o qual, brandindo a sua lança contra trezentos, os feriu; e tinha nome entre os primeiros três.
21 Uit die drie was hij geeerd boven de twee; daarom werd hij hun tot een overste; maar hij kwam tot aan de eerste drie niet.
21 Era ele mais nobre do que os trinta e era o cabeça deles; contudo, aos primeiros três não chegou.
22 Benaja, de zoon van Jojada, de zoon eens dapperen mans van Kabzeel, was groot van daden; hij versloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en versloeg een leeuw in het midden des kuils, in den sneeuwtijd.
22 Também Benaia, filho de Joiada, era homem valente de Cabzeel e grande em obras; feriu ele dois heróis de Moabe. Desceu numa cova e nela matou um leão no tempo da neve.
23 Hij versloeg ook een Egyptischen man, een man van grote lengte, van vijf ellen; en die Egyptenaar had een spies in de hand, als een weversboom; maar hij ging tot hem af met een staf, en rukte de spies uit de hand des Egyptenaars, en hij doodde hem met zijn eigen spies.
23 Matou também um egípcio, homem da estatura de cinco côvados; o egípcio trazia na mão uma lança como o eixo do tecelão, mas Benaia o atacou com um cajado, arrancou-lhe da mão a lança e com ela o matou.
24 Deze dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; dies had hij een naam onder die drie helden.
24 Estas coisas fez Benaia, filho de Joiada, pelo que teve nome entre os primeiros três valentes.
25 Ziet, hij was de heerlijkste van die dertig; nochtans kwam hij tot aan de drie niet. En David stelde hem over zijn trawanten.
25 Era mais nobre do que os trinta, porém aos três primeiros não chegou, e Davi o pôs sobre a sua guarda.
26 De helden nu der heiren waren: Asahel, de broeder van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;
26 Foram os heróis dos exércitos: Asael, irmão de Joabe, Elanã, filho de Dodô, de Belém;
27 Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
27 Samote, harorita; Heles, pelonita;
28 Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;
28 Ira, filho de Iques, tecoíta; Abiezer, anatotita;
29 Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;
29 Sibecai, husatita; Ilai, aoíta;
30 Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;
30 Maarai, netofatita; Helede, filho de Baaná, netofatita;
31 Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;
31 Itai, filho de Ribai, de Gibeá, dos filhos de Benjamim; Benaia, piratonita;
32 Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;
32 Hurai, do ribeiro de Gaás; Abiel, arbatita;
33 Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;
33 Azmavete, baarumita; Eliaba, saalbonita;
34 Van de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet;
34 Benê-Hasém, gizonita; Jônatas, filho de Sage, hararita;
35 Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;
35 Aião, filho de Sacar, hararita; Elifal, filho de Ur;
36 Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;
36 Héfer, mequeratita; Aías, pelonita;
37 Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;
37 Hezro, carmelita; Naarai, filho de Ezbai;
38 Joel, de broeder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;
38 Joel, irmão de Natã; Mibar, filho de Hagri;
39 Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
39 Zeleque, amonita; Naarai, beerotita, o que trazia as armas de Joabe, filho de Zeruia;
40 Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;
40 Ira, o itrita; Garebe, itrita;
41 Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;
41 Urias, heteu; Zabade, filho de Alai;
42 Adina, de zoon van Siza, de Rubeniet, was het hoofd der Rubenieten; nochtans waren er dertig boven hem;
42 Adina, filho de Siza, rubenita, chefe dos rubenitas, e com ele trinta;
43 Hanan, de zoon van Maacha, en Josafat, de Mithniet;
43 Hanã, filho de Maaca; Josafá, mitenita;
44 Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiel, de zoon van Hotham, den Aroeriet;
44 Uzias, asteratita, Sama e Jeiel, filhos de Hotão, aroerita;
45 Jediael, de zoon van Simri, en Joha, zijn broeder, de Tiziet;
45 Jediael, filho de Sinri, e Joá, seu irmão, tizita;
46 Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;
46 Eliel, maavita, Jeribai e Josavias, filhos de Elnaão; Itma, moabita;
47 Eliel, en Obed, en Jaaziel van Mezobaja.
47 Eliel, Obede e Jaasiel, de Zoba.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Crônicas 11, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.